Toen ik voor de tweede keer De man die alles weet bezocht en wederom met de slappe lach nog in mijn benen en balorige overmoedigheid tussen mijn oren naar buiten liep, kwam de volgende vraag in mij op: lachen de volwassenen en de kleuters tijdens deze voorstelling om hetzelfde?

Door Brechtje Zwaneveld, foto Phile Deprez

De man die alles weet van regisseur Jetse Batelaan was in 2014 een hitvoorstelling en trekt ook nu tijdens de reprise volle zalen met joelende kleuters en volwassenen. De voorstelling breekt bruut met het idee dat theater iets te maken heeft met stil op een stoel zitten, kijken en luisteren. In mijn recensie in NRC Handelsblad beschreef ik het indertijd als volgt: ‘De chaos is absurdistisch en klunzig tegelijk. Hier wordt het ouderwetse “Jan Klaassen, achter je!” (het poppenkastpubliek weet méér dan de poppen in de kast) geniaal omgesmolten tot dadaïstische anarchie van dommeriken die nog altijd vele malen slimmer zijn dan zij die menen “alles” te weten. En tegelijkertijd is niemand – kleuter noch volwassene – ook maar een haar beter dan de geleerde. Kleuters en volwassenen worden in deze mimevoorstelling van regisseur Jetse Batelaan hoopvol en met verbluffende zelfspot aan elkaar gelijkgeschakeld.’ Daarmee dacht ik de collectieve brulpartij van het publiek aardig te hebben samengevat. Afgaande op deze woorden zou je kunnen concluderen dat volwassenen en kleuters inderdaad om hetzelfde lachen.

Lachspieren

Humor is natuurlijk vervelend om te analyseren, een uitgelegde grap heeft de neiging te verschrompelen. Dat geldt zeker voor het subtiel-sublieme, droogkomische spel van René van ’t Hof. Hij kan fluttige lijstjes (van getallen, zuivelproducten, weersomstandigheden, Afrikaanse landen) voordragen en doen alsof ze alwetende kennis omvatten. Hij slaagt erin om een levensgroot pak karnemelk naast hem niet op te merken ondanks dat honderd kleuters gillen ‘dáár, náást je!’ om vervolgens laconiek te zeggen dat hij heus wel wist van dat pak, dat staat er namelijk iedere avond. En hij kan oprecht de betekenis van een stoel proberen te ontdekken en na wat gehannes concluderen dat hij het meubelstuk als een hondje aan de lijn met zich moet meeslepen. Dat werkt op ieders lachspieren; hij maakt logisch wat hartstikke onlogisch is, hij is onverstoorbaar.

Aan de lol van dingen die kapot lazeren, valt verder ook niet zo heel veel te analyseren. Een gordijnrail die ineens breekt, omsodemieterende spullen; als dat goed wordt getimed en goed klinkt en als daarmee wordt gesuggereerd dat de muzikant achter het gordijn (Keimpe de Jong) tegen zijn eigen instrumentarium aanloopt, dan is dat simpelweg geestig. Als dat bovendien iedere keer een tikje luider gebeurt, waardoor een geduldig-zijn-irritatie-inslikkende Van ’t Hof voor de zoveelste keer wordt onderbroken, dan wordt het hilarisch. En een paarse broek die een gele maillot en ten slotte een blauwe onderbroek onthult, als tip voor het kleurenrijtje van de alwetende man, laat uiteraard jong en oud allebei grinniken van enigszins ondeugende verrassing. Evenals een betrapte Tjebbe Roelofs die achter het gordijn met een gieter regengeluiden staat te maken.

Collectieve uitzinnigheid

Tot zover denk ik dat volwassenen en kleuters wel ongeveer om hetzelfde lachen in De man die alles weet. Ik denk zelfs dat ze om al deze flauwe, goed getimede grappen ongeveer op dezelfde manier lachen, namelijk met een mengeling van ongeloof en verbluffing over zoveel originele, kolderiek mislukkende simpelheid.

Maar de collectieve uitzinnigheid, de slappe lach en de gillende anarchie ontstaan door iets anders. Dat kleuters lachen om een domme man en naar hem gillen hoe het allemaal wél zit en moet, ligt enigszins in de lijn der verwachting. Dat volwassenen lachen om het onverbloemde fanatisme waarmee de kleuters hun spontane associaties uiten, is ook geen onbekend gegeven. Natuurlijk begint de hele zaal te lachen als een kind bij de blauwe onderbroek suggereert dat die ‘oudblauw’ is omdat Van ’t Hof vlak daarvoor tijdens zijn kleurenrijtje omstandig heeft uitgelegd dat de kinderen in de zaal ‘oudroze’ misschien niet kennen, maar dat dat ook een kleur is.

Wat dat betreft lachen de volwassenen weldegelijk om iets anders dan de kinderen. Zij lachen nou juist om datgene waarin de kinderen volledig opgaan: het grof doorbreken van de theaterconventie dat je stil moet zijn. Maar het knappe aan De man die alles weet is dat de volwassenen daar evengoed in opgaan. Van ’t Hof doet de wijzende vingers van de kinderen na, vraagt of ze willen ophouden met voorzeggen, omdat het daar zo makkelijk van wordt, valt uit dat hij zich niet kan concentreren omdat de kinderen erdoorheen zitten te krijsen. Het helpt allemaal niets, de kinderen blijven krijsen en geen van de volwassenen roept ze tot de orde. Sterker nog, de volwassenen lachen luid mee en blijven hun kinderen aanmoedigen. Zij worden eigenlijk ook kleuters.

Rebellie

In tegenstelling tot wat ik ruim een jaar geleden opschreef, denk ik nu dat De man die alles weet helemaal niet over weten of vermeend weten gaat. Evenmin verbindt de voorstelling kleuters en kinderen alleen maar in een of andere staat van niet-weten of leedvermaak omtrent domheid. En zo er al sprake is van zelfspot, betreft die hooguit de volwassenen, want ik betwijfel hoeveel vierjarigen zichzelf op hun nummer gezet voelen op het moment dat ze en masse mogen helpen om ‘alles’ er even bij te halen en dit ‘niks’ blijkt te zijn. De onbenulligheid van alles willen weten ontgaat de kleuters toch, ben ik bang. En de schoonheid of originaliteit van die eenvoudige gedachte al helemaal. Die voelen ze hooguit intuïtief aan.

De man die alles weet is een hartstochtelijk en intelligent pleidooi voor onbevangenheid. De voorstelling appelleert aan eenieders diep verstopte – of voor sommigen uiteraard iets minder diep verstopte – verlangen naar rebellie en de boel in de soep laten lopen. Van ’t Hof, De Jong en Roelofs orkestreren en stapelen hun eigen chaos en die van de zaal nauwkeurig. Om hem vervolgens omver te duwen. Door kleuters in de rol van betweter te duwen en volwassenen daar deelgenoot van te maken in het theater gaan jong en oud in hun lijf voelen hoe bevrijdend het is als vanzelfsprekende aannames in het ootje worden genomen. Brullen in theater mág, het niet meer weten mág, geholpen worden mag, per ongeluk tegen al je muziekinstrumenten aanlopen mag en de betweter uithangen mag ook.

Wat zelfs mag, is je voorstelling als een nachtkaars laten uitgaan en je hele zorgvuldig opgebouwde anarchie onderuit schoffelen: in de laatste scène van De man die alles weet mogen de kinderen vragen stellen. En dan gebeurt er pas echt iets compleet onverwachts. Hebben de kinderen en de volwassenen zojuist nog een uur lang overal doorheen zitten joelen, nu steken ze ineens allemaal hun vingers op en wachten met praten tot Tjebbe Roelofs met de microfoon naar ze toe komt. Een grotere anticlimax is haast niet mogelijk. En het zijn nog geijkte, totaal niet-existentiële, ‘goeie’ kindervragen ook: hoe werkt een auto, wil er een weten. En dus wil de volgende weten hoe een helikopter werkt, waardoor de laatste die de beurt krijgt, verzint dat-ie wil weten hoe een vliegtuig werkt. Uiteraard blijft de man die alles weet het antwoord op deze vragen schuldig. Maar het mag allemaal en het drietal performers zingt uitbundig: ‘Dat is een goeie vraag,  de beste van vandaag.’