Een kostuumontwerper werkt heel dicht op de huid van acteurs. Scenograaf Liesje Knobel ging in gesprek met kostuumontwerper Carly Everaert over ‘het onderworpen lichaam’ en kostuums, en over de vraag hoe je als kostuumontwerper de onderwerping aan het normatieve kunt doorbreken.

Door Liesje Knobel, beeld Carly Everaert

Toen ik negen was, vroeg een klasgenoot me wanneer ik nou eens een man zou worden. Zijn vraag kwam voort uit de manier waarop ik me toen het liefste kleedde: korte afgeknipte spijkerbroek, lage staart, Fido Dido-T-shirt en zwarte Timberlands met stalen neuzen. Zijn vraag raakte me, niet omdat ik me beledigd voelde, maar omdat ik er op dat moment bewust van werd dat ik blijkbaar zou moeten kiezen. Vanaf dat moment koos ik niet meer wat ik droeg omdat ik het mooi vond of omdat ik me er goed in voelde; kleding werd een performatieve daad. Ik kleedde me om erbij te horen, om me te onderscheiden, mezelf te definiëren of te verdwijnen.

Een culturele huid

Wat we dragen mag op die manier tijdelijk en gekozen zijn, zo wordt het niet gelezen. Het is een interessant gegeven dat we weten dat we de kleren die we dragen kunnen aan- en uittrekken, dat ze niet vast zitten aan het lichaam, terwijl we het geklede lichaam van een ander toch altijd in zijn geheel in ons opnemen, alsof de kleding en het lichaam eronder onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het is bijna alsof de kleding versmelt met het lichaam tot een soort tweede huid, een culturele huid.

En kleding is (net als je huid) politiek. Dat werd het afgelopen jaar heel duidelijk toen een islamitische vrouw op het strand van Cannes door de politie werd gedwongen zich te ontkleden. Ze had, in tegenstelling tot de andere strandbezoekers, haar kleren nog aan. Een zwarte broek met een blauwe trui en bijpassende hoofddoek. Ze was té bedekt. Drie gewapende mannen in uniform vertelden de vrouw, aangemoedigd door roepende mensen, dat ze op het strand kon blijven als ze haar hoofddoek als haarband zou gebruiken. Intussen gaven ze haar een boete omdat haar kleding geen respect toonde voor goede moralen en secularisme.

Dit voorbeeld laat zien hoe dwingend de norm kan zijn. Hoe kleding bijdraagt aan een sociale scheiding in klasse, gender of etniciteit. En hoe door het afdwingen van een bepaald kledingvoorschrift, of zelfs het criminaliseren van kleding, bepaalde groepen kunnen worden onderdrukt.

Toch kun je in het dagelijks leven zelf bepalen welke positie je inneemt met de kleding die je draagt. Als kostuumontwerper bepaal je het voor iemand anders. Betekent dat dat je als ontwerper eigenlijk ook een lichaam onderwerpt? Ik sprak met kostuumontwerper Carly Everaert over ‘het onderworpen lichaam’ en kostuums, en over de vraag hoe je als kostuumontwerper de onderwerping aan het normatieve kan doorbreken.

Normaal. Doen.

Ik leerde Everaert kennen in mijn eerste jaar van de opleiding scenografie. Als student moest ik een herenkostuum uit elkaar halen en van de losse panden stof een nieuw kostuum in elkaar zetten. Sinds de start van de opleiding tien jaar geleden heeft elke student deze opdracht gedaan. Vorig jaar haalde Everaert mij erbij om de studenten te begeleiden bij het presenteren van hun werk. Dit jaar viel het vak samen met de verkiezingen. En terwijl de VVD met de slogan ‘Normaal. Doen.’ werd verkozen tot de grootste partij, waren wij op school met precies het tegenovergestelde bezig: we haalden het symbool van de norm uit elkaar en onderzochten de mogelijkheden van andere silhouetten. Humor, elegantie, agressie, geborgenheid, contradictie; het komt er allemaal uit tevoorschijn. Maar in al die jaren is er nog nooit hetzelfde uitgekomen. Ik begreep voor het eerst dat dit vak niet alleen over vorm, verhoudingen en silhouetten gaat, maar in essentie politiek is.

Als ik dit aan Everaert voorleg, moet ze daar even over nadenken. ‘Is het politiek? Ik heb het inderdaad waarschijnlijk ooit op die manier bedoeld. Er was nog niemand op het idee gekomen om het dominante beeld van het herenpak te deconstrueren.’ Ik vraag haar of haar werk op een bepaalde manier altijd politiek is, om het onderworpen lichaam te bevrijden. ‘Ik denk dat het te maken heeft met wat ik graag zie. Er zijn ontwerpers die de esthetiek van het lichaam benadrukken. Ik ben eerder geneigd om het ontregelende van lichamen op te zoeken. Om los te komen van het schone en tot een ervaring van het sublieme te komen’, vertelt Everaert.

Het sublieme als begrip komt van filosoof Edmund Burke. Hij maakte een onderscheid tussen een ervaring van het schone en een ervaring van het sublieme. Het begrip schoonheid gaat volgens Burke over harmonische, welgeproportioneerde vormen, die nauw verbonden zijn met opvattingen over moraal, status en het goede. Het sublieme daarentegen is een emotie die we ervaren wanneer we worden geconfronteerd met het verschrikkelijke, met het onbevattelijke, met pijn of gevaar. Volgens Burke wekt dit de allersterkste emotie op die de geest kan ondergaan. In het kader van lichamen heeft het sublieme ook te maken met wat Mikhail Bahktin het groteske lichaam noemt. Afwijkende lichamen kunnen ons angst inboezemen, maar kunnen tegelijkertijd de bron zijn van onze meest bizarre fantasieën.

Een imperfecte schoonheid

‘Het esthetische lichaam is een klassiek ideaal’, meent Everaert. ‘Een hermetisch gesloten lichaam. In het klassieke silhouet worden echte lichamen in al hun veelvormigheid verstopt. Voor mij is het lichaam juist het begin. Het is het doek waarop je werkt. Dit was het uitgangspunt van mijn ontwerp voor de voorstelling In mijn hoofd ben ik een dun meisje van NTjong. Daar liepen de actrices allemaal in pantypakken, zodat het publiek hun lichamen te zien kreeg. Het is een verademing om al die verschillende lijven te kunnen zien. Naast elkaar gezien krijg je gelijk door dat lichamen helemaal niet zo homogeen zijn. Het werkt zelfs zo dat het meest normale lichaam je een beetje gaat tegenstaan, omdat het zo bekend is. In één van de scènes in de voorstelling waren de actrices als poppen verkleed, maar dan van die vergane, versleten poppen. Ik heb de neiging om perfecte schoonheid kapot te willen maken om een andere schoonheid te laten zien. Een imperfecte schoonheid, waar vergankelijkheid ook een plek in heeft.’

Hoewel we ons lichaam voortdurend aan ons eigen schoonheidsideaal onderwerpen, staan we er slechts zelden bij stil hoezeer wat we mooi vinden doordrenkt is van bestaande machtsverhoudingen. ‘Ik ben me daar heel bewust van. Ik heb bijvoorbeeld ook de neiging om een machtsverhouding tussen een regisseur en een actrice niet in te lossen, wanneer hij me vraagt om haar seksualiteit te benadrukken. Ze is seksueel aantrekkelijk, dus hoef je haar niet te objectificeren’, stelt Everaert.

Het korset, ingebonden voeten, lange nagels, maar ook hoge hakken; door de eeuwen heen zijn er steeds weer nieuwe dingen bedacht om met name het vrouwenlichaam te beperken in haar bewegingsvrijheid. Het problematiseren van dit idee van schoonheid levert niet alleen een bevrijding van het lichaam op, maar opent ook de weg voor het onverwachte. Zonder dat het expliciet politiek hoeft te zijn, kunnen het emanciperende en het artistieke elkaar ontmoeten.

Van buiten naar binnen

Als kind verkleedde ik me heel vaak. Niet alleen als ik aan het spelen was, maar eigenlijk altijd. Mijn kledingkast bestond voor een groot deel uit kleren die ik uit de verkleedkist had gevist. Ik kon me soms, tot ergernis van mijn moeder, op een dag wel zes keer verkleden omdat m’n kleren niet meer overeenkwamen met mijn gevoel. En ik was niet de enige. Mijn beste vriendin kon soms midden in een ruzie weglopen. Dan kwam ze even later terug met de boodschap dat ze haar boze kleren uit had gedaan.

Het laat zien dat we kleding niet alleen waarnemen als onderdeel van het lichaam wanneer we naar anderen kijken, maar onze kleding zelf ook zo ervaren. Kleding en identiteit zijn zo met elkaar verweven dat het mogelijk is om met kleding van buiten naar binnen een transformatie te veroorzaken. Acteurs zijn bekend met deze transformerende werking. Het aantrekken van een kostuum kan een ingang zijn om een personage vorm te geven. Door je te verkleden kun je even in de huid van iemand anders kruipen.

Het verkleden kan echter ook een manier zijn om het normatieve los te weken. Everaert geeft het voorbeeld van een feministische salon die ze jaren geleden bij Atelier D organiseerde. De gasten werd bij binnenkomst gevraagd een persoonlijkheidstest te doen om te kijken of ze meer aan de mannelijke kant of aan de vrouwelijke kant zaten. Daarna werden ze door Everaert één voor één gekleed in een herenkostuum en werden ze een ruimte ingeleid die was ingericht als een herensociëteit. ‘De reacties waren heel interessant. Moet je voorstellen, iedereen had z’n best gedaan om zich mooi aan te kleden. Dat werd ze afgenomen. Sommigen hadden er erg veel moeite mee. Maar er waren er ook bij die zich juist heel bevrijd voelden. Het idee was om te laten zien dat het mannelijke en het vrouwelijke relationeel zijn, dat identiteit fluïde is. Het ging om het ontheiligen van het lichaam. Flipping the script. Op de grond hadden we geschreven: “Your body is not a temple, it’s an amusement park.”’

Het doet me denken aan wat Drew Leder dys-appearance noemt; we staan normaal gesproken niet stil bij ons lichaam, maar als er iets misgaat, als het lichaam ziek wordt of niet functioneert, is het ineens onomstotelijk aanwezig. Het lichaam openbaart zich dus (appearance) in het disfunctioneren (dys-). In het voorbeeld van Atelier D heeft het kostuum deze verstorende rol ingenomen. En in de bewustwording schuilt een emanciperende kracht.

Kostuum als tegenspeler

Het gegeven dat kleding en identiteit zo nauw met elkaar verbonden zijn en dat een kostuum in staat is om van buitenaf een identiteit af te dwingen, brengt me terug bij mijn vraag of je als kostuumontwerper ook in een machtsverhouding terechtkomt en een lichaam onderwerpt. Everaert: ‘Ik geloof niet dat het over onderwerping gaat. Het is eerder een dialoog. Ook al leg ik met een kostuum een acteur een fysieke beperking op. Ik begrijp lichamen ten diepste. En ik heb ook geleerd om meer te luisteren naar de intuïtieve reactie van een acteur op een kostuum. Acteurs zijn zich vaak heel bewust van hun lichaam. Als zij zich niet tot een kostuum kunnen verhouden is er geen gesprek. Dat betekent overigens niet dat het kostuum en de acteur hetzelfde vertellen. Je kunt het kostuum zien als een tegenspeler. Dat betekent dat er altijd een ruimte blijft tussen de acteur en het kostuum. Daarom moet je acteurs hun kostuum ook weer niet te vroeg geven, want als ze er te lang in repeteren gaan ze zich ermee vereenzelvigen. Dan wordt het film of illustratie. In film wordt over het algemeen uitgegaan van realisme. In theater heb je de mogelijkheid iets anders te laten zien, om er iets tegenover te plaatsen.

‘Ik probeer in mijn kostuums het innerlijke uiterlijk te maken. Maar het is ook afhankelijk van hoe een acteur werkt. Veel acteurs werken van binnen naar buiten. Er zijn ook acteurs die van buiten naar binnen werken. Zoals bij Carver; zij hebben het kostuum nodig om tot spelen te komen. Dat is een totaal andere dialoog. Daar gooi ik al vroeg in het proces iets in de repetitieruimte. Zij kunnen daar dan mee spelen en ermee aan de haal gaan.’

Nadat we het gesprek eigenlijk al hebben afgerond, komt Everaert nog met een laatste statement. ‘Eigenlijk voel ik ook verzet tegen de term “het onderworpen lichaam”. Dat klinkt als een voldongen feit.’ Ik moet glimlachen. Altijd alles blijven bevragen. De onderwerping van het lichaam aan het normatieve is een actief proces en het kan ook anders.

Dossiers

Theatermaker zomer 2017