Door Patrick van der Hijden

Een journalistieke zoektocht naar de uitholling van de Nederlandse podiumkunsten komt vroeg of laat uit bij de podiumkunstenaars zelf en hun collega’s, en bij de staat waarin zij verkeren. Meer druk, hogere eisen, minder geld, minder tijd; die cocktail zorgt in andere sectoren voor meer burn-outs, ziekteverzuim en uitval. Het ligt voor de hand dat die problemen ook in de kunsten spelen.

Afgelopen december dienden de Belgische parlementsleden Yamila Mernissi en Bart Caron een verzoek in bij de Vlaamse Regering om het probleem van burn-out in de kunsten aan te pakken. Aanleiding daarvoor was het verhaal van programmeur Barbara Raes over haar burn-out, in de context van de verschraling van de kunsten in Vlaanderen.

In hun verzoek schrijven Mernissi en Caron onder meer: ‘De kunstensector is op korte tijd geprofessionaliseerd, maar verdonkeremaant het aantal burn-outs, omwille van schrik voor stigmatisering en de snelle vervangbaarheid van mensen omdat het een “gewilde” sector is op de arbeidsmarkt. […] Op die manier staat ze soms heel ver af van de waarden en normen die ze altijd verdedigd heeft.’ Interessant hoe hier de politiek de kunsten een spiegel voorhoudt.

Het ligt natuurlijk voor de hand dat dit probleem ook opgaat voor de Nederlandse cultuursector. Een aantal vragen dient zich aan. Hoe groot is de uitval door burn-out in de Nederlandse podiumkunsten? Hoe is die verdeeld over de diverse functiegroepen? En hoe is die verbonden met de uitholling van de sector de afgelopen jaren?

De huidige cijfers omtrent verzuim en arbeidsziekten geven geen directe antwoorden. Er is simpelweg geen gericht onderzoek naar gedaan en voor de data die we hebben geldt dat de kunsten vaak opgenomen zijn in een grotere categorie (‘cultuur, recreatie, en overige diensten’). Meer onderzoek is nodig, en dat is dan ook een belangrijk onderdeel van het Vlaamse verzoek.

Een andere ingang is de aanwezigheid van factoren die bijdragen aan burn-out. Het gaat dan om taakeisen als veel werk, hoog werktempo en hoge emotionele belasting. Alle drie die factoren zijn er in overvloed in de kunsten. Als mensen veel regelmogelijkheden hebben, ruimte om hun werk autonoom in te richten, werkt dat weer dempend. De taakeisen zijn onmiskenbaar zwaarder geworden, overal in de kunsten. Voor wat betreft de regelmogelijkheden zou je zeggen dat het daarmee wel goed zit in de verondersteld flexibele cultuursector. Maar daar valt veel op af te dingen, juist door de schaarste aan middelen, de toename van onderbetaalde zzp’ers zonder vangnet en de noodzaak om ‘te redden wat er te redden valt’ de afgelopen jaren.

Vooruitlopend op broodnodig nader onderzoek naar burn-out in de podiumkunsten sprak Theatermaker met vier (moedige!) cultuurwerkers die te maken kregen met een burn-out. Door dit nummer heen laten we ze aan het woord: twee directeuren, een freelance producent en een theatermaker. In drie van de vier verhalen is schaarste een prominent onderdeel van de context. In die zin zijn ze exemplarisch voor de realiteit in de podiumkunsten van de afgelopen jaren. In de reflecties van de geïnterviewden zit bovendien een aantal belangrijke aanwijzingen voor zowel nader onderzoek als voor oplossingen.

In elk verhaal zit ook een sterke individuele component. Want zo werkt die complexe aandoening: het is steeds een uniek samenspel van persoon en context. En toch is er ook een patroon in te herkennen. Mensen in de kunsten identificeren zich met hun arbeid – je bent in zekere mate je werk. Dat is de kracht van de sector, juist in een zware periode. Maar in tijden van schaarste blijkt het ook de achilleshiel ervan. De omgang met die tragische samenloop vormt wellicht de grote opgave voor de toekomstige onderzoekscommissie, en voor de podiumkunsten zelf.

Lees de andere burn-outverhalen:

Dossiers

Theatermaker april 2016
Uitholling