Op de Toneelacademie Maastricht was theater voor mij iets vanzelfsprekends. Er waren geen vragen als ‘waarom’ of  ‘voor wie’. Autonomie was het vertrekpunt. Het was niet het aanleren van een werkwijze dat ons inspireerde, maar het samen steeds opnieuw uitzoeken van een eigen werkwijze. De context waarbinnen ik theater maakte, bleef op afstand.

Toen wij in 2011 afstudeerden en mijn voorstelling in juni op het ITS Festival speelde, vroeg ik me af of er überhaupt wel publiek zou zijn. Tegelijkertijd werd de Mars der Beschaving gelopen. Het was het jaar van de grote kunstbezuinigingen. Wij moesten plotseling ons bestaan verantwoorden. Er waren uitspraken als ‘kunst is te elitair’ of ‘de kunstwereld ligt aan het subsidie-infuus’. Door de vanzelfsprekendheid die het maken van theater tot dan toe voor mij had werd een streep gezet.

Dit heeft mij en mijn generatie ongetwijfeld direct bewogen actief na te denken over wat kunst moet betekenen in onze samenleving. Het heeft ons direct tot ‘ondernemen’ aangezet. We moesten wel onze eigen structuur bepalen. Veel mensen richtten eigen initiatieven en collectieven op. Anderen sloten zich aan bij een productiehuis dat wel kon blijven bestaan. Ik sloot mij als maker aan bij Frascati Producties en richtte met Nastaran Razawi Khorasani een performancecollectief op, KOBE.

Het heeft er ook toe geleid dat we buiten onze eigen disciplines gingen kijken. We zijn theater als medium in twijfel gaan trekken. Theater is niet vanzelfsprekend het juiste medium om iets te vertellen. Het kan ook een videowerk, een installatie of muziek zijn. Misschien heeft het verhaal een ander publiek of een andere context nodig. Die van een festival of club bijvoorbeeld. Ons makerschap is misschien gefragmenteerd, maar dat is een noodzakelijke eigenschap om de vorm en inhoud zo specifiek mogelijk te maken in een wereld waarin zoveel gebeurt.

Wij bekijken de wereld met een ongelooflijke snelheid, vanuit vele perspectieven tegelijk. Ons kijkgedrag is volledig veranderd. We zijn voortdurend toeschouwer van ons eigen leven, de ander, het wereldtoneel. Waarin kan in het theater mijn rol als toeschouwer dan fundamenteel anders zijn? Die vraag moeten we onszelf stellen. Ook het maken op zich is niet meer enkel voorbehouden aan de kunstenaar. Een groot deel van de wereldbevolking is dagelijks bezig met vormgeven en creëren. Grenzen vervagen tussen waardevol en waardeloos, tussen origineel en plagiaat, tussen fictie en realiteit. Wat voor ingreep moet theater doen binnen deze ontwikkelingen?

Het werk dat wij maken toont de wereld in een versplinterde spiegel, waarvan de stukjes in steeds nieuwe constellaties aan elkaar gelijmd, stukgeslagen en nog eens aan elkaar gelijmd worden. Een collectie van bestaande elementen die samen een nieuw beeld vormen. Zonder direct oordeel.

We zijn kernloos. Dat kernloze is de kracht van deze tijd. Het maakt het mogelijk als een virus te infiltreren in een niche, een onderwerp of een vorm. De kleur van een ander aan te nemen en de wereld te analyseren die we verachten, adoreren of die ons verwart. Te kopiëren wat we daar tegenkomen en het te hergebruiken in een andere context, of om van binnenuit een statement te maken.

Het kernloze van deze tijd leidt er ook toe dat wat we doen soms zonder consequenties is. Ik zou willen dat kunst ingrijpender was. Ik wil mij als toeschouwer weer afvragen: is dit wel kunst? Mag kunst zich deze rol wel aanmeten?

Op de Toneelacademie leerde ik om autonoom te zijn en om tegelijkertijd steeds opnieuw samen de juiste werkwijze uit te zoeken. Voor de toekomst hebben we die attitude nodig. Laten we niet vanzelfsprekend overnemen wat bedacht is, maar laten we samen opnieuw uitzoeken hoe het kan. We hebben een structuur nodig die zichzelf steeds opnieuw ter discussie stelt. Met een praktijk waarin we ons kunnen installeren en die we kunnen hacken.