In het café na de voorstelling, Annemarie heeft gespeeld. Er is een stoel voor haar gescoord, een glas witte wijn – met ijsklontje – is aangerukt. Iemand waagt het erop haar te benaderen met een welgemeend ‘heel mooi!’. Steevast volgde dan: ‘Waarom?’
Mondelinge overhoring, zo gemakkelijk kwam je niet van haar af. ‘Fijn, dankjewel’, zei ze, als er hakkelend een minirecensie geïmproviseerd was.
Want eenvoudig was dat niet, formuleren wat je meemaakte als Annemarie speelde. Haar eigen voorstellingen, van Harmoniehof (1997) tot en met Over de bergen(2024), waren een soort theatertrip. Ze greep een zaal bij de lurven om zeventig minuten lang niet meer los te laten. Charismatisch, zou ik zeggen, als dat niet zo vaag was en in tegenstelling met haar ambachtelijke aanpak van het werk. Een aardse, studieuze, technische actrice was ze. Meticuleus maakte ze zich het parcours van een performance eigen, om zich er op de vloer met huid en haar in te storten.
Annemarie Prins kwam ruim zestig jaar geleden mijn leven binnengewandeld. Ze had, maar dat ontging me destijds, een vlammende verhouding met mijn vader Jan Kassies, destijds secretaris van de Raad voor Kunst. Ik was zeven en ik voelde me thuis bij haar. De eerste keer dat ik haar zag, had ze twee verschillende sokken aan, precies als Pippi Langkous, van het boek dat ik net aan het lezen was. Voor mij werd ze Pippi. Op een dag verdween ze, de relatie was uit. Pas jaren later werd het contact hersteld. Ik zag haar opera’s Aap verslaat de Knekelgeest (1980) en Houdini (1981) en vroeg haar als afstudeerbegeleider. Kort daarop werd ik haar regie-assistent. Een levenslange werkrelatie en een grote vriendschap waren begonnen.
Vers van school assisteerde ik in 1985 bij Hiroshima mon amour. Annemarie was bijna dertig jaar bezig. Na een korte tijd als actrice was ze regisseur geworden. Ze had in de jaren zestig aan de wieg gestaan van het politieke theater in Nederland. Ze had grote en kleine voorstellingen geregisseerd, met amateurproducties hoge ogen gegooid. Ze had experimentele radio en televisie gemaakt en opera’s geënsceneerd. Nu had ze met Edwin de Vries en Henk van der Meulen De Salon opgericht, waarvan Hiroshima de openingsvoorstelling was.
Het was een ambitieuze productie, met live video, door de acteurs zelf opgenomen en vertoond op monitoren rond het speelvlak. Het scenario van Marguerite Duras vormde de basis van het script, dat al repeterend door werd ontwikkeld. Vaak ging ik ’s avonds met haar mee naar huis om door te werken. Een pauze werd alleen ingelast om snel iets te koken en te eten met haar kinderen Bregtje en Dong Min, voor wie ze in haar eentje zorgde. Daarna kropen we opnieuw rond tussen de aantekeningen, teksten en storyboards, te veel om op de tafel te passen.
Pas achteraf realiseerde ik me hoe overbelast ze was en hoe ze zichzelf opjaagde. Alsof er voortdurend iets goedgemaakt moest worden, alsof ze alleen op grond van buitensporige inzet haar bestaan kon rechtvaardigen. Zoals ze het later in Harmoniehof verwoordde: ‘Ik ben zo bang dat ik het niet meer haal – mijn examen. Mijn examen mens. Tenzij ik vlak voor de grote vakantie nog eens heel hard werk.’
Er was in die dagen weinig oog voor welzijn. Je werd geacht te worden voortgedreven door een Heilig Moeten waaraan alles werd geofferd. Met drank en sigaretten werd de stoom van de ketel gehaald. Dat creativiteit gebaat is bij rust was sowieso een weinig courant concept, maar het paste al helemaal niet bij de manier waarop Annemarie haar eigen werk te lijf ging. Een wonderlijk contrast met hoe ze lesgaf of mensen begeleidde. Dan was ze weliswaar veeleisend, maar zette juist in op ontspanning. Het was een van de vele tegenstrijdigheden die bij haar hoorden.
Ze holde zichzelf ten slotte voorbij, bij De Salon. Almaar bezig aan vermeende verwachtingen te voldoen, raakte ze het spoor bijster. Een productie crashte nog voor de première. Er moest pas op de plaats worden gemaakt. Ik herinner me sessies bij haar thuis, pratend, lezend, muziek luisterend, op zoek naar haar makersvreugde, die ernstig ondergesneeuwd was geraakt. Het resulteerde in een drietal Beckett-producties. Twee daarvan, op basis van prozateksten, zouden de sleutel vormen tot al haar latere werk, in muzikaliteit, in associatieve vrijheid, in minutieuze precisie. Zoals het autobiografische Harmoniehof, dat ze op uitnodiging van Nan van Houte bij Frascati maakte. Ze schreef zelf de tekst, barok, beeldend, geestig, waarin ze afrekende met haar benauwende kindertijd en zich verzoende met wie ze geworden was. ‘Als het jachtseizoen voorbij is en de kinderwens vervuld, neem ik het besluit een interessante vrouw te worden, zo iemand waar je niet op gaat liggen.’
Ze werd vriendelijker, voor zichzelf en voor de mensen om haar heen. De angst dat ze passé was en geen werk meer zou krijgen, bleek ongegrond. Ze brak door als tv-actrice met haar rol van Tante Maud in Oud Geld, ze werd – tot haar plezier – herkend op straat, aanbiedingen voor rollen bleven komen, en ook haar werk als docent en regisseur ging door.
Mensen van vroeger nodigden haar nu uit voor projecten. Danseres/choreograaf Wies Bloemen bijvoorbeeld, die haar vroeg voor de voorstelling Mooi (2003), waarin Annemarie verblufte door met haar oude lijf minutenlang rond het speelvlak te rennen. Of Fred Frumberg, die onder de indruk was geweest van haar Beckett werk en inmiddels directeur was van Amrita Performing Arts in Phnom Penh, en die haar in 2005 vroeg in Cambodja een workshop te komen geven. Het zou uitmonden in Breaking the Silence (2009), over de moorddadige dictatuur van de Rode Khmer, gebaseerd op interviews met daders en slachtoffers, verzameld door het hele land. De voorstelling toerde eveneens van dorp tot dorp, met honderden toeschouwers per avond. In 2012 reisde de productie naar Rwanda. Rwandese acteurs vulden de cast aan, het script werd aangepast. Het gedeelde trauma van genocide overbrugde de culturele verschillen. Annemarie zou Breaking the silence later haar meest belangwekkende werk noemen, maar ervoer ook ongemak over haar eigen neokoloniale positie. Ze maakte er in 2015 Oud en Wit over.
In 2019 begon ze materiaal te verzamelen voor de voorstelling Over de bergen, die ze in 2024 – ze was 92 – met eclatant succes door het hele land speelde. Na de dernière raakte ze depressief. Het was een krachttoer geweest en het was duidelijk dat er niet nog zo’n project in zat. Een afgrondelijk vooruitzicht voor iemand die zich altijd zo met haar werk vereenzelvigd had. Toch krabbelde ze uit het dal. Ze beleefde weer plezier aan voorstellingen, waar ze nu niet meer op de fiets, maar per taxi heen ging, ze genoot van vrienden die haar kwamen opzoeken. Maar onvermijdelijk werd haar speelruimte beperkter. Fysieke klachten stapelden zich op. ‘Een omvallende boom’, noemde ze zichzelf.
‘Ik wil doodgaan nu ik nog Annemarie ben’, zei ze in dood en zo (2017). Dat is gelukt. Ze was tot het allerlaatst zichzelf. Ze was blij met de mensen om zich heen. Met haar zwartgallige humor pareerde ze de ongemakken van het patiënt-zijn. Haar fomo was onverminderd. Toen ze hoorde dat er een persbericht voor haar overlijden klaarlag, moest het haar worden voorgelezen. En af en toe riep ze: ‘Maar New York heeft Mamdani!’
Ze heeft het gehaald, haar examen mens.
Foto Bert Nienhuis
Harmoniehof is als podcast te beluisteren bij de NPO







