Nederland is al lang koploper als het gaat om het aantal beschikbare theaterstoelen. De afgelopen 15 jaar is daar met de bouw van een aantal grote theaters nog een forse hoeveelheid bijgekomen. Gedwongen bezuinigingen bij schouwburgen én gezelschappen, leidden vervolgens tot minder voorstellingen en verschraling van het aanbod. Theateradviseur Gerbrand Borgdorff kijkt naar oorzaken en mogelijke oplossingen.

In Nederland worden theaters gebouwd door gemeentes. Ze zijn bedoeld voor de voorstellingen van reizende gezelschappen, die op hun beurt worden gesubsidieerd door de landelijke overheid en die daarom verplicht zijn om met hun voorstelling het land door te gaan. Niet-gesubsidieerde voorstellingen hebben die verplichting niet, maar die moeten ook op reis omdat het publiek nu eenmaal gewend is om alles in de eigen gemeente te kunnen bekijken. Soms is er een musical die niet reist, maar dat is een uitzondering.

Deze praktijk heeft ertoe geleid dat in bijna iedere gemeente een theater staat. Een gemeente met sporthal en zwembad, maar zonder theater telt eigenlijk niet mee. Soms moet een gemeente een duwtje krijgen. Philips wilde best fabrieken bouwen in Stadskanaal en Drachten, maar dan moest er wel een theater komen. Anders zou het wel heel moeilijk worden om mensen te krijgen die in deze gemeentes wilden wonen en werken. De boodschap was duidelijk en zo bouwde men Geert Teis en De Lawei.

Het gebeurt wel vaker dat een gemeente meent dat de bouw van een theater belangrijk is voor het sociale en economische en natuurlijk culturele klimaat, en gelukkig maar. Anders werd er geen theater meer gebouwd. Het gebeurt echter maar zelden dat een theater gebouwd wordt omdat er een artistieke noodzaak is die dwingt tot de bouw of renovatie van een theater. Het gebeurt wel: De Rabozaal in Amsterdam kreeg zijn vorm in nauwe samenwerking tussen architect Jim Klinkhamer, regisseur Ivo van Hove, scenograaf Jan Versweyveld en theateradviseur Louis Janssen. Toneelgroep Amsterdam had zeer uitgesproken ideeën over de vorm van de zaal en de technische uitvoering en had daar ook rechtstreeks invloed op. Doorgaans zit een dergelijke betrokken gebruiker niet aan tafel. Sterker, als je ziet hoe theaters vaak tot stand komen, dan vraag je je af of de gemeente werkelijk als doel had om een theater te bouwen. Het doel lijkt eerder te zijn iedereen gerust te stellen dat het project binnen budget zal blijven.

Doelmatigheid zonder doel

Het is goed dat een gemeente strenge financiële kaders hanteert bij de bouw van een theater. Het gaat tenslotte om gemeenschapsgeld en dat moet doelmatig worden besteed. Maar doelmatig veronderstelt een doel. Dus eerst kijken of het wel nodig is, en zo ja, wat voor soort theater gewenst is. Als je in de nabije omtrek al een aantal grote schouwburgen hebt, zou je bijvoorbeeld kunnen besluiten om het juist wat kleiner aan te pakken. Toch is dat iets wat zelden gebeurt. Als de buren een theater hebben, dan moeten wij er ook een hebben, en wel minstens even groot. Geheel vrijblijvend is zo’n keuze overigens niet. Een groot theater betekent ook een grote investering.

Daar zien we trouwens het omgekeerde principe. Ons theater moet wel even groot zijn als dat van de buren, maar het moet ook goedkoper worden gebouwd. Hoe pak je dat aan? Je vraagt een projectmanagementbureau om een studie te doen naar de haalbaarheid van een nieuwe schouwburg, graag met kostenraming. Nou leeft dit soort bureaus natuurlijk voor een belangrijk deel van het begeleiden van dergelijke projecten, dus de verleiding om te melden dat een nieuwe schouwburg haalbaar en betaalbaar is, is groot.

Soms wordt in zo’n onderzoek echt goed gekeken naar de mogelijkheden en de wensen, maar het gebeurt ook dat op basis van ervaringscijfers een bedrag wordt genoemd. Dat bedrag is dan niet het budget. Er wordt eerst gekeken naar de politieke haalbaarheid. Meestal betekent dat, dat het bedrag wordt verlaagd. En dat lagere bedrag wordt genoemd als budget. Dan wordt er nog een paar jaar gediscussieerd. Tijdens die discussies wordt het budget doorgaans niet geïndexeerd en verbazing-verbazing: het project kan niet binnen budget te worden gerealiseerd, althans niet in de gewenste vorm. Heel vervelend voor de wethouder die dan soms het veld moet ruimen, zoals gebeurde bij MIDI in Tilburg.

Verzekering tegen onverwachte kosten

Dat sneuvelen van wethouders is iets wat voorkomen moet worden. Dat lukt alleen als het project binnen budget en planning wordt opgeleverd en zonder al teveel duidelijke gebreken. Om dit te verzekeren wordt opnieuw een projectmanagementbureau ingeschakeld. Dat is een dure verzekering, maar het bureau is gespecialiseerd in kostenbewaking. Dat begint en eindigt overigens vaak bij het ontwerp. De ontwerpkosten van een gebouw vormen maar een klein deel van het totale project en een goed team kan heel veel onnodige kosten voorkomen, maar goede raad is duur. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. We willen goed, snel en goedkoop. Dat werkt zelden, maar het wordt wel zo verkocht, en zeker tijdens een crisis is het best mogelijk om mensen te vinden die genoegen nemen met een laag honorarium. Na deze bezuiniging, worden ook nog pogingen gedaan om goedkoop te bouwen. In moeilijke tijden gaat dat prima en kan goede sier worden gemaakt met een mooi aanbestedingsresultaat zoals in Almere, maar op dit moment gaat het goed met de bouw en kun je dergelijke meevallers wel vergeten, zoals de gemeente Den Bosch merkte bij de aanbesteding van de nieuwbouw van Theater aan de Parade.

Betrokken ontwerpers

Dat klinkt allemaal heel somber en daarom is het goed om te weten dat veel theaters die gebouwd worden, eigenlijk heel goed zijn. Dat heeft een aantal redenen. Sommige projectmanagementbureaus zijn ook werkelijk heel ervaren en zijn echt goed in het kiezen voor kwaliteit als er pijnlijke financiële keuzes moeten worden gemaakt. Voor architecten is het bouwen van een theater een bijzondere eer en ze steken er doorgaans onevenredig veel tijd en energie in om het goed te krijgen. In Nederland worden ook de meeste projecten gebouwd met een theateradviseur. Die zorgt ervoor, als het goed is, dat er geen al te grote schuivers worden gemaakt.

Een gebouw dat werkt

Een theateradviseur moet zorgen dat het gebouw ‘werkt’. Een goed theater wordt bedacht vanuit de kern: de ontmoeting tussen artiest en publiek. Om die te laten slagen is een zaal nodig met goede zichtlijnen, maar ook een foyer met voldoende ruimte, een snelle garderobe, een gastvrije horeca en, niet te vergeten: voldoende damestoiletten. Aan de toneelkant is heel veel techniek nodig, een prettige ontvangst voor de gastgezelschappen en een efficiënt toneelhuis. Als het personeel nu ook nog gastvrij is en de programmering aantrekkelijk, dan ben je een eind op weg om een succesvol theater te worden.

Een theater als inkjetprinter

En daar begint meteen het eerstvolgende probleem: de financiering van de exploitatie. Het nieuwe theater is vaak groter dan het oude. Dat betekent veelal meer personeel en ook hogere kosten voor onderhoud en afschrijving. Dat is er bij de bouw van het theater niet altijd bij verteld. Het lukt soms nog wel om een flink bedrag op te hoesten om iets te bouwen, maar de jaarlijkse kosten om zo’n gebouw ook goed te laten functioneren, is andere koek. Als het er eenmaal staat, realiseert de gemeente zich langzaamaan dat ze een soort enorme inkjetprinter heeft gekocht: de aanschaf ging nog wel, maar die inktpatronen doen je de das om. Dat zou natuurlijk geen verrassing moeten zijn en voor een aantal betrokkenen is het dat ook niet. De kwestie is gewoon dat je met dat soort berichten de handen niet op elkaar krijgt voor de eerste investering om het theater te bouwen. Die investering kun je immers beter verkopen onder het mom dat een verbouwde of nieuwe schouwburg veel meer eigen inkomsten zal laten zien en – in jargon – de eigen broek kan ophouden. Een mooie gedachte, maar zelden de waarheid. Als je horizon (en die van je kiezers) niet veel verder reikt dan de volgende verkiezingen, dan geeft dat niet.

Commercieel succes

Er zijn trouwens ook theaters die best succesvol zijn als het gaat om het binnenhalen van commerciële evenementen, denk aan het Parktheater in Eindhoven, maar ook zij kunnen doorgaans niet zonder subsidie voor de programmering en groot onderhoud als nieuwe stoelen of een nieuwe hijsinstallatie. Daar wordt namelijk niet altijd voor gespaard. De ervaring leert dat lokale politici de neiging hebben om dergelijke potjes terug te laten storten in de gemeentekas. Wat in een normaal bedrijf een reservering heet voor groot onderhoud, noemt men in een theater dan te veel betaalde subsidie. Als je dat als theaterdirecteur een keer hebt meegemaakt, dan kijk je wel uit. Dan geef je het geld gewoon uit aan programmering. En als er iets kapot gaat, klop je bij de gemeente aan voor een eenmalige investering.

Dat klinkt ook weer vrij somber en dat is evenmin terecht. En dat heeft alles te maken met de bevlogenheid die kenmerkend is voor mensen die in het theater werken. Ook in een gebouw dat niet helemaal lekker werkt, zorgen zij dat het toch lukt; neem De Vooruit in Gent: lastige logistiek, maar een geweldig ploeg.

Door hun gastvrijheid en hun betrokkenheid, komen artiesten graag spelen en komt het publiek graag kijken. En gemeentes zijn doorgaans ook wel bereid om iedere keer opnieuw te betalen voor groot onderhoud. Niet altijd van harte en niet altijd in voldoende mate, maar toch.

Wel een toneel, geen bespeling

Toch is er reden voor enige somberheid. Want hoewel er nog steeds theaters worden gebouwd en gerenoveerd, blijft de financiering van de gezelschappen flink achter. Het lijkt wel alsof niemand zich realiseert dat je niet zo gek veel hebt aan een gebouw als er niemand is om erin te spelen. Fijn om als gemeente een theater te hebben, maar dat gebouw gaat pas leven door de voorstellingen die er gegeven worden. Als je nou ergens in zou moeten investeren, is het die inhoud en de bezuinigingen zijn weliswaar iets verzacht, maar nog lang niet teruggedraaid, laat staan omgebogen in verhoging van de subsidie. Verder lijkt het erop dat er wel erg veel gebouwd is de afgelopen jaren en vooral erg grote theaters. Willen die succesvol zijn, dan moet er ook veel publiek komen. In de grote steden lukt dat nog wel, maar als je kijkt naar bijvoorbeeld een provinciestad, dan is dat een stuk lastiger, zeker als in de nabije omgeving meer grote schouwburgen staan met een vergelijkbare programmering, zoals na de nieuwbouw van twee grote zalen in Drenthe.

Kleiner bouwen

Ja, er worden nog steeds theaters gebouwd. Het is nu iets rustiger dan een paar jaar geleden en dat is minder gek dan het lijkt. Toen de crisis begon, merkte je daar nog weinig van in het theater. Eenmaal goedgekeurde plannen werden gewoon uitgevoerd. Tijdens de crisis was het erg moeilijk om de gemeenteraad te porren voor een nieuw theater. Daardoor is het nu wat stiller. Nu het economisch een stuk beter gaat, begint de planvorming ongetwijfeld weer en de bouw en renovatie van theaters komt dan over een paar jaar weer volop op gang. Het zou zo aardig zijn als we dan niet alleen blind doorgaan met het bouwen van nog prestigieuzere en nog grotere theaters. Als er al een paar grote theaters in de regio staan, moet je misschien kiezen voor een kleiner theater en een busdienst naar de buurgemeentes. Je kunt ook regionaal afspraken maken over specialisatie. Dat vereist samenwerking tussen theaters, maar dat is in ieders belang. Als gemeentes door een verstandiger bouwbeleid wat minder uitgeven aan de gebouwen, dan kost het onderhoud ook evenredig minder en kan weer geïnvesteerd worden in de programmering. Daarmee zouden de gemeentes een deel van de bezuinigingen van de rijksoverheid kunnen opvangen. In sommige steden gebeurt dat al, maar het is nog geen landelijke trend. Minder bouwen en meer programmeren is misschien jammer voor mij en mijn collega’s, maar heel goed voor onze branche.