Het is waar, Sigrid Koetse was een grande dame, met haar wortels in een voorbije periode van het Nederlandse theater, een actrice met shawls, hoeden en handschoenen, grote gebaren en een stem die, ook als ze niet op het toneel stond, tot in de verste hoeken kon doordringen. Maar ze was ook een van de acteurs die schijnbaar zonder veel moeite de overstap maakte naar een nieuwer theater. Ze was een ‘trooper’, trouw aan het gezelschap waaraan ze was verbonden en royaal met haar talenten. En dat waren er veel. Vanaf het prille begin van haar carrière kreeg ze grote rollen. Ze was negentien toen ze van de toneelschool kwam in 1955 en recensenten schreven meteen lyrisch over haar, met adjectieven als: briljant, sprankelend, levendig, charmant, waardig, aandoenlijk, ontwapenend. Een lange carrière volgde, op toneel en televisie. Haar laatste rol speelde ze in 2014. Het spelen beviel nog altijd, maar het reizen vond ze niet meer te doen.
Sigrid kwam in mijn leven via de televisie, begin jaren zestig. Televisie was toen een culturele goudmijn met maar één zender, waarop elke donderdagavond een toneelstuk werd uitgezonden. Het was Toergenjevs Een Maand Op Het Land. Als kind werd ik vooral meegesleept door de gedoemde romantiek tussen haar, als oogverblindende getrouwde vrouw en een introverte student, het soort man dat erom schreeuwt gered te worden door een warme, empathische vrouw. Sigrid ontsteeg de emo-kitsch door juist niet toe te geven aan de wanhoop van haar situatie. De hand van de regisseur daarin zag ik als kind nog niet. Maar nuchterheid was zeker één van Sigrids kwaliteiten: hoog stijgen in de emotie en tegelijkertijd met beide benen op de grond blijven.
Later begreep ik dat dit één van de voorstellingen was waarin zij speelde onder regie van de door haar bewonderde Russische regisseur Peter Sjarov. Voor hem was de tekst van een stuk de bron om vanuit te denken en te maken. Hij prikkelde zijn acteurs om tegenkleuren op te zoeken in emoties, om specifiek te zijn in wat zij speelden. ‘Lacht, aber weint’, citeerden acteurs hem vaak. Hij wilde in het spel de consequenties van hun denken zien. Sigrid vertelde: ‘Irina in De drie zusters moet afscheid nemen van haar verloofde die een duel in gaat. En dan heeft zij een claus en bij mij werd dat heel moeilijk en droevig. Daarna werd het stil en iedereen stond erbij met iets van wat zal er nou komen? En dan kwam Sjarov: ‘Wass machen Sie da?’
‘Nou, het is toch heel erg wat hier…
‘Nein, nein! Sie sind FROH, Sie sind FROH!’.
Dat was dus het omgekeerde van wat ik daar zat te spelen. En op het moment dat ie dat zei dacht ik: goeie God, wat ben ik toch een klotebubbel. Hij heeft hartstikke gelijk! Natuurlijk is ze FROH! Dat duel neemt ze nauwelijks serieus! Ze gaat naar Moskou! Eindelijk!’
Ik leerde Sigrid zelf pas in 1986 kennen. Gerardjan Rijnders was gastregisseur van Hamlet bij Het Publiekstheater in Amsterdam – nu ITA -en ik was de dramaturg. Er hing nogal wat spanning om de productie heen, omdat Het Publiekstheater een jaar later op zou gaan in een nieuw gezelschap: Toneelgroep Amsterdam onder artistieke leiding van dezelfde Gerardjan Rijnders. Het establishment van het oude gezelschap hield de adem in, maar niet Sigrid Koetse; al in het begin van de repetitieperiode kwam zij kijken, mét hoed, shawls en handschoenen en ze bleef regelmatig terugkomen. Nieuwsgierig, gretig, kijken wat voor vlees ze in de kuip had. Dat was Sigrid ten voeten uit. Haar belangstelling bleek ook een uitkomst, want Petra Laseur die Hamlets moeder speelde, kreeg door de hellende toneelvloer een rugblessure, waardoor ze kort na de première niet meer kon spelen. Sigrid nam haar rol naadloos over. Veel later vroeg ik haar wat ze er eigenlijk van had gevonden toen ze bij de repetities kwam kijken en ze zei: ‘Ik vond dat jullie leuk kéken. Zó vaak zaten ze (artistieke staf bij andere voorstellingen, JB) achter die tafel maar een beetje te níksen en dan dacht ik: het interesséért ze helemaal geen lór wat ik hier sta te doen; maar jullie kéken echt, àltijd. Jà, dat vond ik leúk.’
En ze vond het inderdaad leuk daarna, bij Toneelgroep Amsterdam. Bij Het Publiekstheater zaten een paar grote actrices van ongeveer dezelfde leeftijd en Sigrid had het gevoel altijd de rollen te moeten opknappen waar die anderen geen zin in hadden. Bij het nieuwe gezelschap was de balans anders. Nieuwkomers als actrices Kitty Courbois, Ingeborg Elsevier en Ann Hasekamp brachten andere kleuren mee en de organisatie van het gezelschap was meer improviserend en met grote en kleine producties door elkaar. Het is niet overdreven om te zeggen dat Sigrid daar een ware Indian Summer van haar carrière heeft beleefd. Heel veel en heel uiteenlopende rollen heeft ze gespeeld. Van de eerste montagevoorstelling van Gerardjan Rijnders, Bakeliet, begreep ze in eerste instantie niets. Maar bij de allereerste try-out voelde ze meteen in het begin dat de voorstelling ‘werkte’, de zaal ‘ademde’. Voor die rol ontving zij de Theo d’Or. Tweemaal speelde zij Maria Callas, een kunstenaar die zij tot in haar vezels bewonderde en doorvoelde. In twee verschillende stukken: kleinschalig in 1992 in Callas, een gereconstrueerde monoloog van de Franse Jean-Yves Picq en vijf jaar later in een Amerikaanse bewerking van de masterclasses die Callas had gegeven toen zij niet meer zong. Dat was een grote zaalvoorstelling en een enorm succes.
Momenten schieten door mijn hoofd als ik aan haar voorstellingen denk: samen met Ann Hasekamp in Ballet van Gerardjan Rijnders, als dames op gympen in onnavolgbare crosstalks over knoflook, Franse kruispunten en psychiaters. Haar haat-uitbarsting in Richard III als afgezette koningin, een samengebalde engel der wrake. De om niets gierende oude vrouw met zere benen in Mooi Weer Vandaag, een voorstelling met haar oude vrienden Kitty Courbois, Joop Admiraal en Jacques Commandeur. Ze reisden het hele land rond, kregen niet genoeg van elkaar en de voorstelling en het publiek niet van hen. Maanlicht, met haar perfecte zeggingskracht in Pinters spaarzame zinnetjes. En het tegenovergestelde: de lange monoloog van Agnes waar Een Subtiel Evenwicht van Albee mee begint. Een vrouw die bewust, woord voor woord probeert het evenwicht te bewaren door zorgvuldig alles toe te dekken dat de status quo bedreigt en tegelijkertijd voelt dat alles haar ontglipt.
Sigrid heeft heel veel gespeeld en heel hard gewerkt in haar lange carrière. Het vroegere repertoiresysteem eiste van vaste acteurs om te ‘dubbelen’: de ene voorstelling overdag repeteren en de andere ’s avonds spelen in heel veel theaters in het land. Intussen kreeg zij samen met acteur-regisseur Jan Retel twee dochters. Retel overleed in 1984. Sigrid sprak over hem met grote warmte en liefde; na hem is zij nooit meer verliefd geworden. Het werk gaf haar veel: een enorm plezier met ontzettend veel lachen, contact met interessante en ongelofelijk leuke mensen. Ze vond het vreselijk toen ze op haar 65ste verplicht met pensioen moest. De Amsterdamse schouwburg was haar huis.
Ik was ontroerd door de film Tante Iki, die haar neef Wytse Koetse drie jaar geleden van haar maakte. Oud, eenzaam, geplaagd door stemmen, maar nog steeds met haar karakteristieke opvlammende temperament, bliksemende ogen, vlagen van optimisme tegen alles in en haar onvergetelijke schaterlach.
Sigrid Koetse overleed in het Rosa Spierhuis in Laren op
9 februari.
Foto Pief Weyman







