De samenwerking tussen regisseur Silke van Kamp en auteur Annet Bremen leverde in korte tijd twee bijzondere voorstellingen op: Het Sterrehuis en F*CK LOLITA. Hoe bouwen deze twee eigenzinnige kunstenaars samen aan de werelden die op het toneel tot leven komen?
Annet Bremen (1986) en Silke van Kamp (1991) ontmoetten elkaar gedurende het proces van Het Sterrehuis, de voorstelling die Bremen schreef over het gelijknamige kindertehuis in Heerlen. ‘Ik zocht een regisseur voor de tekst, en mijn dramaturg Ludo Costongs raadde me Silke aan. Bij mijn teksten heb je een regisseur nodig die het leuk vindt om diep in een tekst te graven, ik heb vaak te horen gekregen dat ze niet makkelijk zijn: er werd vaak gezegd dat ze te poëtisch en te hermetisch waren, en daarmee geen ‘echt theater’. Wat voor regisseur er bij mijn werk past is vanaf de schrijfopleiding (Writing For Performance aan de HKU) best een zoektocht geweest, omdat daar in die tijd geen samenwerkingen met regisseurs waren. Sindsdien heb ik ook wel prettige samenwerkingen met andere regisseurs gehad hoor! Maar Ludo zei op dat moment dat Silke wel een goede match zou zijn.
‘We hebben elkaar werk gestuurd. Ik zag de registratie van Chimo zei Lila, de voorstelling die Silke in 2018 als afstudeervoorstelling maakte, en ik was overtuigd. Als je een stuk met zo veel taal durft te maken hou je echt héél erg van taal (lacht). Het was zo secuur gedaan, met een scherp gevoel voor abstractie, terwijl de tekst wel levendig bleef.’
Van Kamp: ‘We ontmoetten elkaar in een periode toen ik net had besloten dat ik alleen nog maar projecten zou doen die me écht de moeite waard leken. De eerste twee jaar na mijn afstuderen heb ik aan één stuk door gewerkt, en toen merkte ik: dit ga ik niet tot mijn 67ste volhouden. Ik dacht eerst dat ik helemaal zou stoppen met theater, maar toen heb ik een jaar voor onderzoek genomen en zo hervond ik mijn liefde voor de kunst. En toen benaderde Annet me.
‘Ik heb toen haar teksten Flikflak en Wil je een snoepje? gelezen, en vond dat meteen te gek omdat het met heftige onderwerpen werkte en taboes daarbinnen niet schuwde. En ook haar taal, ook buiten de dialogen, dat in een regieaanwijzing een personage ‘schorpioenen overgeeft’ – ik vond het opwindend dat een schrijver al zo beeldend werkt. Misschien dat sommige regisseurs hier tegenaan lopen: hoe breng je dat in beeld? – maar ik las het eerder als een sfeerbeschrijving. Ik wil als maker altijd een wereld bouwen, en Annets teksten zíjn dat al.’
Hoe hebben jullie de samenwerking toen aangepakt?
Bremen: ‘Vanaf toen is Silke bij alle tekstversies betrokken geweest, en op basis van haar feedback – en die van Ludo en Inez (Derksen, artistiek leider van Het Laagland) – werkte ik dan verder. Ik herinner me nog de eerste versie van de tekst, waarin ik vooral had geprobeerd alle interviews die ik had afgenomen in de tekst te verwerken. Maar Silke had meteen een associatie met het werk van David Lynch, een soort droomachtige realiteit waarin flarden van herinneringen komen bovendrijven en weer verdwijnen. Dat hielp me heel erg om de structuur van de tekst te maken.’
Van Kamp: ‘Annet schrijft heel erg vanuit liefde voor de personages, die daardoor meteen op het papier tot leven komen. Dat viel me op, en daarom had ik ook die associatie met Lynch, dat je niet alles hoeft te snappen maar meer op een emotionele logica meedrijft. Ergens bij een van de laatste versies heb ik steeds meer voor abstractie gepleit.’
Bremen: ‘Ja, ik ben eigenlijk altijd op zoek naar een vorm waardoor het stuk de emotionele onderstroom communiceert in plaats van alleen de letterlijke woorden. Ik schrijf intuïtief, ik maak al schrijvend een wereld. Ik weet in iedere scène welk weer het daar is, welk geur er hangt, welke geluiden er te horen zijn. Het gaat om sferen, ik schrijf ook niet chronologisch, ik voel me er een weg doorheen – en vanuit al dat materiaal destilleert zich langzaam een vorm.’
Van Kamp: ‘Een eerste scriptversie van jou is alsof je een winkeltje hebt gemaakt, waarin je mag rondneuzen.’
Silke, denk je dat je anders naar tekst kijkt omdat je zelf ook toneelauteur bent
‘Oh ik zie mezelf niet zo denk ik?’
Je hebt net een hele theatertekst geschreven (A clever way into the heart).
‘Oh ja (lacht). Ik moet er denk ik nog aan wennen dat ik zelf schrijver ben. Ik denk dat ik op een bepaalde manier altijd wrik aan dingen die vastzitten, want als iets vastzit heb ik het gevoel dat er iets niet klopt. En dan probeer ik het eerst en vooral met taal te ontmantelen: ik denk dat ik vastzittende thema’s, die van anderen en van mezelf, probeer te deconstrueren en die probeer aan te vallen met taal om bij de emoties te kunnen komen die eronder zitten.
We gaan over het algemeen veel te eenzijdig met emoties om als we erover spreken. Je kan zeggen: ik haat dit, maar daar zit heel veel emotionele complexiteit onder.
‘Vanaf toen ik heel jong was waren schrijvers mijn beste vrienden, ik kon me zo begrepen voelen als ik verhalen las. Dat heb ik nog steeds: bij voorbeeld Een klein leven van Hanya Yanagihara, dat heeft me uit elkaar gehaald, gepoetst en weer in elkaar gezet. Als je heel veel voelt en registreert, heb je taal nodig om overeind te kunnen blijven, om de dingen te kunnen begrijpen.’
Bremen: ‘Ik herken hier heel veel van, ik denk dat ik deels ben gaan schrijven omdat ik zo veel aan boeken heb gehad, en dat wilde ik aan anderen teruggeven. Via schrijven kun je mensen een emotionele constructie bieden die ze nog niet kennen, ze erover laten nadenken en erover in gesprek laten gaan. En dat laatste gebeurt bij uitstek in het theater, omdat het publiek het samen beleeft. Dat vind ik zo mooi aan toneelschrijver zijn.’
In jullie werk ligt vaak een focus op mensen die niet gehoord of gezien worden, dat gold zowel voor de bewoners van het Sterrehuis als voor Dolores, het romanpersonage in Lolita dat alleen door een ander wordt beschreven en gadegeslagen.
Van Kamp: ‘Ja, daar voel ik een verantwoordelijkheid voor. Taal heeft heel veel macht, het bepaalt eigenlijk wie er de dienst uitmaakt, naar wie er wordt geluisterd. Dat kun je als schrijver sturen door specifieke personen of personages het woord te geven. Kiezen waar je taal aan geeft, omdat in deze wereld heel veel taal gaat naar het kwaad.’
Hoe is het om de teksten van Annet naar de vloer te vertalen?
Van Kamp: ‘Ik ben verslaafd aan het werken met de teksten van Annet omdat ze zo bodemloos zijn en je steeds nieuwe inzichten en associaties krijgt. Ik denk dat best veel schrijvers een verhaal van a tot z schrijven, terwijl Annet eerst heel goed over het universum dat ze schept nadenkt. Je kunt de tekst niet ‘uitspelen’; je kunt hem niet finaal doorgronden, er blijven altijd nieuwe associaties en betekenissen ontstaan.
‘Ik ben toen bij Het Sterrehuis begonnen met hele zorgvuldige casting. Het moesten eigenzinnige mensen zijn die associatief konden spelen, niet al te slicke acteurs. Toen zijn we begonnen met personage-onderzoek. We zijn bijvoorbeeld ook naar de dierentuin geweest om ons daar voor het fysieke spel te laten inspireren, zodat het niet te clichématig ‘kinderen spelen’ zou worden. Ik heb ze spreekbeurten laten geven over hoe ze zelf als kind waren. En ik heb met scenograaf Scott Robin Jun gezocht naar een zo tactiel mogelijk scènebeeld, van zand tijdens de locatievoorstelling en kranten tijdens de tour, omdat je kindertijd zo iets tastbaars heeft. Als kind verlangde ik altijd al naar de zandbak als ik zand tussen de tegels zag, het is een manier om het publiek zo snel mogelijk naar de leefwereld van de personages te krijgen.’
Annet, is het voor jou een moeilijk moment als je de laatste versie van de tekst overdraagt aan een regisseur?
Bremen: ‘Dat hangt heel erg af van met wie je werkt. Bij sommige processen kun je je als schrijver een ongenode gast voelen, bij Silke is dat eigenlijk nooit zo. Ze noemt me ook consequent de ‘mother’ van het stuk. Het is wel belangrijk dat je blijft communiceren, dat is voor mij wel nodig om naar de enscenering toe te kunnen groeien. Silke heeft heel erg oog voor het gezamenlijke proces, waarin iedereen die meedoet zich gezien voelt.
‘En wat ik zelf heel interessant vind in onze dynamiek, is dat ik tijdens een doorloop kan zeggen ‘volgens mij moet dit geschrapt worden’, en dat Silke iets juist wil behouden.
We werken vanuit vertrouwen en respect voor elkaars gebied en expertise. Omdat ze zo uit vertrouwen werkt, ben ik altijd benieuwd naar doorlopen, heb ik er zin in om verrast te worden. Ik heb er zin in om te zien hoe het stuk dan weer meer tot leven is gekomen.’
Van Kamp: ‘Annet zei eens dat je als je het schrijft niet weet hoe het eruit moet zien, maar wel hoe het moet klinken. Daar is ze tijdens repetities of doorlopen dan ook heel erg scherp op.’
Hoe zijn jullie aan F*ck Lolita begonnen?
Van Kamp: ‘In tegenstelling tot Het Sterrehuis was dat een initiatief van mij. Aan het begin van de COVID-crisis had ik niets te doen, en toen dacht ik: ik kan wel wat klassiekers gaan lezen. Ik begon aan Lolita met het idee dat ik een spannende rode-oortjesroman zou gaan lezen maar toen bleek het gewoon over pedofilie en verkrachting te gaan. Toen ik het daarover had met twee mannen die ook in het theater werken, zeiden die: ‘Ja, maar ze vraagt er ook wel een beetje om toch?’.
‘Dat is echt een tijd blijven hangen, en als iets meer dan een jaar blijft hangen weet ik dat ik er iets mee moet. Ik wilde een tegenversie van het boek schrijven die Dolores (Lolita) aan het woord zou laten, en Annet leek me de juiste kandidaat voor die job. Meteen in het eerste gesprek kwam zij met het idee dat Dolores als personage zou spreken en ook de hele receptiegeschiedenis van de roman zou kunnen navertellen, omdat ze het zelf heeft meegemaakt.’
Precies zoals in de Crashtest Ibsen-serie van Sarah Moeremans, de artistiek directeur van HZT, waar jullie het stuk hebben gemaakt. Was dat een belangrijke inspiratiebron?
Bremen: ‘Daar hebben we grappig genoeg tijdens het maken geen moment aan gedacht! Ik ben eerst het boek gaan lezen, en waar ik op aanging is hoe verkeerd de roman begrepen is, en hoe de popcultuur ermee aan de haal is gegaan. Daarvan kreeg ik zin om uit te zoeken hoe dat zo is gekomen.’
Van Kamp: ‘Annet is echt een researchkanon, ze slaat alles op als een spons. Overigens over je vraag: ik heb natuurlijk wel gesprekken met Sarah gevoerd tijdens het proces, waarin ze heel belangrijke dingen zei over wat het betekent dat het een ‘fictief personage’ is, dus iemand die uit de fictie komt en daarop reflecteert. Vanwege Crashtest Ibsen en alles wat ze daarna heeft gemaakt heeft ze natuurlijk een schat aan informatie op dat vlak.’
De rol van Humbert Humbert in jullie stuk is ook interessant: hij is wel continu aanwezig, maar moet zwijgen.
Bremen: ‘Ja dat bedachten we al helemaal in het begin – het moest immers een complete omkering zijn. We zijn hem pas heel laat tekst gaan geven, en zijn er altijd op blijven letten dat Dolores steeds het voortouw heeft.’
Het voelt alsof hij de manifestatie van het trauma is dat zij nog altijd met zich meedraagt.
Van Kamp: ‘Dat klopt precies. Hij is haar herinnering, de voorstelling is een zoektocht naar hoe ze met die herinnering om kan gaan. Weer gaat het om de complexiteit van emoties, ook die emoties die taboe zijn: het feit dat ze óók naar hem terugverlangt, het feit dat ze zich óók bij hem thuisvoelde, of opgewonden van hem raakte – ze mag dat allemaal voelen, de verantwoordelijkheid voor wat er is gebeurd ligt niet bij haar, want zij was een kind.’
Bremen: ‘Een van de inspiratiebronnen was het Pélicot-proces, dat zij zei dat haar echtgenoot geen monster was maar een hele gewone man. Dat het gevaar van verkrachting en misbruik dus verborgen gaat onder een hele normale, of zelfs charmante buitenkant, zo hebben we Humbert Humbert vormgegeven. Een ander belangrijk referentiepunt was de film Poor things, dat we Dolores echt eigenaarschap over haar eigen seksualiteit wilden geven, en die ook buiten Humbert Humbert om wilden laten ontdekken.’
Het stuk vraagt veel van de acteurs.
Van Kamp: ‘Ik begin altijd aan tafel – maar in dit proces was dat van korte duur, want ik zat met twee racepaarden aan tafel die niet konden wachten om te gaan galopperen. Dus hebben we meteen een doorloop gedaan, en heb ik als een gek meegeschreven om alle ingangen en vondsten op te schrijven.
‘Met Joep [van der Geest] was het een gigantische zoektocht om Humbert Humbert precies goed te krijgen. Je wilt dat mensen in de zaal die zelf misbruik hebben meegemaakt willen blijven, en dus niet met hertraumatiserende beelden worden geconfronteerd. Maar dat gaf Joep een moeilijke opdracht want je moet hem eng vinden, maar ook lief, en hij mag nooit het initiatief nemen…’
Bremen: ‘En je wilt hem ook nog laten spelen!’
Van Kamp: ‘Ja dus het is ongelofelijk hoe goed hij daar in is geslaagd, in die balans treffen.’
Keja Klaasje Kwestro speelt ook de rol van haar leven. Hoe was het om met haar te werken?
Van Kamp: ‘Ik denk dat Keja en ik elkaar vrij snel in het proces hebben gevonden, daarna was het zo’n explosie van zoeken en gaan en vinden, dat ik ons als een soort ninja’s zag die in een wilde actiechoreografie zaten, waarbij op het eind alle vijanden dood op de vloer lagen, maar je nauwelijks door hebt wat er is gebeurd. We hadden echt een intuïtieve understanding, ze pikte alles meteen op en zette het naar haar hand. Ik daagde haar dan weer uit om meer eenzaamheid in haar spel te leggen, en niet steeds connectie met het publiek te zoeken, en zij pushte mij in snel meters maken. In de eerste week dat we begonnen kon ik meteen alles weggooien wat ik had voorbereid omdat ze zo veel aanbood. Buckle up, Silke!’
Hoe ziet de toekomst van jullie samenwerking eruit?
Bremen: ‘In december van volgend jaar maken we samen in Sittard een kerstvoorstelling bij Het Laagland – Stargate, naar het boek van Ingvild H. Rishøi. Dat concept is weer een initiatief van mij, zo wisselen we elkaar mooi af (lacht).’
Foto Joost Milde
Stargate gaat rond Kerst 2026 spelen in de theaters.







