Bij het huidige debat over opkomend fascisme en repercussies voor de kunsten, wordt in Nederland nog steeds de Tweede Wereldoorlog aangehaald als ijkpunt. Maar wat betekenden artistieke vrijheid en ethische keuzes toen? Aan de hand van dit tijdschrift, dat toen De Tooneelspiegel heette, kijken we hoe de sector in het algemeen, en mensen die voor het vakblad verslag deden in het bijzonder, zich daartoe verhielden.
De opkomst van extreemrechts – in Nederland, Europa en de Verenigde Staten – heeft steeds vaker voelbaar effect op de kunsten. Ten oosten en ten westen van Nederland worden werken uit musea verwijderd, worden leiders van kunstinstellingen vervangen en wordt er vanuit ideologische gronden bezuinigd. Ook hier zien we ouders druk uitoefenen aangaande bepaalde thema’s in het jeugdtheater; politici die ageren tegen uitingen van kunstenaars; acties tegen programmering van bepaalde bands, en intimidatie van schrijvers. Tegelijk wordt steeds meer kunstenaars gevraagd zich moreel uit te spreken, met name rond de oproep tot een culturele boycot van Israël. Makers voelen zich minder veilig, worden voorzichtiger in hun uitingen. De Raad voor Cultuur stelde een commissie in om zich te buigen over artistieke vrijheid en zelfcensuur, en
Kunsten ’92 wil de cultuursector ‘weerbaarder maken in tijden van polarisatie’ en gaat praktische tips en richtlijnen geven om met maatschappelijke spanningen om te gaan.
Bij deze gesprekken en debatten over opkomend fascisme en artistieke vrijheid worden regelmatig – bewust of onbewust – de spoken van het nazisme en de Tweede Wereldoorlog opgeroepen. Die oorlog blijft onverminderd het morele ijkpunt van Nederland – althans voor het progressieve deel der natie. Maar nu de herinnering aan die periode vervaagt – of erger: tot clichés verhardt – is het nuttig om in de archieven te zoeken naar wat artistieke vrijheid en morele keuzes toen betekenden. Ik doe dat aan de hand van dit tijdschrift, dat toen De Tooneelspiegel heette. Hoe verhielden de mensen die voor het blad verslag deden van het theater zich tot het fascistische regime, en hoe werd er na de bezetting over hun keuzes geoordeeld? Niet alleen strafrechtelijk, maar ook door een zuiveringsapparaat van vakgenoten die eind jaren veertig goed en fout wogen? Welke vormen van verzet en collaboratie werden toen herkend en hoe werden die gewaardeerd door het theaterveld zelf?

Totus mundus agit histrionem
De Toneelspiegel (volledige titel: De Toneelspiegel – Het Tooneel) verschijnt tijdens de oorlogjaren maandelijks, tot de laatste editie van maart 1942. Daarna wordt de pers gelijkgeschakeld en worden vrijwel alle tijdschriften verboden. In totaal zijn er tijdens de oorlog 17 nummers verschenen, met gemiddeld zo’n twintig pagina’s inclusief advententies, te koop voor een gulden per los nummer.
In de jaren dertig is het Duitse theater van grote artistieke invloed op Nederland en worden de Duitse stadtheaters nauw gevolgd door de redactie; net als trouwens de repertoire ontwikkelingen bij de boulevardtheaters in Parijs en schouwburgen in London.
De maatregelen van de nazi’s duiken regelmatig op in de rubriek Van alles wat; korte berichten melden dat theatermakers worden ontslagen, hun staatsburgerschap verliezen of dat schrijvers worden verboden. De nationaalsocialistische inmenging doet de theaterzaak geen goed, laten de schrijvers duidelijk merken. In uitgebreidere beschouwingen over de staat van het Duitse theater wordt op ironische toon de smakeloosheid van ‘nieuwe’ cultuur beschreven, de exodus van talent en het hoogst bedenkelijke niveau van de kunsten in wat vroeger het voorland was.
En dan, in de maanden voor de inval, als de geopolitieke ontwikkelingen elkaar snel opvolgen, schrijft uitgever en hoofdredacteur A.J.G. Strengholt:
Wij zouden U op het hart willen drukken: de mensch zal van brood en oorlogsnieuws alléén niet leven. Laat ons dus de kunst blijven beschouwen als een van de waarden, die het leven inhoud geven, en ernaar handelen! Kunst is nu, meer dan ooit, noodig. (1939, okt)
De vergelijking met de Eerste Wereldoorlog wordt gemaakt. Nederland bleef destijds neutraal en het was volgens de redactie voor het theaterleven een niet per se ongunstige periode: de behoefte aan theater was groot en dat was goed voor de kassa. Daarnaast was er behoefte aan artistieke verdieping, er werd veel Shakespeare gespeeld en de tragikomedie was van hoog niveau:
De directies, die het best aan deze eisch voldeden (zoowel in repertoirekeuze als in de uitbeelding) stegen plotseling boven allen uit en werden toonaangevend. Het is mijn overtuiging, dat het bij deze mobilisatie precies zoo zal gaan. Over eenige maanden zal het publiek zich tot het tooneel wenden en geboeid willen worden door persoonlijkheden, die wat te zeggen hebben. Auteurs, regisseur èn spelers. Tendentieuze stukken, die, in welke richting ook partij kiezen of propaganda inhouden, zal het publiek vermijden. (1940-mrt)
Maar Nederland blijft niet neutraal. Al vanaf het eerste nummer na de Duitse inval wordt op normalisatie gestuurd. De redactie opent het nummer:
Tusschen het verschijnen van ons voorlaatste en dit nummer is héél veel geschied en velen onzer heeft de bliksemsnelle loop der gebeurtenissen verbijsterd. Maar toch niet langer dan een oogenblik. De Nederlander is er nu eenmaal de man niet naar om zich spoedig uit het evenwicht te laten slaan. In weinige dagen tijds is veel vernietigd, maar wij staan, waar wij ook geplaatst zijn, gereed om de handen uit de mouwen te steken
en weder op te bouwen wat in puin stortte. Ook de Nederlandsche tooneelspelers hebben blijk gegeven onder zeer moeilijke, bijna bovenmenschelijke, omstandigheden van aanpakken te weten. Zooals men elders in dit blad kan lezen hebben de acteurs en actrices der voornaamste gezelschappen een solidariteit en een opofferingszin getoond, die eerbied afdwingen. Al spoedig werd het parool: „Dóórwerken en niet in de eerste plaats vragen of er iets mee te verdienen valt!” (1940-mei)
Na het vernietigende bombardement op Rotterdam volgt verslag van een informele bijeenkomst van theatermakers in een café met verduisteringspapieren tegen de ramen:
Zoo doolde de zanger door Rotterdam tusschen de artisten en de uitgaanders van alle standen en klassen en de eind-indruk was: „Binnen luttele weken bloeit de Kunst met een groote K en die met een kleine, weer als van-ouds in de Maasstad.” Alleen… heeft een frisch windje wellicht eenige duffe, oude ideeën op de vlucht gejaagd….(1940, mei)
In de komende jaren blijft het gaan over de plicht om te blijven draaien, en over hoe echte kunstenaars kansen zien om uit de puinhopen een nieuw, beter veld te creëren. Met bewondering wordt geschreven over de bomvolle premières bij de Comédie-Française waar het Parijse publiek zich met gasmaskers door een doolhof van zandzakken moet waden.
Verschillende malen komt terug hoe de avondklok, de verduisteringen en geschrapte tramdiensten van invloed zijn op aanvangstijden en de toeloop van publiek. Reisproblemen geven dat de provincie niet meer kan worden bespeeld, maar er kan daarom groter gemonteerd worden! Het behouden van die continuïteit wordt alleen als een economisch of praktisch probleem beschreven, nooit als een moreel dilemma.
Men ziet kansen voor betere arbeidsomstandigheden, een betere relatie met Vlaanderen, voor nieuwe trots, voor een nieuw bewustzijn, voor een nieuw bestel en tussendoor: kansen voor meer boekverkoop door de uitgeverij. Verschillende toneeldirecties worden uitgenodigd om hun visie te delen; Carel Briels over Het Toneellyceum; de buitenlandse bespeling van Carré door Alex Mullens; het nieuwe seizoen door Cor van der Lugt Meltsert. Ook gaat de redactie graag op de thee bij toneelspeelsters, zoals bij Mien Duymaer van Twist die in haar ruime flatwoning kansen ziet voor een renaissance uit de puinhopen; met Vera Bondam die in een eenvoudige kamer droomt van meer klassiekers; en met Myra Ward, die we snel alleen laten met haar dierbare liefhebberij, koken.
Actuele voorstellingen worden steeds minder aangekondigd of besproken, ten gunste van historische onderwerpen en jubilea: Paul Huf 50 jaar, Maurits Uyldert 60 jaar, Mari van Warmelo 75 jaar, Shakespeares auteurskwestie 100 jaar. Cor Dommelshuizen start eind november 1940 de rubriek Totus mundus agit histrionem, naar het motto van Shakespeares Globe. Het is een oeverloos lexicon, wat opent met het lemma AABEL (Hauk Erlendsøn, een Noorse toneelspeler en filmacteur). In de volgende nummers verschijnen pagina’s lemma’s, om na ABBEESSE GROSSE (veertiende-eeuwsch Fransch mirakelspel) – nog niet eens aan het eind van de letter A te zijn aanbeland.
Obscure Duitse auteurs worden uitgebreid geïntroduceerd. Een vrijwel integraal uit de Deutsche Presse overgenomen In Memoriam van Paul Joseph Cremers – een door de nazi’s geliefde schrijver – en een beschouwing van het werk van de achttiende-eeuwse Johann Engel beslaan meer dan de helft van de pagina’s van het eerste nummer van seizoen ‘41-‘42.
In het tijdschrift is veel ruimte voor ideeën voor cultuurbeleid: voorstellen voor een nieuw bestel; de noodzaak van de nieuwe kunstenaarsverenigingen; de introductie van de Kultuurkamer, argumenten tegen de vermakelijkheidsbelasting.Het eerste nummer van 1942 opent met het artikel van de auteur Frans Primo, hoofd van de afdeling Theater en Dans van het Departement van Volksvoorlichting. Het is een doorplaatsing van een stuk in De Schouw, dat omdat het zo belangwekkend is, in zijn geheel is overgenomen. De Schouw was een nationaalsocialistisch cultureel tijdschrift, uitgegeven door de Kultuurkamer. Primo was een overtuigd nationaalsocialist die zich als ambtenaar, auteur en gezelschapsleider op veel plekken inspande voor theater van de nieuwe orde. Het is een lang artikel over de toekomst, de mythe en het belang van het Volksch Tooneel.
Herontwaken van het nationalistisch bewustzijn zal dit volk geleidelijk tot het eigen tooneel terugvoeren, in verbondenheid met en gebondenheid aan eigen geweten, eigen zeden en aard, eigen wil en eigen oordeel, eigen historie en traditie, eigen toekomst. Dat bewustzijn zal ons tooneel, ook naar opzet en vorm, bevrijden van het oneigene, dat er als smet aan kleeft, en het diepste wezen doen aansluiten aan die perioden in onze nationale cultuurhistorie, die zuiverste expressie gaven aan ons zuiverste volkswezen. En het zal daarbij dan ook blijken dat deze kunst eenvoudig zal zijn, helder en klaar, evenwichtig en geordend, weerspiegeling van een gezond en evenwichtig, geordend volksleven. (1942, jan)
Steeds vaker zijn advertenties aankondigingen van lectuur van de eigen uitgeverij; fotoportretten van Ank van der Moer, Mary Dresselhuijs, Willem Royaards zijn veel voorkomende ‘stoppers’.
In maart ’42 verschijnt het laatste nummer De Toneelspiegel met daarin de vaste column van ‘Lunus van Straal het mannetje op de maan.’ Waarschijnlijk is hoofdredacteur Van den Aardweg zelf de columnist Lunus Straal, hij schrijft ook aan een serie kinderboeken over ‘het maanmannetje’. Uit niets blijkt dat de redactie de lezer wil voorbereiden op het niet meer verschijnen van het blad.
Daar ik inmiddels van den aard weg een telefoontje krijg, van Redacteur van den Aardweg, met de mededeeling, dat men in Amsterdam dringend verlegen zit om de kopij van mijn tooneelbrief en daar ik mij juist had voorgenomen over Molières „Burger Edelman” een zeer gedetailleerde beschouwing te leveren, ben ik tot het besluit gekomen, U in deze brief slechts enkele algemeene indrukken te geven en vervolgens in mijn Aprilbrief nader over deze buitengewone voorstelling uit te wijden. (1942, mrt)
Schuilnamen
De uitgeverij van De Toneelspiegel, gevestigd aan de Leidsegracht 11 in Amsterdam, heeft een zeer diverse portefeuille tijdschriften van ongeveer 18 titels, van Sport in Beeld, De Hondenwereld tot Het Liberale Weekblad, en geeft boeken uit. A. J. G. Strengholts uitgeversmaatschappij is oorspronkelijk een onderneming van H. Ch. Gomperts en A.J.G. Strengholt, maar de joodse Gomperts vlucht in mei 1940 naar Amerika.
Voor al die verschillende activiteiten worden veel verschillende schrijvers aangetrokken, die met elkaar gemeen hebben dat ze snel kunnen schrijven en vertalen. Het hele kantoor wordt aangemeld bij het door de Duitsers gesanctioneerde Nederlandse Verbond van Journalisten, aanvankelijk vooral een koepel die zich bezighoudt met arbeidsvoorwaarden. Sommige redacteuren zitten in het verzet, sommigen geven in het geheim een illegale krant uit, anderen zijn NSB’er en verklikker. De joodse secretaresse wordt ontslagen, maar collega’s helpen haar onder te duiken. Schrijver Frederik Koning is NSB’er en heeft ook zakelijke functies binnen de uitgeverij en is van af begin 1941 onderdeel van de directie. Dat deze Duitsgezinde zaakwaarnemer op kantoor rondloopt, heeft voordelen, zoals bij het krijgen van papier en toestemmingen, maar hij zal ook meerdere contacten van de uitgeverij verraden of afpersen.
Voor wat betreft De Tooneelspiegel is aanvankelijk A.J.G. Strengholt de hoofdredacteur en Hans P. van den Aardweg de redactie-secretaris. Vanaf augustus 1941 verandert die taakverdeling: Van den Aardweg is de hoofdredacteur en Strengholt de uitgever. Van den Aardweg schrijft ook voor andere tijdschriften, én boeken bij de uitgeverij. Veel redacteuren publiceren onder schuilnamen en sommige boeken, columns of vertalingen worden zo tussen verschillende auteurs overgedragen. Als het joodse auteurs wordt verboden te publiceren, kan hun werk verschijnen onder de naam van iemand die wel aangemeld is bij de Kultuurkamer. De uitgeverij beheert tijdens de oorlog een onnavolgbare wirwar aan doorgeschoven werk en vertalingen, waarbij niet zelden de verkeerde de eer en de inkomsten kon opstrijken – of na de oorlog werd berispt.
Tijdens de bezetting komt de geschreven pers onder steeds strikter toezicht en uiteindelijk is de gelijkschakeling in de loop van 1942 voltooid. De Tooneelspiegel is vanaf dan verboden.

De Club der Zuiveren
Nog voor de bevrijding werken de Nederlandse regering in ballingschap en verschillende ondergrondse kunstenaarsgroepen aan plannen voor wederopbouw. Naast over ideeën voor een nieuw bestel met nieuwe gezelschappen en nieuw repertoire, denken zij na over het zuiveren van het werkveld. Net als in de medische wereld en de advocatuur worden er voor de kunsten en de journalistiek zogenaamde ‘ereraden’ opgericht.
Deze ereraden buigen zich over vakspecifieke zaken die buiten het strafrecht vallen. Over verraad of afpersing oordeelt de rechter, maar in het moreel grijze gebied van nalatigheid en hulp aan de vijand door schrijvers en kunstenaars wordt een oordeel gewenst gevonden. Wie had bijvoorbeeld gepubliceerd in de nationaalsocialistische geest? Wie had opgetreden voor de Frontzorg of een prijs in ontvangst genomen? En hoe laakbaar was dat? Er komen voor de verschillende disciplines verschillende ereraden met daarin beroepsgenoten van onbesproken gedrag – de zuiveren – die direct na de bevrijding met hun taak starten. Ze werken improviserend, vaak in informele collegiale sfeer, zoekend naar termen en rechtvaardigheid. Zij spreken sancties uit zoals uitsluiting van de beroepsvereniging, een publicatie- of andersoortig beroepsverbod, wat dan geldt voor een bepaalde duur – of levenslang.
De ereraad voor de pers kan bestaande ondergrondse organisaties zoals Het Paroolen Trouw bovengronds maken. De ereraden voor schrijvers en uitgevers komen overeen dat de ondergedoken en ‘goede’ schrijvers in geval van papierschaarste voorrang krijgen op de ‘foute’ Kultuurkamer-leden.
In de podiumkunsten gaat het anders. Er is een groot tekort aan artiesten; het land wil de vrijheid vieren. Een tijdelijk beroepsverbod voor hen die lid waren van de Kultuurkamer zou de hele entertainmentwereld plat leggen. De Ereraad Toneel besluit om uitvoerende kunstenaars hun lidmaatschap van de Kultuurkamer niet zeer zwaar aan te rekenen; het wordt ‘een afkeurenswaardige daad’ en reden voor berisping, maar geen reden voor uitsluiting. Voor de letterkundigen geldt het lidmaatschap zwaarder, want schrijvers konden, ook als ze geen lid werden van de Kultuurkamer in principe doorwerken, terwijl toneelspelers dat niet konden en wel in hun onderhoud moesten voorzien.
Zo wordt er wel vaker onderscheid gemaakt tussen scheppende en uitvoerende kunstenaars. De Ereraad Toneel hanteert het principe van levenslange uitsluiting, zoals voor het zwaar collaborerende amusementsechtpaar Rienks. Maar de Ereraad Letterkunde doet dat juist niet. Daar is het beschermen van het vrije woord absoluut en het ‘uitsluiten van toneelisten maakt geen inbreuk op en verarmt de cultuur niet’, terwijl het uitsluiten van schrijvers dat wel doet.
De opdracht van zuivering staat regelmatig haaks op het voornemen om het culturele leven zo snel mogelijk weer op gang te brengen. Zo is het in de oorlog, in nauwe samenwerking met de bezetter, eindelijk gelukt in Amsterdam een operagezelschap te vormen; bij uitstek een collaborerend gezelschap.
Daarna wordt het gesprek over de opera gevoerd bij de ereraden voor dans, de muziek en toneel, die verschillende dossiers bespreken en verschillend oordelen. De Ereraad voor Muziek besluit dan eind augustus 1945 dat de afdeling Opera van het Gemeentelijk Theaterbedrijf duidelijk fout is geweest, maar wel weer aan het werk kan. Het ballet van datzelfde bedrijf is daarentegen kort tevoren door de Ereraad voor Toneel en Dans voor een jaar uitgesloten. Verschillende overheden zitten er maar mee in de maag en de Opera plant een optreden op 18 december 1945.
Deze ‘vrijspraak’ roept heel veel weerstand op bij kunstenaars en publiek. Op het programma staat een uitvoering van de opera Tosca, tijdens de oorlog ook gespeeld voor Frontzorg. De voorstelling wordt verstoord: publiek onderbreekt de voorstelling, er breken vechtpartijen uit in de zaal en de politie moet de sabel trekken. Ook buiten de schouwburg zijn protesten, de politie voert charges uit op het Leidseplein en de gemeente gelast verdere voorstellingen af. Minister Van der Leeuw doet onder druk van de protesten de toezegging dat een speciale ereraad de zaak opnieuw zal onderzoeken. Uiteindelijk kan de opera zonder onderbrekingen het seizoen afmaken. De nieuwe ereraad veroordeelt de solisten, maar legt geen sancties op.
Omdat de uitspraken van de ereraden geen gerechtelijke basis hebben en de opgelegde sancties niet kunnen worden gehandhaafd, hebben de uitspraken beperkt effect. Lang niet alle mensen zijn op de hoogte dat ze überhaupt besproken zijn door de raad, en niet iedereen krijgt de kans om zich te verweren. Kunstenaars organiseren zich om zich te verzetten tegen onrechtvaardige vonnissen. Uitgesloten kunstenaars wijken uit naar het buitenland. De willekeur en ongelijkheid wordt steeds luider bekritiseerd. Eind jaren veertig zijn de meeste sancties alweer opgeheven, vergeten of geseponeerd.
De Strengholt-kliek
Het handelen van Hans P. van den Aardweg wordt zowel door de raad voor de pers als door de raad voor letterkundigen gewogen, met verschillende uitkomsten. Zijn werkzaamheden voor De Tooneelspiegel worden in de marges van zijn zaak besproken en zijn onderdeel van zijn dossiers.
Na De Tooneelspiegel was hij als hoofdredacteur verantwoordelijk voor het gelijkgeschakelde Dagblad voor Noord-Holland. Zijn aanvraag voor een perskaart bij het Verbond van Nederlandse Journalisten uit oktober 1942 is zeker problematisch:
Ik ben gedurende zes jaren redacteur geweest van het vakorgaan “De Tooneelspiegel”, waarin ik steeds de eischen van den nieuwen tijd heb verdedigd. Het hoofd van de afd. Theater en Dans van het Departement van Volksvoorlichting, de heer F.Primo, zal hieromtrent gaarne inlichtingen verstrekken. Voorts ben ik regelmatig medewerker geweest aan “De Gulden Winckel” en “De Nieuwe Gids”. Literaire kritieken, gebaseerd op de opvattingen van deze nieuwe tijd werden door mij regelmatig in verschillende bladen en periodieken geleverd. (Niod, 104)
Maar tijdens de oorlog, in 1944 is hij juist door de bezetter voor de journalistieke tuchtraad geroepen, omdat hem verweten werd voor die krant te werken met schrijvers die geen lid zijn van de Kultuurkamer en omdat hij omgang had met redactieleden van het ondergrondse blad De Vrije Kunstenaar. In heb bijzonder wordt hem omgang met de ondergedoken Han G. Hoekstra ten laste gelegd. Ook dan wordt er een groot dossier tegen hem aangelegd. Hans Klomp, bestuurder van de letterenafdeling van de Kultuurkamer, verklaart dan:
“De Heer Van den Aardweg schreef wat onbeduidende boeken en een verzamelwerk. Ik weet dat hij een “anti-man” is. Hij zit met Hoekstra in de z.g. Strengholt-kliek. Ik kan hem niet betrouwbaar vinden.” (Niod, 104)
De dossiers van de ereraden zitten volgens Van den Aardweg vol met fouten en onzorgvuldigheden: hij komt in verweer. Hij beweert juist door het verzet geplant te zijn bij de krant ‘om het streven van de bezetter te remmen’. Collega’s Strengholt en Dommelshuizen bevestigen zijn verklaringen, de vertrouwenspost bij de krant was een ondergrondse actie. Als letterkundige wordt Van den Aardweg vrijgesproken, als journalist niet, de artikelen die onder zijn leiding in het Dagblad zijn verschenen, hemelen de bezetter te zeer op. Hij wordt door de Ereraad van de dagbladjournalistiek voor vier jaar uitgesloten van journalistieke of leidinggevende niet-journalistieke werkzaamheden.
Alhoewel ik, gelijk in reeds opmerkte, geen dagbladfunctie meer ambieer, zou een gedwongen uitschakeling uit mijn journalistieken arbeid voor mij tevens beteekenen, dat ik ook niet meer de redactie zou kunnen aanvaarden van mijn tijdschriften “De Tooneelspiegel” en “Amsterdam, Heden en Toekomst”, welke – en ik legde U hiervan het bewijsstuk over – in de eerste maanden van 1942 door den bezetter verboden werden, omdat ik ze niet in nationaal-socialistischen geest redigeerde. De hoofdredactie van deze bladen, die ik vele jaren geleid heb en voor welker herverschijning onmiddellijk weer toestemming gegeven zal kunnen worden, kan ik voor mijn bestaansmogelijkheid niet missen. (Niod, 104)
Later gaat Van den Aardweg weer aan de slag bij de uitgeverij Strengholt, onder andere als vertaler en schrijver en als redacteur van Ons Tooneel, blad voor het beroeps- en amateurtoneel. Decennia later zegt hij in een interview tegen de duizend boeken te hebben geschreven, waarvan vele onder pseudoniem – hij is mogelijk de meest productieve schrijver van Nederland. In 1966 schrijft hij de roman Zojuist verschenen over een uitgeverij met dichters en schrijvers. Hij sterft in 1971.
Van lang niet alle schrijvers van De Tooneelspiegel heb ik kunnen achterhalen hoe het ze vergaan is. Zo komt de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone in de latere oorlogsjaren als adviseur in dienst van de uitgeverij, blijft hij vertalen en publiceren en wordt daarvoor veroordeeld door de ereraad. Cornelis Hendrik Dommelshuizen jr., perschef van Alex Mullens en Carré, werd in de oorlog gevangen genomen, kwam in een concentratiekamp, en gaat zich na de oorlog inzetten voor oud verzetstrijders. H. D. van Dellen is in de oorlog directeur van het Gemeentelijk Theaterbedrijf Amsterdam. De ereraad vonnist levenslange uitsluiting maar daar wordt niets mee gedaan. Jaap van der Poll werkt daar ook, en heeft na de bevrijding een enorme hit met het blijspel De Mof. Han G. Hoekstra meldt zich niet voor de Kultuurkamer, gaat in het verzet en houdt clandestiene literaire avonden en schrijft later voor Het Parool. Secretaresse Marianne van Raamsdonk weigerde ook te tekenen, ging in het verzet, werd gearresteerd en gedeporteerd. Ze overleefde de kampen en ging schilderen. Het echtpaar Koning krijgt niet alleen een beroepsverbod opgelegd door de ereraden, maar wordt ook veroordeeld door het Bijzondere Gerechtshof tot vele jaren gevangenisstraf voor onder andere oplichting en chantage.
Strengholt wordt aanvankelijk een paar maanden geschorst op grond van ‘onwaardig gedrag’, maar later worden er geen een maatregelen opgelegd. De gevluchte compagnon Gomperts keert terug in de directie. De uitgeverij wordt onregelmatig ‘fout’ genoemd, vooral vanwege het nog steeds uitgeven van boeken waar het echtpaar Koning bij betrokken was. Het tijdschriftenfonds gaat op de schop en De Tooneelspiegel krijgt geen nieuwe jaargangen. In de jaren zestig groeit de uitgeverij uit tot een multimediaconcern, dat speciaal actief wordt op het gebied van muziekrechten en platenlabels. In 1970 krijgt Strengholt voor dat werk een Gouden Harp. Hij sterft in 1973.

Handelen en nalaten
De in de jaren zeventig ontwikkelde mediatheorieën over agenda-setting, primingen framing leggen goed bloot waar De Toneelspiegel tijdens de oorlog moreel tekort is geschoten. Al vanaf het eerste oorlogsnummer wordt erop gehamerd dat het belangrijk is om door te blijven werken en het normale leven weer op te pakken. Daarbinnen krijgen strategieën om het publiek weer naar de zalen te krijgen veel aandacht. Dat was zeker niet omdat het publiek het massaal liet afweten. Cijfers van onder andere de vermakelijkheidsbelasting laten zien dat publieksaantallen voor theater tussen 1940 en 1942 praktisch verdubbelen. De kassa kan onmogelijk de grootste zorg voor de beroepsgroep geweest zijn. De Tooneelspiegel staat met deze agenda ook lijnrecht tegenover verzetskranten als de Vrije Kunstenaar en Het Parool die het publiek juist aansporen om níet naar het theater te gaan en zo te protesteren tegen het beroepsverbod voor joodse artiesten.
Het nieuwe bestaan onder de bezetter wordt vooral gepresenteerd als een kans. Als een moment om de Nederlandse taal opnieuw te ontdekken en te omarmen, of als gelegenheid om kennis te maken met nieuwe nog onbekende Duitse auteurs. Ook als poortwachter voor nieuwe ideeën heeft De Tooneelspiegel een rol gespeeld, met als dieptepunt het doorplaatsen van het essay van F. Primo uit het nationaalsocialistische De Schouw en het daarmee legitimeren van nazistisch gedachtegoed over cultuur. De weging van de ereraden was dat het doorplaatsen van verwerpelijke teksten geen informatievoorziening is; zonder analyse of tegenargumenten is herplaatsen hetzelfde als onderschrijven. Inhoud spreekt niet voor zichzelf en ook ironische ophemeling is niet duidelijk genoeg.
Door steeds de schijnwerper te plaatsen op diegenen die nog van aanpakken weten, die van de nood een deugd weten te maken en geen aandacht te geven aan de afvallers, de weigeraars en uitgestotenen door het systeem, werd het hele theaterveld de omlijsting van een fout systeem. Geschiedenis en faits divers waren een vluchtheuvel, zodat er voor duiding van de complexe actualiteit geen plaats meer was. Het verzwijgen van de terreur van de bezetter en de maatregelen tegen joodse vakgenoten is zeer verwijtbaar.
De redactie van De Tooneelspiegel heeft in die oorlogsjaren keuzes heeft gemaakt die op z’n zachtst gezegd verbazen en soms tegen de borst stuiten. Daar kunnen belangrijke persoonlijk argumenten voor zijn geweest, maar de ereraad besloot bij Van den Aardweg dat verzet in de persoonlijk sfeer hem niet vrijpleit van zijn professionele verantwoordelijkheid. Die professionele context is wel anders dan nu; pas vanaf de jaren vijftig worden de normen en waarden in journalistieke codes vastgelegd. Beginselen als hoor en wederhoor, bronvermelding of transparantie zijn voor en tijdens de oorlog nog geen ijzeren principes. Je zou kunnen zeggen dat juist de propagandamachine van de nazi’s heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van die media-ethiek.
Het is maar de vraag of de redactie het blad zag als een journalistiek medium. Tijdschriften waren weliswaar onderdeel van het medialandschap, maar een blad over het theaterveld werd ook als lectuur gezien. Als in 1935 het vaktijdschrift Het Tooneel samensmelt met De Tooneelspiegel, een blad voor liefhebbers waarin al eerder het damesblad Beauty was opgenomen, is de modderige scheiding van commerciële en journalistieke inhoud onderdeel van het verdienmodel en is het blad openlijk niet onafhankelijk.
In die naoorlogse periode, toen het veld nog zoveel kleiner was, bleek lekenberechting door vakgenoten zoals door de ereraden, al problematisch. Maar met een hedendaagse blik valt vooral op hoe weinig aandacht er toen was voor het publiek. Tijdens en na de oorlogsjaren lijkt dat zich weinig te hebben uitgesproken.
Met de blik van 2025 lijkt dat de grootste verandering en dat lijkt me een positieve ontwikkeling. Het publiek laat van zich horen, protesteert en spreekt zich uit over goed en kwaad. Alle spandoeken, flyeracties, reuring en debat rond voorstellingen en artiesten zijn tekenen van vrijheid en betrokkenheid, vooral als daar verslag van gedaan wordt. Kritiek en debat zijn essentieel onderdeel van democratische samenleving. Het is zo tekenend dat in gelijkgeschakelde theaterbladen zoals de De Schouw en Cinema & Theater (bekend van de hoera-stijl van recenseren), alleen positieve, opbouwende stukken mochten verschijnen. Misschien zit daar een concrete les voor vandaag: waar kritiek verstomt, dreigt het echte gevaar.
Voor dit artikel zijn archiefstukken uit De Theatercollectie AP (voorheen TIN), het NIOD en het CABR geraadpleegd, naast krantenarchief Delpher. Dit korte onderzoek naar de verslaglegging van de oorlogsjaren, maakt duidelijk dat de verslaglegging en de theaterkritiek verre van neutraal is. Een uitgebreider onderzoek naar de ideologie in vorige jaargangen, ook op het gebied van koloniale sporen en gender, zou niet alleen het historische materiaal beter ontsluiten, maar ook een agenda kunnen geven voor nieuwe verhoudingen tussen kritiek, verslaglegging, het veld en de maatschappelijke context.






