Architect Martien van Goor was betrokken bij de verbouw, nieuwbouw en restauratie van vele theaters in Nederland. Theatermaker ging met hem in gesprek over het ontwerpproces en de rol van de architect.

De nu 73-jarige Van Goor is nog steeds actief als architect bij Greiner Van Goor Huijten Architecten en vertelt tussen de boeken, maquettes en tekeningen in, over zijn projecten. Over zijn start is hij kort en bondig: in 1960 begon hij als tekenaar bij architect Onno Greiner. Greiner maakte in de jaren zestig naam met onder andere Theater De Tamboer in Hoogeveen. Het bureau groeide daarna snel, en dat betekende ook een nieuwe opdracht in de theaterhoek: de verbouwing van De Lawei in Drachten. Van Goor studeerde weliswaar nog architectuur aan de Academie van Bouwkunst, maar dat belette Greiner niet om Van Goor te benoemen tot projectleider. Het bureau Greiner Van Goor Huijten Architecten is ook actief in de woningbouw en gezondheidszorg, met name in de psychiatrie. Van Goor heeft zich sinds dat eerste project in alle drie de sectoren bewogen.

‘Nederland heeft natuurlijk een bijzondere structuur als je deze vergelijkt met andere landen: wij hebben ‘ontvangende theaters’. Wat betekent dat er in elk theater, iedere dag een andere voorstelling moet kunnen worden gebouwd, gespeeld en afgebroken. De logistiek is daarom ontzettend belangrijk. Daarnaast is de programmering door die reizende structuur vaak breed: er worden uiteenlopende genres gepresenteerd en er zijn verschillen in grootte van producties.’

Naast deze eisen op het gebied van logistiek en programmering zijn er nog vele. ‘Die worden gebundeld in het zogenoemde Programma van Eisen’, legt Van Goor uit. ‘In eerste instantie, wanneer een gemeente besluit over te gaan tot een (nieuw)bouwproject, is een eerste versie van dit Programma van Eisen al aanwezig. Dit plan wordt verder uitgewerkt door met alle betrokkenen rond de tafel te gaan zitten. Met de gemeente, directie van het theater, hoofd techniek, de theateradviseur, akoestisch adviseur, constructeur, installatieadviseur en natuurlijk de architect.’ Hier komen alle details ter sprake die uiteindelijk het ontwerp verder vormgeven.

Hét moment om met het getouwtrek te beginnen? Van Goor: ‘Nee hoor, dat valt wel mee. We overleggen veel en maken tal van schema’s. Het is een groep waar alle kennis verzameld is om tot een goed ontwerp te komen. Samen maken we die puzzel compleet. Maar je kunt niet allemaal je zin krijgen in zo’n proces, dat hoort erbij.’

‘Maar voordat we dat doen maken we een studiereis’, vervolgt hij enthousiast. ‘Want om tot een gedegen ontwerp te komen, is het goed om de opties of je ideeën ook daadwerkelijk te ervaren en te toetsen – dat is immers waar architectuur over gaat. We bezoeken verschillende gebouwen en peilen elkaars meningen om elkaar goed te leren kennen.’

Exploitatie

Ten grondslag aan het Programma van Eisen en het ontwerp ligt de reden voor en het doel van het (nieuw)bouwproject: de exploitatie ervan, in de ruimste betekenis van het woord. Van Goor: ‘Bij een nieuwbouwproject wordt vaak gekozen voor een zaal met 800 à 900 stoelen en voor een tweede, vlakkevloerzaal met een schuiftribune, zodat je er een brede programmering in kwijt kunt – en ook gemakkelijk evenementen met veel horeca.’

Het kan ook om herbestemming van gebouwen gaan. ‘Voor gemeenten is het van groot belang dat monumenten worden behouden – en dat deze geëxploiteerd kunnen worden. Zo restaureerden en verbouwden we bijvoorbeeld in Bergen op Zoom de leegstaande Heilige Maagdkerk tot een theater met 650 stoelen.’.

Een derde optie is restauratie en/of renovatie. Van Goor: ‘Verbouw van een theater vindt vaak plaats omdat de exploitatiemogelijkheden in het geding raken. Een goed voorbeeld daarvan is de verbouw van het Koninklijk Theater Carré begin jaren negentig. Het kleine toneel, met een opening en diepte van tien meter, leverde een grote belemmering op voor de logistiek van grotere producties en dus voor de programmering en exploitatie van het theater. Dat moest anders. Een vergelijkbaar project is de Kunstmin in Dordrecht: het toneel was niet geschikt voor de ontvangst van reizende gezelschappen. We hebben het toneelhuis vergroot en verhoogd en de rest van het gebouw moest gerestaureerd worden.’

Balans

Een zaal verschijnt uiteindelijk in allerlei vormen. Onno Greiner ontwikkelde daar een leidend idee over, bekend geworden als het ‘Ei van Greiner’. Hij begon met de vraag waarom de Leidse Schouwburg zo’n geliefde zaal was bij haar bezoekers. De conclusie: de balkons omvatten een ellipsvormige ruimte die doorloopt over het podium, waardoor het publiek als het ware de acteur omarmt. Van Goor licht het idee verder toe: ‘Je behangt de wanden van de zaal met mensen. Bezoekers zitten hierdoor niet alleen dicht op de actie, ze horen en zien elkaar reageren op het schouwspel. Dat werkt aanstekelijk en bevestigt het gevoel van sociale interactie en intimiteit.’ Zo’n soort zaal heeft nog twee voordelen: ‘Iedereen zit, in vergelijking tot een rechthoekige zaal zonder zijbalkons, dichter op de actie en een lagere bezettingsgraad is minder storend, omdat het minder opvalt.’

Een goed voorbeeld, waar Van Goor met trots op terugkijkt, is Theater De Spiegel in Zwolle, die in 2006 werd opgeleverd. ‘De gemeente had duidelijke eisen qua programmering: een theaterzaal waar ook het Orkest van het Oosten in moest kunnen spelen. We ontwierpen een zaal met een bewegend plafond van akoestische panelen. De drie verschillende standen die deze panelen kunnen aannemen, zorgen voor een andere nagalmtijd in de zaal – één die geschikt is voor sprekers, één voor opera en één voor symfonische muziek. Wanneer de akoestische panelen op hun hoogste stand worden geplaatst, wordt de zaal ook nog uitgebreid van 850 naar duizend stoelen. Als er een cabaretier langskomt die makkelijk uitverkoopt, kan er dus ook voor worden gekozen om de zaal verder uit te breiden. En als er een keer vijfhonderd bezoekers zijn in plaats van 850, dan voelt het niet meteen aan als een lege zaal door de compactheid van de theaterruimte.’

Maar naast dit leidende idee over het gebruik van zijbalkons en een ellipsvormige zaal, is er bijzonder weinig dat van tevoren vast staat voor deze architect. Hoe zit het bijvoorbeeld met de aloude prosceniumboog, de keuze voor een vlakke vloer of bewegende podiumdelen? Van Goor: ‘Dat komt allemaal aan bod in onze gesprekken, en dat heeft heel duidelijk te maken met de eisen aan de programmering van de zaal. Daarnaast is het afhankelijk van de locatie. Een goed voorbeeld daarvan is opnieuw het Koninklijk Theater Carré. Zij wilden een nieuw toneelhuis met een bredere opening en een dieper toneel. Maar daar loop je meteen tegen twee grenzen aan: het theater is een rijksmonument en achter het toneel loopt een gracht. Uiteindelijk hebben we in overleg met de gemeente de kleedkamers die achter het toneel lagen, op palen boven de gracht geplaatst. Hierdoor kon het toneel dieper worden gemaakt.’

Daarnaast kent Carré een piste in het midden van de zaal. Deze vloerdelen werden ieder jaar met het kerstcircus met de hand verlaagd en daarna weer verhoogd – wat vele manuren kostte. Van Goor creëerde hier bewegende vloerdelen (liften), waardoor de piste gemakkelijk op toneel-, zaal- en pisteniveau kan worden afgesteld. Van Goor: ‘Het is altijd één grote puzzel en zeker als het rijksmonumenten betreft. Denk aan het vergroten van de monumentale toneelopening van tien naar veertien meter – daar komt heel wat bij kijken.’

Stijlvast

Met zijn ideeën over de theaterzaal drukt het bureau zijn stempel op de ruimte, die als zodanig dus herkenbaar is. Toch relativeert hij: ‘Wij zijn niet zo stijlvast dat je een gebouw van buiten direct als een van ons zult herkennen. Qua exterieur vinden we het heel erg belangrijk dat het ‘theater’ uitstraalt en qua interieur vinden we het heel erg belangrijk dat je het gevoel hebt dat je een avondje uit bent. We willen geen kille bedoeling – er mag best wat rood en goud te vinden zijn. We kiezen ook wel vaker voor een aankleding van hout, wat ook die warmte uitstraalt. In het theater DNK te Assen hebben we bijvoorbeeld de zaal voorzien van lichte houten wanden. We willen het niet overdrijven, er hoeven niet allemaal kleedjes op tafel, het hoeft niet oubollig, maar wél eigentijds “gezellig”. Daarnaast werken we duurzaam en over de foyer hebben we ook wel een aantal ideeën! Die moet prettig en feestelijk aanvoelen. Je moet elkaar goed kunnen zien en naar elkaar kunnen zwaaien. Het moet niet te groot zijn, maar ook niet te klein. Als je een foyer binnenkomt willen we dat er veel daglicht is en ’s avonds is er uitstraling naar buiten met kunstlicht. En om goed te kunnen zien waar je bent – de structuur van de foyer te kunnen herkennen – gebruiken we vaak vides. Maar het is ook belangrijk dat er wat te ontdekken valt, denk aan een nisje.’

Een directeur bij een bestaande organisatie is vaak intensief betrokken bij het hele ontwerpproces. Deze kent zijn publiek en weet hoe de programmering en logistiek kan worden geoptimaliseerd. Maar bij nieuwbouwprojecten is een directeur soms nog niet aangenomen. Wordt er dan een schakel gemist? Van Goor: ‘In principe wel. Het legt extra verantwoordelijkheid bij de adviseurs en de opdrachtgever. En als een nieuw team later aansluit bij het bouwproces dan kan dit leiden tot vaak begrijpelijke, maar niet altijd eenvoudig in te passen, plan-aanpassingen.’

‘De zaalvorm blijft altijd een uitdaging, want die kan altijd verbeterd worden. Daarnaast is er veel meer techniek bij komen kijken in de loop der jaren. Daar zijn de oudere theaters vaak helemaal niet op ingericht. En dan heb ik het niet alleen over het toneelhuis – want bouw maar eens een toneeltoren in een rijksmonument, maar ook over de logistiek: het aantal en de grootte van de trailers. Wanneer een theater grotere musicalproducties wil ontvangen, dan moet dat logistiek wel kunnen. De laad- en losplek moet bijvoorbeeld goed bereikbaar zijn. Én deze moet dan op hetzelfde niveau zijn als het toneel. Als dat niet het geval is moet er bijvoorbeeld gekeken worden naar een vrachtwagenlift.’

Selectie

Wanneer een gemeente een nieuw theater wil bouwen of er een wil verbouwen, wordt er een Europese aanbesteding uitgezet. Van Goor: ‘Daar reageren gemiddeld twintig architectenbureaus op, door het invullen van een uitgebreide vragenlijst. Het zijn eigenlijk altijd Nederlandse architecten die reageren – Europese bureaus doen vaak alleen mee wanneer ze specifiek gevraagd zijn.’ Vervolgens gaan zo’n vijf architectenbureaus door naar de volgende ronde, waar zij allemaal een visie presenteren. Dit voorstel is meestal gebaseerd op het Programma van Eisen dat op dat moment op tafel ligt. Hij haalt zijn schouders licht op, maakt zijn ogen groot en lacht: ‘Je snapt dat die visie eigenlijk meteen het hele ontwerp is. Dat is best schrijnend, want deze ronde wordt weliswaar vergoed, maar wel heel matig.’

Van Goor maakt op dit moment de cirkel rond, want het bureau is bezig met De Tamboer in Hoogeveen – het eerste theater wat Onno Greiner ontwierp. Hij gaat met deze verbouwing verschillende functies in het gebouw combineren. ‘Dat zie ik steeds meer gebeuren, dat de gebouwen ook gaan functioneren als een bibliotheek, café, werkplek, bioscoop of poppodium.’

En als hij zijn collega’s nog wat advies mag geven? ‘Dan zouden zij de opdrachtgever mogen adviseren om wat budget te bewaren voor na de oplevering. Want er zijn dan altijd wel zaken die je aan wilt pakken of verbeteren, omdat je in zo’n ingewikkeld bouwproces niet altijd alles kunt overzien.’