Het Holland Festival richtte zich dit jaar nadrukkelijk op werk en gedachtegoed van kunstenaars uit Congo en Zuid-Afrika. Faustin Linyekula en William Kentridge waren adviseur en brachten naast eigen werk theatermakers uit hun umfeld mee. Ook het werk uit andere delen van de wereld, inclusief Europa, hield verband met kritische noties rond milieu, dekolonisatie en feminisme. Programmeur Annemieke Keurentjes wil verder op het ingeslagen pad.

Hoe lang heb je al de wens om een festival te maken dat uitgebreid aandacht besteedt aan niet-westerse kunstenaars?
‘Pierre Audi zei altijd: het festival biedt een caleidoscopisch venster op de wereld. Na twee jaar met hem werken, rond 2007, zei ik: ‘Dat is mooi gezegd, maar wat bedoel je daar precies mee?’ In de praktijk toonden we vooral werk uit Europa en Noord-Amerika, uit de westerse wereld. Pierre deed wel een aantal grote Japanse producties, maar veel verder kwamen we niet. We lieten Latijns-Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië eigenlijk liggen. Dus ik ben research gaan doen om te kijken wat er geschikt zou kunnen zijn om in Nederland te laten zien. Ik ben begonnen in Zuid-Amerika, omdat ze sterk zijn in theater en een aantal hele grote festivals hebben.’

Wanneer zag je een festival voor je dat zich met postkoloniale kritiek zou gaan bezighouden?
‘Het waren verschillende stappen. Als team wilden we al eerder een meer uitgesproken positie bepalen. We zijn altijd heel erg bezig geweest met wat er in de wereld gebeurde, maar Pierre wilde geen stelling nemen, vond dat de kunsten voor iets anders zijn. Onder zijn leiding hebben we dat dus alleen impliciet gedaan, waarvan het concert van Amal Maher in 2010 het meest uitgesproken was. Zij zong liederen van Oum Kalthoum tijdens de opening van het festival. En dat hebben we toen in Carré gezet op het moment dat de PVV in de media alom tegenwoordig was.’

Hoe kwam je bij Linyekula en Kentridge terecht?
‘De reis van Zuid-Amerika naar Afrika heeft een paar jaar geduurd. We hadden ondertussen van beiden al werk gepresenteerd. Met Faustin praatte ik over verschillende projecten en wist ik niet wat te kiezen, want wij doen nooit vier projecten van één auteur. Met Kentridge was ik bezig aan The Head & The Load, wat intern allerlei vragen opriep, omdat het zo’n gigantische en dure productie zou worden. Terwijl ik het daarom juist belangrijk vond, omdat alleen het Holland Festival zoiets kan doen. Toen we over onze nieuwe structuur spraken en we op de constructie met gastkunstenaars uitkwamen, was het voor mij meteen duidelijk dat het deze twee moesten worden. Diep verscholen in hun werk is daar iets gemeenschappelijks, iets wat ik humanistisch noem.’

Stelden zij zelf voor om andere kunstenaars mee te nemen?
‘Met name Faustin Linyekula was daarin geïnteresseerd. Het ligt echt in zijn lijn om in zijn omgeving te investeren. Linyekula is voor mij ook heel belangrijk omdat hij de verbinding zoekt, terwijl veel makers vooral activistisch zijn, de tegenstelling zoeken, vanuit een persoonlijke positie of een stellingname. In Nederland blijven we ook zo hangen in standpunten, komen we daardoor nauwelijks verder met elkaar. Linyekula is behoorlijk fel en kritisch met betrekking tot Congo, maar hij laat het daar niet bij. Dat is echt bijzonder.’

Als je programmeert, hou je dan rekening met zoiets als white innocence, de afweer die we opwerpen rondom ons verleden en de rol die het heeft gespeeld, de rijkdom die we door de exploitatie van kolonies hebben vergaard?
‘Het is niet zozeer onschuld als wel onwetendheid. Daarom waren Faustin en William zo goed, omdat ze verhalen brengen die hier onbekend zijn en iets onthullen over de schuld, de geschiedenis, en onze rol, de rol van westerse naties daarin. Zolang mensen geen idee hebben van wat die geschiedenis is, kun je in die onschuld blijven hangen en in de weerstand van ‘wat krijg ik nu toch naar m’n hoofd geslingerd’. Theater is een plek waar je die geschiedenissen kunt vertellen zonder dat mensen meteen het gevoel krijgen dat ze beschuldigd worden van iets, zich overvallen voelen en in de contramine gaan.’

Zowel Linyekula als Kentridge hebben interesse in het verwerken van Europese avant-garde en ander westers artistiek erfgoed. Is dat wat wij er uitpikken? Of is dat een bredere beweging?
‘Nou ja, eigenlijk is dat zeldzaam. Als je bijvoorbeeld naar Zuid-Afrika kijkt, dan zijn mensen daar technisch heel goed opgeleid, maar qua verbeelding valt het vaak tegen. En dat heeft te maken met wat ze te zien krijgen, dat is nog steeds erg koloniaal, Brits en Nederlands, noem maar op.’

Kan het Holland Festival dat doorbreken?
‘We tonen in context en we proberen verbanden te leggen. Een deel gaat over de verhouding met Nederland en Europa, maar voor mij is het ook belangrijk om de discussie hier te verbreden. Die is overwegend anglo-centrisch. De Afro-Amerikaanse geschiedenis wordt als voorbeeld genomen. Dat heeft met de media te maken. Ik wilde daar iets anders tegenoverzetten, met name met (het francofone) Congo en de aandacht voor Césaire en Glissant.’

Gaan jullie door op deze weg?
‘Yes!’

En hoe zou je die focus dan omschrijven? Gaat het om postkoloniale kritiek, is dat de toekomstige dramaturgie voor het festival en het Europese theater?
(Hard lachend) ‘Ik ben misschien ook een beetje een missionaris in eigen land, en in ieder geval katholiek opgevoed. Ik geloof dat er nog heel veel werk te doen is, in het laten zien van al die verhalen en het ruimte maken voor geschiedenissen en mensen die we nog niet kennen. Dat was altijd wel de missie van het festival – we halen werk van buiten en laten zien wat mensen hier niet kennen – maar het is wel van karakter veranderd, omdat er politiek gezien nu hele andere dingen spelen. Door de opkomende identiteitspolitiek en het populisme.’

Is de positie zoals Audi die innam onhoudbaar geworden?
‘Ja dat denk ik. In Nederland in ieder geval.’

Was het niet een enorme overgang voor het gevestigde publiek? Dat je hun veel kleinschaliger en kritischer werk aanbood?
‘Het meeste publiek krijgt die grote festivaldramaturgie helemaal niet mee. Die zien gemiddeld één of hooguit twee voorstellingen. 1,3 om precies te zijn. De keuze hangt samen met een discipline of met een naam. Terwijl mensen wel voelen dat dat ene ding onderdeel is van een groter, samenhangend geheel. Als het een goed festival is, dan krijgen mensen dat mee.’

In de pers waren er sceptische stemmen over de nieuwe richting van het festival. Het werd modieus genoemd.
‘Ik vind dat flauw. We hebben al heel vaak werk uit Afrika en Zuid-Amerika getoond. Maar die voorstellingen kregen, misschien omdat ze alleen stonden, veel te weinig aandacht. Ik herinner mij bij een voorstelling van DieudonnéNiangouna, die een voorpremière had bij ons en doorging naar Avignon. Dat dramaturg Paul Slangen in de pauze naar buiten kwam en zei: ‘Annemieke, zo maak je toch geen voorstelling!’ Maar dat betekent toch niet dat er geen andere manier mogelijk is? Dat alleen al is een discussie waard. In andere landen en werelddelen maken mensen ander theater. Kijk daar nou eens naar, denk erover na, in plaats van het meteen opzij te schuiven. Mensen doen dat kennelijk alleen maar als een substantieel deel van het festival daarop ingaat.’

Wat betreft die grote dramaturgie, wat ga je meenemen naar het volgende jaar? Waar ben je trots op?
‘Dat we luikjes hebben opengezet naar al die andere perspectieven. Dat is het belangrijkste. En we gaan door op de vragen, die William en Faustin hebben opgeworpen. We hebben net de associate artistvan volgend jaar op werkbezoek gehad, Bill T. Jones. Hij kwam ook uit op het bevragen van zijn positie: wat betekende dat eigenlijk, een zwarte jongen die ballet wilde doen, in een witte context, zijn zus idem dito. En een zwarte man die een Italiaans-Joodse vriend kreeg, met HIV. Het zijn voor zijn identiteit heel ingrijpende stappen geweest. Persoonlijke issues die hij – mede dankzij zijn partner Arnie Zane, die daar kennelijk veel onbevangener in was – op het podium zette. Het gaat ook over de rol die kunst heeft ingenomen in die maatschappelijke discussies. Dat het lichaam daar ook zo’n grote rol in speelt. Dat onderwerp gaat zo door naar de volgende editie.’

Weer een zwarte kunstenaar en bovendien een choreograaf.
‘We zoeken mensen met een hele brede interesse en choreografen zijn vaak breder georiënteerd merk ik. Op het gebied van theater, muziek, beeldende kunst, maar ook in het aangaan van samenwerkingen. We willen ook graag continuïteit in het festival brengen, van jaar tot jaar. En kunstenaars moeten bezig zijn met een nieuw werk dat we interessant vinden, zodat we kunnen coproduceren. En het is fijn als ze echte denkers zijn, dat ze hun inspiratiebronnen en werkwijze goed kunnen benoemen.’

Vind je die mensen niet in Europa?
‘We hebben ons ten doel gesteld voorlopig niet in Europa te kijken. Dat lijstje was vrij snel gemaakt, maar toen hebben we gezegd, dat gaan we niet doen.’

Foto: Jochem Sanders