Leidens stadsgezelschap PS Vertelt werkt aan een ‘interactieve belevenis’ die ze vormgeven in nauw overleg met een zogenoemde stadsverkenner. In Schuld zullen de acteurs reflecteren op indringende verhalen van jongeren in kwetsbare posities. Samen met het publiek wil de groep uitzoeken hoe de samenleving een vangnet kan vormen voor hen bij wie het eigen netwerk dat niet kan bieden.


Schuld – PS Vertelt

PS Vertelt (voorheen PS|theater) is het stadsgezelschap van Leiden. Het maakt locatietheater, muziek, podcasts, spellen en installaties. Sinds 2022 staat kansen(on)gelijkheid in de projecten centraal. Met uitgebreid veldonderzoek, theatrale meet-ups en stadsprojecten onderzoeken, bevragen en bekritiseren zij de stand van kansengelijkheid in Nederland.

De bedoeling van artistiek leider Pepijn Smit is niet alleen problemen aan het licht te brengen, maar ook te werken aan oplossingen. Drie vragen staan daarbij centraal: wat moet er veranderen, wie zijn de veranderaars en hoe gaan we het veranderen? Voorstellingen vinden gretig aftrek bij maatschappelijke organisaties en overheden, die er lessen uit trekken en er verandering mee in gang zetten.

Voor het nieuwe project Schuld volgt stadsverkenner Julia Schmitz een jaar lang zeven jongeren, die te maken hebben met (beginnende) schuldenproblematiek. Zij krijgen van de gemeente Leiden leer- en leefgeld gedurende één jaar, als pilot van Het Bouwdepot. PS Vertelt is gevraagd om de jongeren te volgen en hun verhaal in theatervorm te delen met publiek. De jongeren staan zelf niet in de voorstelling.

Gelijktijdig werkt Pepijn Smit met maker Abdallah Omar Mahamed en drie acteurs aan een voorstelling over de vraag: waar doe je goed aan? Hierin staan Mahameds eigen ervaringen met schulden centraal. Gedurende het maakproces bepalen ze hoe deze twee stromen samenkomen. Schuld zal op 6 november 2026 in première gaan en ook spelen bij gemeenten, maatschappelijke organisaties en op ministeries.


Tijdens een maakdag trekt stadsverkenner Julia Schmitz bij regisseur Pepijn Smit aan de bel. ‘Dat beeld van een verslagen bedelaar komt te vaak op’, vindt ze. ‘De jongeren in ons project vragen niet om hulp of geld en zijn daardoor juist heel onzichtbaar. Die willen alleen maar gezien worden.’ Smit knikt instemmend. Een doorbraak.

Julia Schmitz werkt één dag in de week als stadsverkenner voor PS Vertelt. In die functie heeft ze al veel tijd in het nieuwe project gestoken. Ruim een jaar heeft Schmitz zich inmiddels verdiept in de verhalen van verschillende jongeren die in kwetsbare posities verkeren. De één groeide op in de gesloten jeugdzorg en raakte na zijn achttiende in de problemen, een ander werd rond diens achttiende uit de familie gezet, nadat die uit de kast kwam als non-binair. Voor de acteurs is het nog allemaal nieuw. Die zullen in de voorstelling Schuld op deze verhalen reflecteren.

Schmitz was niet per se op zoek naar levensverhalen, maar kreeg ze toch al vrij snel te horen. ‘Ze leggen hun trauma’s op tafel alsof het een boodschappenlijst is’, zegt ze gelaten. ‘Ze hebben het al zo vaak verteld. Elke nieuwe instantie moeten ze weer bijpraten. Hierdoor zijn ze gedissocieerd van hun eigen, vaak onverwerkte, trauma.’ Liever geeft ze ruimte aan hun leven nu. In een ongedwongen setting vraagt ze hen wat anderen voor hen hebben betekend, in negatieve, maar ook in positieve zin. Of ze bespreken hun dromen, hobby’s en carrièrewensen.

De jongeren zijn met haar in contact gebracht via de gemeente Leiden, die in 2025 een pilot uitvoert in samenwerking met Het Bouwdepot. Elk van hen werd door hun zorg- of welzijnsinstelling aangedragen voor dit voorwaardenvrije basisinkomen. Zelfs de begeleidende instelling mag niet ongevraagd advies geven over waar jongeren het geld aan moeten besteden: ze zijn vrij om ermee te doen wat ze willen. Het initiatief maakt veel vooroordelen los bij Leidse burgers, die hun belastinggeld niet graag naar een onbekende zien gaan.

Als stadsverkenner is Schmitz niet eindverantwoordelijk voor de voorstelling, maar houdt ze zich bezig met het impactprogramma, waarin het vooronderzoek een plek krijgt. Ze denkt na hoe ze het publiek een ‘handelingsperspectief’ kan geven. ‘Ik werk daarvoor vanuit een aantal pijlers: activering (we gaan iets doen, iedereen doet mee, maar ook: we zetten aan tot actie), ontmoeting (we ontmoeten elkaar en horen het verhaal van een onbekende), identificatie (hoe sta ik zelf tegenover het thema) en reflectie (hoe kijk je nu naar jezelf, de ander, het thema).’

Soms staat zo’n programma op zichzelf, maar deze keer zal haar werk met de voorstelling verweven zijn. Hierdoor blijven Schmitz en Smit tijdens het maakproces veel in overleg over de vorm van de ‘voorstelling’ – bij gebrek aan een beter woord voor de interactieve belevenis die ze samen vormgeven.

 

November 2025 – We spreken elkaar voor het eerst in Theater Ins Blau, op kantoor bij PS Vertelt. De programmamaker is onder de indruk van de verhalen die ze heeft gehoord, de intergenerationele trauma’s die de jongeren meedragen en proberen te doorbreken. Ze heeft intussen een goede band met ze, juicht met ze mee als het meezit en neemt hun tegenslagen mee naar huis.

Niet alle zeven jongeren hebben op haar contactverzoeken gereageerd. Eén meisje dat in eerste instantie wel reageert, is pas negentien en heeft duidelijk tijd nodig om bij te komen van haar ervaringen met de daklozenopvang. ‘Ze kwam daar tussen sekswerkers en drugsdealers de nacht door’, verklaart Schmitz. ‘Dat laat zijn sporen na.’ Een paar maanden later zal ze tot haar verdriet het contact verliezen. ‘Het is haar allemaal te veel en het gaat niet goed met haar. De hulpverlener ziet dat voorlopig niet verbeteren.’

Vier mensen springen eruit, vanwege hun veerkracht en bereidwilligheid om mee te werken aan het project. ‘Hun redenen zijn verschillend. De één wil de vooroordelen over ontvangers van Het Bouwdepot ontkrachten, iemand anders wil gezien worden, of zijn hulpverlener trots maken. Ook gunnen ze anderen in hun situatie Het Bouwdepot.’

Schmitz kan hen niet betalen voor de tijd die ze met haar doorbrengen. Wel zoekt ze naar een wederkerige uitwisseling. Eén van de jongeren schrijft zelf een voorstelling, waarmee Schmitz helpt. Een ander heeft een autootje: de enige plek waar diegene zich kan ontspannen, onder andere doordat het verkeer een stuk voorspelbaarder is dan het leven. Binnenkort mag Schmitz een keer mee, een ritje maken, dan zal ze haar jonge chauffeur trakteren op een volle tank en zullen ze samen een frietje eten.

Het contact met jongeren is een hele open zoektocht, want de vorm bepalen ze bewust pas in de loop van het proces. Daarom houdt ze de artistiek leider al vanaf het begin op de hoogte. ‘Ik spreek voice memo’s in voor Pepijn na elke ontmoeting, zodat hij ook weet wat er speelt.’ Haar doel is haar wel al helder: ‘Ik wil in dit project laten zien, horen en voelen dat deze jongeren er niet voor kiezen om in deze situatie te zitten. Door een opeenstapeling van ernstige gebeurtenissen hebben ze nooit regie over hun jonge levens gehad. Zo zijn ze volwassen geworden. Zonder veilige haven om in thuis te komen.’

Februari 2026 – We checken telefonisch in. De ideeën hebben intussen meer vorm gekregen. ‘Onze wmo-jeugd contactpersoon van de gemeente wees ons op een richtlijn van het Nederlands Jeugd Instituut: The Big Five. Die geeft aan in hoeverre jongeren voorbereid zijn om zelfstandig te worden op hun achttiende. Iemand moet beschikken over een sociaal netwerk om op terug te vallen, een stabiele woonplek, passende dagbesteding, voldoende geld en zich mentaal en fysiek goed voelen. Daarop willen we focussen.’

Om publiek handelingsperspectief te bieden, denkt ze in te gaan zoomen op die allesbepalende achttiende verjaardag. Hoe zag die er bij henzelf uit en hoe verschilt die van die van de jongeren? Met verschillende jongeren heeft ze het over dat moment gehad. Eentje zat ‘gesloten’, dus had hij niet zo veel te vieren, een ander kreeg te horen dat hij op zijn achttiende  alle jeugdhulp zou verliezen en twee opties had: de criminaliteit of het leger. Schmitz: ‘De dramaturg vroeg me of hem dat letterlijk zo gezegd is. Dat weten we natuurlijk niet. Mij gaat het erom dat dit is wat hij heeft onthouden.’

Van eerdere projecten maakte PS Vertelt mooie oproepen om meer naar elkaar om te kijken. Door te spelen voor relevant publiek, zoals op ministeries, hadden de projecten al behoorlijke veranderkracht. Toch bleven mensen achteraf vragen om meer handvatten: wat kan ik doen? Sinds artistiek leider Smit een training volgde bij IMPACT LAB, willen ze een stap verder gaan om dit geactiveerde publiek meer richting te geven.

Schmitz: ‘In de gemeente Leiden zijn 212 jongeren voor wie de Big Five niet op orde is. Het Bouwdepot biedt slechts plek voor zeven jongeren per jaar en het is nog onzeker hoelang de gemeente dat kan blijven financieren.’ In lijn met de vraag ‘waar doe je goed aan’, wil PS Vertelt met het publiek van Schuld uitzoeken hoe de samenleving een vangnet kan vormen voor jongeren bij wie het eigen netwerk dat niet kan bieden. Om dat goed in te richten, zoeken ze komende maanden contact met organisaties die al een stap verder zijn met dit soort hulp, zoals ONSBank, die een maatwerkalternatief voor de gemeentelijke schuldsanering aanbiedt.

5 maart 2026 – Om 11 uur treffen acteurs Abdallah Omar Mahamed, Mahfoud Mokaddem, Tijs Huys en Annabelle Hinam van Schuld elkaar opgelaten op locatie van de Leidse Universiteit, vlakbij Theater Ins Blau. De makersdagen beginnen. Nieuwsgierig bekijken ze de tl-verlichte studio zonder ramen. ‘Zitten we hier op alle dagen?’ Ja, is het antwoord. En dat met zo’n heerlijk zonnetje buiten. Ze zetten zich er gelaten overheen.

De makersdagen zijn een nieuwe toevoeging in het maakproces van PS Vertelt, bedoeld om de cast meer betrokkenheid bij het onderwerp te laten voelen. Gedurende vijf dagen delen regisseur, schrijver, dramaturg en stadsverkenner de bevindingen van ruim een jaar vooronderzoek met hen. De acteurs proberen de eerste teksten uit en voeren gesprekken om te ontdekken hoe ze zich tot het onderwerp verhouden. De tekst van de voorstelling wordt op hun lijf geschreven en ze zullen ook de houding van de samenleving ten opzichte van de Bouwdepot-jongeren vertegenwoordigen.

Dit verwerken van meerdere perspectieven is tekenend voor de producties van PS Vertelt, waarin ook de vooroordelen terugkomen, die ze in hun maakproces tegenkwamen. Ruimte maken voor dit soort universele aannames zorgt ervoor dat de makers benaderbaar blijven, denkt artistiek leider Smit: ‘Voor acteurs, die in veel van onze producties een versie van zichzelf spelen, is het niet comfortabel om een stelling in te nemen die ze nooit hebben gehad.’Vandaar dat de zoektocht naar ieders meest bijpassende stellingname nu al wat eerder begint.

Het artistieke team zet deze makersdagen ook in om de overkoepelende boodschap te bepalen, te bedenken hoe de werkstromen van Smit en Schmitz in elkaar passen en in hoeverre ze het in Schuld over schulden willen hebben. Voorzien van alle nieuwe informatie zal schrijver Anouk Saleming aan de slag gaan met een synopsis en een eerste versie van de tekst voor tijdens de repetities.

De hele donderdagochtend staat in het teken van gesprekken. Aanwezig zijn Smit en Schmitz, de vier acteurs en de schrijver. In plaats van een voorstelrondje vraagt Smit iedereen te vertellen over hun relatie met geld. Daarop komen al direct hele persoonlijke levensverhalen de kring in. De sfeer is vertrouwelijk, iedereen heeft wel eens eerder bij PS Vertelt gewerkt. Er blijken mooi uiteenlopende ervaringen te zijn. Geld frustreert en inspireert. Het voorstelrondje loopt uit op een uur filosoferen over geldzorgen, geld hosselen en geld weggeven. Dit geeft veel prijs over de houding van de verschillende acteurs ten opzichte van schulden en geldzorgen.

Na een zorgvuldige introductie van Smit over de inspiratie en aanleiding van de voorstelling, neemt Schmitz het over. Ze vertelt vier verschillende levensverhalen van jongeren die ze het afgelopen jaar leerde kennen. Vaak is ze zichtbaar trots op hun veerkracht. Even hard baalt ze van de manieren waarop het jeugdzorg-, detentie-, of daklozensysteem hen perspectiefloos en klein heeft gehouden en extra trauma’s heeft bezorgd. Elke keer dat discussies neigen naar een hard of plat oordeel over mensen die aangewezen zijn op liefdadigheid, komt ze voor hen op.

Daarna vertelt Mahamed zijn verhaal. Hoe hij al jong schulden opbouwde en op niemand kon terugvallen. Die schulden kostten hem natuurlijk nog veel meer, waardoor het bedrag opliep tot hoge bedragen. Nog altijd is Mahamed aan het terugbetalen en vloeit het grootste deel van zijn inkomen naar een bewindvoerder. Smit haakt hierop in door de opening voor te lezen van Jamal Oulels boek De Schuldenfabriek, die uitlegt hoeveel geld er verdiend wordt aan schulden. Weer volgt een verdiepend gesprek, vooral over het schuldensysteem.

Terwijl de acteurs met teksten aan de slag gaan, zoekt Schmitz buiten een plekje in de zon met Saleming om haar meer input te geven over de jongeren. Eerst benoemt ze alle afspraken die ze met hen heeft gemaakt. Ze benadrukt haar vertrouwensband met hen en dat ze PS Vertelt toestemming hebben gegeven om hun verhalen te bewerken tot fictieve verhalen.

Bij elke nieuwe naam beschrijft ze zorgzaam de uitstraling en energie van de jongere. Ook haalt ze specifieke bewoordingen aan. ‘De stofwolk is gaan liggen’, zei iemand om te beschrijven wat Het Bouwdepot voor zijn gemoedsrust heeft betekend. Van een ander herinnert ze zich nog goed de zin: ‘Ik eet liever een week niet, dan dat ik de schulden in ga.’ Daarna behandelt ze specifieke conclusies en zorgen die onder de jongeren leven nu Het Bouwdepotjaar is afgelopen. Jongeren zijn voortdurend op zoek naar de balans: waar heb ik zelf fouten gemaakt en waar ben ik in de steek gelaten?

Tot slot biedt ze Saleming de mogelijkheid om met de jongeren door te werken op specifieke invalshoeken. Dat past goed bij de aanpak van de schrijfster, die haar teksten als een soort voorzet aanbiedt aan acteurs. Zij mogen zich die vervolgens eigen maken, waarna Saleming er weer mee verder gaat. De schrijfster geeft aan dat ze het op prijs zou stellen als jongeren meewerken aan het vormgeven van de fictieve verhalen.

12 maart 2026 – Een week later zit de groep, zonder schrijver dit keer, weer in een kring in de raamloze studio. Ze behandelen veerkracht aan de hand van persoonlijke voorbeelden, in veel detail, soms heel schrijnend en zwaar. Hoe kan het ene gezinslid uit dezelfde omstandigheden toch iets moois uit het leven halen, terwijl het andere aan lagerwal raakt? De verschillen tussen mensen zijn heel groot – in hoeverre ligt vast wat trauma met een mens doet?

Voor de lunch gaan ze nog even de vloer op. In de tussenliggende makersdagen is het thema ‘hulp’ opgekomen: wanneer geef je hulp? Hoeveel moet je daarvoor over iemand weten? Tijdens een organische improvisatie ontstaat een situatie waarin drie acteurs praten over Mahamed, die apathisch op de grond zit na een worsteling. Geleidelijk verandert zijn rol in die van ‘bedelaar bij de supermarkt’. Het drietal tilt hem gezamenlijk op en draagt hem een stukje. Dan is het tijd voor lunch.

Schmitz benadert Smit direct met een zorg: dat beeld van de bedelaar leidt af. Na de lunch bespreekt zij dit ook met de acteurs. ‘Ik raakte gefrustreerd dat telkens dat bedelaarsbeeld opkwam. Het klopte niet dat dat voorbeeld werd gebruikt om situaties mee aan de kaak te stellen en het moreel kompas te toetsen.’ Het team realiseert zich na haar ingreep iets belangrijks: ‘Dat is juist precies het probleem: deze jongeren zie je niet. Die staan niet te bedelen en vragen niet om hulp. Logisch dus dat ze niet in de acteurs opkomen tijdens een improvisatie. Deze jongeren zijn onzichtbaar en hun wens is om gezien te worden.’

Er volgt een gesprek over het dilemma waar elke sociaalartistieke theatermaker wel eens mee worstelt: het luisteren naar jongeren en het delen van hun verhalen is één ding. Maar wat als één van hen ineens op de stoep staat? Nodig je ze dan uit voor een maaltijd? Misschien, maar bied je ze een kamer aan? Schmitz: ‘Ik weet dat het goede mensen zijn, maar dat gaat me toch weer te ver. Wat kun je verwachten van het publiek, als we dit zelf al lastig vinden?’

April 2026 – In april checken Schmitz en Smit nog een laatste keer in om terug te blikken op de makersdagen. Smit krijgt intussen wekelijks berichten van de acteurs, die onophoudelijk nieuwe realisaties hebben over het thema: de missie om hun betrokkenheid te vergroten is geslaagd. Wel miste hij achteraf de fysieke aanwezigheid van de jongeren. ‘We kunnen hen niet bij het maakproces betrekken, maar de organisaties die we benaderen voor het impactprogramma, hebben wel jongeren aangedragen, die iets zouden willen doen. Ik realiseerde me te laat dat wij hen al in deze week hadden kunnen uitnodigen.’

Desondanks zijn Smit en Schmitz blij dat zij tijdens de makersdagen de jongeren kon vertegenwoordigen. Mahameds verhaal laat zowel overeenkomsten als verschillen zien met hun verhalen, die kon Schmitz aan het licht brengen. Ook vanwege de realisatie rondom de onzichtbare hulpvraag van deze jongeren, vindt ze het waardevol dat ze de makersdagen kon bijwonen vanuit een jaar liefdevol investeren van tijd en persoonlijke aandacht.

In de tussentijd heeft ze met de regisseur, schrijver en dramaturg verder uitgewerkt hoe de verhalen vorm krijgen in de voorstelling. ‘Voordat de voorstelling begint, ontdekt het publiek hoe de achttiende verjaardag er voor de jongeren uitzag, bijvoorbeeld via een audiotour of foto-expositie. Tegelijkertijd laten we het publiek reflecteren op hoe voorbereid zij zelf waren op het moment dat zij verantwoordelijk werden voor die ‘Big Five’: konden ze rekenen op familie, hadden ze hun woonplek, studie en inkomen op orde en voelden ze zich goed? Zo denken we direct tot de kern te kunnen komen voor inlevingsvermogen bij het publiek.’

Op basis van deze affiniteit komt de bezoeker terecht bij één van de Big Five-thema’s. Binnen de voorstelling zullen ze aangespoord worden om te onderzoeken wat ze zouden kunnen doen op dat aandachtsgebied. ‘Een soort denktank’, noemt Schmitz het. Tijdens een spin-off programma, dat een maand na de voorstelling plaatsvindt, zal publiek die ideeën verder uitwerken, begeleid door bijpassende sociale organisaties. Binnenkort houdt PS Vertelt een verkennende bijeenkomst met deze organisaties, om te bepalen hoe ze dit zodanig kunnen vormgeven dat die er ook echt mee geholpen zijn.

Foto Pepijn Smit

Schuld speelt in november 16 keer in Leiden. Vervolgens toert de voorstelling in een compactere vorm in 2027 langs theaters, ministeries, gemeentes, onderwijsinstellingen en het maatschappelijk middenveld.

Dossiers

Theaterkrant Magazine juni 2026

Plaats reactie

Reacties moeten voldoen aan onze huisregels.

Uw e-mail adres zal niet gepubliceerd worden. Alle velden zijn verplicht.