Bij het diverser en inclusiever maken van theater denken we vaak in de eerste plaats aan voorstellingen. Maar welke rol spelen theaters? Theatermaker vroeg drie theaters met een sterk uiteenlopend profiel naar hun werkwijze. ‘Als wij koken, eet niemand het op, maar als een Surinaamse kok kookt bij de Surinaamse voorstelling, dan vliegt het weg.’

Welbeschouwd leven we in een gevaarlijke wereld waar we bijzonder weinig van begrijpen. Om te overleven hebben we verhalen nodig die de wereld inzichtelijk en overzichtelijk maken. Zo vertelden mensen elkaar lang geleden dat de onbegrijpelijke natuurkrachten eigenlijk goden waren. Die verhalen zijn langzaamaan ontwikkeld tot wat we nu natuurkunde en biologie noemen. Een constante daarbij is overigens dat we steeds neerkijken op wat men vroeger geloofde. We weten het nu zogenaamd beter. In feite hebben we vooral onze verhalen beter ontwikkeld. Wat gebleven is, is dat we het nodig hebben om die verhalen te vertellen en om erin te geloven.

De belangrijkste verhalen, de oerverhalen hebben te maken met onze achtergrond, onze cultuur en onze religie. Daar ontlenen we onze identiteit aan. Dat zijn de verhalen die de dingen ‘verklaren’ die we niet logisch of wetenschappelijk kunnen bevatten. Die cultuur, die religie vormt ons houvast. Iedereen die jouw religie, jouw oerverhaal in twijfel trekt, doet een aanslag op jouw bestaan en het is niet eens zo heel verrassend dat mensen daar soms heel gewelddadig op reageren.

Het theater is bij uitstek de plek om verhalen te vertellen, om te definiëren of om opnieuw vast te leggen wie we zijn en hoe we ons tot elkaar en tot onszelf verhouden. Daarbij moet je niet alleen denken aan de inhoud van die verhalen, maar ook aan de manier waarop ze worden verteld, met tekst, dans en muziek. Zelfs uitvoerend kunstenaars uit jouw cultuur die het ‘helemaal anders’ doen, putten uit dezelfde bron en wij kunnen ook alleen begrijpen en waarderen wat ze vertellen en hoe ze het vertellen, als we, bijna instinctief, weten dat ze zich baseren op dezelfde verhalen en dezelfde manier van vertellen als hun meer traditionele voorgangers.

Komen jouw oerverhalen uit een andere religie of een andere cultuur en worden ze al heel lang verteld op een andere manier, dan moet je veel overwinnen om te kunnen genieten van verhalen die daar niet uit putten. Chinese opera is voor een Europeaan best een opgave (of zoals de Engelsen zeggen: an acquired taste). Het is alleen al daarom niet zo gek dat het publiek in Nederlandse theaters vooral bestaat uit mensen met een West-Europese achtergrond; omdat het programma grotendeels gebaseerd is op West-Europese verhalentradities.

Hassan Mahamdallie is chief officer for diversity van de Arts Council in Engeland. Hij sprak onlangs op een symposium over publiekswerk in Corrosia Almere en hij schetste de situatie in het Verenigd Koninkrijk. Onder theaterbezoekers is de leeftijdsgroep van 65 – 74 jaar het best vertegenwoordigd. De gemiddelde leeftijd stijgt al jaren en is nu 52 jaar. Van die bezoekers is 92 procent wit en de meeste bezoekers hebben een goede opleiding gehad en verdienen een bovengemiddeld salaris.

Er zijn ongetwijfeld verschillen tussen Nederland en Engeland, maar, getuige de reactie van de Nederlandse deelnemers aan het symposium is de situatie in Nederland niet veel anders. Mensen met een migratieachtergrond zijn ruimschoots ondervertegenwoordigd, zowel op het podium als in de zaal.

Sinds een jaar of twee is mijn bureau als theateradviseur betrokken bij het ontwerp en de bouw van een nieuwe huisvesting voor Theater Zuidplein. Dit Rotterdamse theater is bij uitstek gericht op een cultureel diverse programmering en een divers publiek. Bij overleg met dit theater over de nieuwbouw bleek al snel dat het beleid niet alleen gaat over programmering, marketing en personeel, maar dat het ook gevolgen heeft voor het zaalontwerp en de theatertechniek.

Ik wilde eens kijken wat we kunnen opsteken van theaters die het goed doen bij het aantrekken van een divers publiek. Ik sprak met Clayde Menso, directeur van Amerpodia (Compagnietheater, Rode Hoed, De Nieuwe Liefde en Felix Meritis) in Amsterdam, met Henk Scholten, directeur van het Zuiderstrandtheater in Den Haag en met Emmelien Matthijsse en Arnold Vollebregt, respectievelijk algemeen directeur en directeur bedrijfsvoering van Theater Zuidplein.

Het aantrekken van een cultureel divers publiek is niet verplicht. Dat was het voor het laatst toen Rick van der Ploeg staatssecretaris van Cultuur was. Scholten herinnert zich: ‘Toen werkte ik in Utrecht. Ik kreeg het verwijt dat ik het braafste jongetje van de klas was. Beetje flauw, omdat ik al jarenlang bezig was met diversiteit. Wat je zag, is dat er onder Van der Ploeg een kleine opleving was, maar na zijn vertrek was het gelijk over. Het moet uit jezelf komen, je moet een innerlijke overtuiging hebben dat diversiteit belangrijk is. Anders krijg je geen duurzaam beleid.’

Menso is niet tegen een stimulans om een meer divers beleid af te dwingen, maar hij onderschrijft dat dwang alleen niet werkt: ‘Er is een “code diversiteit”, maar er is geen verplichting. Dat zou best wat dwingender mogen zijn, maar dwang is niet de oplossing. Echte verandering komt van binnenuit.’

Er is misschien gewoon een gebrek in het aanbod aan voorstellingen dat de schouwburgen kunnen programmeren. Dat zou te maken kunnen hebben met de manier waarop subsidies worden toegekend. Menso: ‘Toen ik directeur was van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst, kreeg ik de vraag of we de criteria zouden moeten veranderen om diversiteit te bevorderen: moesten plannen nog wel worden beoordeeld op originaliteit, vakmanschap, oorspronkelijkheid en zeggingskracht? Ik heb toen gezegd: met die criteria is niks mis, maar je moet wel in staat zijn om ze te beoordelen. Dat wordt lastig als iemand met een voorstel komt dat eigenlijk buiten je eigen referentiekader valt.’

Scholten voegt daaraan toe: ‘Het criterium wat er altijd bij kwam, is vernieuwing. Maar hoe moet je vernieuwing beoordelen als je het niet herkent? Je moet zijn ingevoerd in een cultuur om te kunnen beoordelen of er sprake is van vernieuwing. De vernieuwing die wel erkend werd had altijd alleen betrekking op de eigen canon. De commissieleden zijn opgevoed met een bepaald kwaliteitsbegrip waarin kwaliteit autonoom is en losstaat van de interactie met het publiek. In de jaren negentig was het not done om te melden dat het publiek een functie had. Dat is nu wel anders, gelukkig.’

Theater Zuidplein heeft een eigen aanpak om het gebrek aan aanbod te ondervangen. Matthijsse: ‘Wij maken naast onze reguliere programmering eigen producties. We gebruiken die ook voor talentontwikkeling. Onze reguliere programmering is voor de helft onze eigen programmering en voor de andere helft gastprogrammering. De gastprogrammering wordt ingevuld door mensen aan wie we de zaal ter beschikking stellen voor hun eigen programma. Onze gasten betalen niet voor de zaal, maar alleen voor personeel en techniek. We bieden ook de mogelijkheid aan om zelf de catering te regelen. Dat werkt veel beter. Als wij koken, eet niemand het op, maar als een Surinaamse kok kookt bij de Surinaamse voorstelling, dan vliegt het weg. We bieden dus op alle vlakken maatwerk aan.’

‘Bij onze eigen programmering zijn we gericht op voorstellingen die ingaan op stedelijke vraagstukken, op onderwerpen van nu. De vraag is: hoe komen we in gesprek? Daar zijn onze programmeurs mee bezig. En ze doen zelf de marketing. Zo leren onze programmeurs te denken vanuit de doelgroep waar ze voor programmeren. Je zou kunnen zeggen: u vraagt, wij draaien, en in zekere zin is dat ook zo. We werken vanuit de overtuiging dat we een rol moeten spelen in de stad. Voor onze jonge makers is sociaal-maatschappelijke betrokkenheid van belang. Dat uit zich ook in onze randprogrammering. We vinden dat belangrijk, omdat we merken de gesprekken die we hier organiseren heel anders klinken dan de discussies op sociale media: opener voor andere voorkeuren en smaken.’

Dat aanbod is, om met Scholten te spreken, ‘monocultureel divers’. Hij zegt daarover: ‘We zijn begonnen met het benaderen van de migrantengemeenschappen in Den Haag en we hebben gevraagd wat zij graag zouden zien in ons theater. Daarnaast vragen we gastprogrammeurs uit die gemeenschappen om ons te helpen bij de programmering. Ik heb geen verstand van Bollywood, maar de Hindoestaanse gemeenschap wel en die programmeur kent ook het publiek.’

‘We vieren ook alle niet-westerse feestdagen, zoals Divali, het Hindoestaanse feest van het licht, of het Suikerfeest. Als mensen zich bij ons thuis voelen, komen ze vaker. Vorig jaar hadden we het Chinese circus. Die bezoekers kwamen nu ook naar een Chinese balletvoorstelling.’

‘Nu we de verschillende gemeenschappen goed hebben leren kennen, beginnen we ook met multiculturele diversiteit. Zo hadden we het koor Young @ Heart. Een koor van ouderen uit Amerika. Daar komt niet iedereen op af. We hebben een projectkoor georganiseerd met honderd amateurzangers uit de hele stad. Een divers koor van alle leeftijden, kleuren en sociale achtergronden. Door ons beleid kennen we veel gemeenschappen, dat maakt het gemakkelijk om mensen te benaderen. Het werd een groot succes.

‘Ander voorbeeld is een programma met Turks-Afrikaanse jazz, samen met Eric Vloeimans. Daar komen niet alleen Turks-Afrikaanse bezoekers naartoe, maar ook jazzliefhebbers met een Nederlandse achtergrond.’

Diversiteit in programmering is niet voldoende. Je moet ook iets doen aan je organisatie. Het divers maken van je organisatie is volgens Menso een kwestie van lange adem. ‘Het moet in het dna van de managers zitten. Je moet namelijk meer je best doen om mensen te vinden die niet in je eigen netwerk zijn vertegenwoordigd.’ Volgens Scholten gaat het ook om het doorbreken van gewoontes. ‘Je kunt voor horecapersoneel standaard zoeken onder HBO-geschoolde mensen, maar dat bevordert de diversiteit niet bepaald. Als je het MBO er ook bij betrekt, dan gaat dat veel beter.’

Dat ziet Theater Zuidplein ook. Vollebregt: ‘Wij zijn een groot leerwerkbedrijf en we hebben tientallen stagiaires per jaar. Dat zijn vooral MBO-leerlingen en die blijken vaak heel praktisch ingesteld.’ Doelstelling is om het personeel, vrijwilligers en leerlingen een afspiegeling te laten zijn van het verzorgingsgebied. Scholten zegt daarover: ‘Onze technici zijn gewend aan het begeleiden van het NDT. Dat stelt hoge eisen aan hun technische vaardigheden, maar het werk volgt min of meer een vast protocol. Als er gezelschappen binnenkomen die ’s ochtends nog niet precies weten in welke volgorde de voorstelling ’s avonds zal worden gespeeld dan is dat best lastig. Dat vergt wat van je mensen.’

Matthijsse: ‘Mensen voelen zich welkom bij ons. Daar begint het mee. We horen van gezelschappen: “Wij zijn in sommige theaters het enige niet-westerse programma. En als wij komen, worden de foto’s gemaakt voor de jaarbrochure. Hier bij jullie voelen we ons echt thuis.” Wij hebben in ons theater geen etiquette waaraan mensen zich moeten houden. Wij proberen ons open op te stellen voor onze gasten. Een pauze hoeft bij ons geen twintig minuten te duren en mensen hoeven niet stil naar de voorstelling te kijken. We stellen wel grenzen. We hebben ooit een gezelschap gehad dat wilde dat mannen en vrouwen apart zouden zitten in de zaal. Dat staan we niet toe.’

Is het dan vooral een kwestie van marketing? Vrijwel ieder theater heeft een afdeling marketing en PR, maar die naam is misleidend. Professionele marketing is gebaseerd op onderzoek en dat is iets wat maar heel weinig theaters doen. Een van de marketingafdelingen zei daarover vijf jaar geleden: ‘We doen eens in de vijf jaar een publieksonderzoek, maar daar komen zelden verrassingen uit.’ Vollebregt: ‘Wij doen in ons theater veel publieksonderzoek en we gaan ook actief op zoek naar informatie bij groepen die nog niet bij ons komen. Alleen zo komen we erachter wat mensen prettig vinden en wat we kunnen verbeteren.’

Menso: ‘Amerpodia doet het zonder een cent subsidie, dus ik moet geld verdienen met de programmering. Tegelijk heb ik de opdracht om “de theaters terug te geven aan de stad”. Die doelstelling is een mooi ideaal, maar dat kan ik alleen verwezenlijken als ik er ook echt voor de hele stad ben. Alleen dan trek ik volle zalen. Dat doen we op heel veel manieren en met heel veel partners. Door onverwachte combinaties te maken, trekken we ook een onverwacht publiek aan. Laatst hadden we nog een zaal met liefhebbers van fotografie en film, samen met de complete F-side van Ajax. Ik denk dat een groot deel van die laatste groep nog nooit bij ons binnen was geweest.’

Bij het ontwerp van Theater Zuidplein blijkt dat het programmeren voor een meer divers publiek ook gevolgen heeft voor het gebouw en de theatertechniek. Matthijsse: ‘Onze zalen moeten superflexibel zijn. We willen onze gasten maximale vrijheid geven in de manier waarop ze voorstellingen geven en beleven. Daarom hebben we naast onze min of meer traditionele grote zaal en kleine zaal ook een ruimte in de entreehal waar voorstellingen en concerten zullen komen. We denken dat die een belangrijke rol zullen spelen.’ Vollebregt vult aan: ‘Theatertechnisch zijn we geen doorsnee theater. Gezelschappen die hier komen hebben meestal geen compleet uitgewerkt lichtplan of geluidsontwerp. De dag dat ze spelen, wordt ook uitvoerig gerepeteerd en dat biedt weinig tijd voor het maken of uitvoeren van een ontwerp. Toch stellen ze hoge eisen aan hoe het eruit ziet en hoe het klinkt. Onze technici zijn daar heel goed in, maar ze hebben wel een hoogwaardige en flexibele installatie nodig om mee te werken.’

Scholten: ‘Wij zijn nu het OCC aan het bouwen, het nieuwe Onderwijs- en Cultuurcomplex op het Spui in Den Haag. Dat theater moet net zo gastvrij zijn als het Zuiderstrandtheater. De architect zegt dat sommige ruimtes neutraal moeten zijn. Hij bedoelt daarmee beton, glas, staal, wit en grijs. Ik zei tegen hem: “Loop hier eens het pand uit, ga links en loop tweehonderd meter door. Dan sta je in Chinatown. Ga daar eens vragen wat ze verstaan onder neutraal”.’

foto Hans Hordijk