Scenograaf Peter de Kimpe werkte als ontwerper van Jos Thie en was de grondlegger van de scenografieopleiding van de Amsterdamse Theaterschool. Hij gaat daar nu met pensioen, om zich weer te gaan wijden aan het ontwerpen.

Het is mooi geweest. Negen jaar heeft Peter de Kimpe leiding gegeven aan de opleiding Scenografie aan de Amsterdamse Theaterschool, die hij in 2007 heeft opgezet. ‘Ik heb de pensioengerechtigde leeftijd en nu stap ik terug,’ zegt hij met de bedachtzame manier van formuleren die hem typeert. Hij is blij met zijn opvolger Bart Visser, die de opleiding nu al samen met hem leidt. ‘Het is tijd voor een nieuwe generatie. Ik verlang ernaar om anders met mijn tijd en energie om te gaan. En om weer terug te keren naar de bron: het ontwerpen.’

In het Amsterdamse café waar De Kimpe graag afspreekt, wijst hij naar de kleur van de muur en de tafeltjes. ‘De kleuren hier heb ik al eens als basis gebruikt voor een tentoonstellingsontwerp.’ Aan het vormgeven van voorstellingen is hij met zijn baan als artistiek leider te weinig toegekomen. Maar het afgelopen decennium is hij grote tentoonstellingen gaan inrichten. ‘Dat is nogal uit de hand gelopen,’ lacht hij. De expositie Munch – Van Gogh was begin dit jaar zijn twaalfde tentoonstelling voor het Amsterdamse Van Gogh Museum. En met de Neue Galerie in New York, die tentoonstellingen maakt met als vertrekpunt haar privécollectie Oostenrijkse en Duitse schilderkunst (o.a. Klimt, Schiele, Klee, Kandinsky) heeft hij onlangs afgesproken dat hij er de komende tien jaar voor blijft werken. Dus met pensioen gaat deze vormgever niet bepaald.

Zijn scenografiestudenten heeft hij regelmatig meegenomen naar het Van Gogh voor een inkijkje in zijn werkzaamheden daar. ‘Een tentoonstelling maken is teamwerk, net als bij het theater: je werkt samen met een lichtontwerper, met de curator van de tentoonstelling, met bouwers, technici en transporteurs. Maar omdat het ontwerpproces bij tentoonstellingen vrijwel identiek verloopt, kun je goed zien wat iedere individuele ontwerper toevoegt.’ Bijzonder is dat het Van Gogh Museum op een bepaald moment theatermakers is gaan binnenhalen voor voorstellingen in combinatie met tentoonstellingen. De Kimpe werkte daarbij samen met Krisztina de Châtel, met Marina Abramović en haar Performance Group en met Olivier Provily. ‘Die cross-over tussen het theater en beeldende kunst is heel spannend. Mijn stokpaardje is dat theatervormgeving over beeldende kunst gaat; in zo’n situatie is dat een natuurlijk gegeven.’

Hoe draagt de opleiding Scenografie uit dat theatervormgeving in wezen kunst is?

De Kimpe: ‘Het is niet in wezen kunst, het ís kunst. We leiden niet op tot autonoom kunstenaar, maar binnen de podiumkunsten heeft het beeld een steeds prominentere plek gekregen. Het brengt een extra betekenislaag aan, die er niet al dik bovenop ligt in de tekst, met een eigen esthetiek en met materiaal dat voor zichzelf spreekt. En ik vind het verrassend dat dit standpunt door jonge mensen zo goed en gemakkelijk wordt ingenomen. Met de studie proberen we daar iets aan bij te dragen. Het eerste jaar staat in het teken van kijken, waarnemen, observeren. Naast de ontwerpvakken krijgen ze theater- en kunstgeschiedenis, kunstbeschouwing en filosofie; een theoretische basis voor het vak. We maken studiereizen om musea, architectuur en theater te bekijken en gaan in het vierde jaar naar New York, waar de studenten contact hebben met de culturele ambassade, met kunstonderwijsinstituten, met musea, operagezelschappen en theaters.’

En hoe zit het met de vakmatigheid van het ontwerpen? Leert een theatervormgever tegenwoordig nog timmeren of maquettes bouwen?

‘Wij krijgen hier vooral mensen van flink in de twintig, die de digitale technieken al grotendeels beheersen. Er zijn studenten bij die binnen twee weken een ontwerpprogramma op de computer beheersen waar ik in mijn leven niet meer aan toekom. In een eerste jaar kun je er niet omheen dat een ontwerper ook gereedschap moet leren hanteren. Dat wordt door ons decoratelier geweldig aangeleerd, zodat er geen vingers worden afgezaagd of stellages omvallen. Maar de techniek mag nooit de overhand hebben. Het ontwerpen, en de houding van een ontwerper, díe moeten worden gestimuleerd. De vakmatige kant wordt stap voor stap meegenomen in deze beeldende ontwikkeling. Ik heb aan onze grote ontwerpblokken een zogenaamde bauprobe toegevoegd. Dat wordt in Duitsland altijd gedaan, en je ziet het de laatste jaren ook opkomen bij de grote gezelschappen. Vóór een ontwerp in productie wordt genomen, wordt het eerst één op één opgebouwd in een zaal. In rudimentaire vorm, en met het materiaal dat voorhanden is. Om aan de acteurs en de technici te laten zien: dit gaan we bouwen, dit is de ruimte. Zo worden studenten zich vanaf het eerste studiejaar bewust van wat een model – of het nou op papier is of op de computer in 3D – doet in de realiteit. Zodat het niet een soort poppenhuisgedoe blijft, maar je de ruimtelijkheid ervaart, in de werkelijke verhoudingen. Dan zie je wat je aanricht.’

Vond je het eigenlijk moeilijk om de scenografieopleiding op te zetten?

‘Nee. Ik weet niet of mijn verlangen om zo’n opleiding te starten groter was dan mijn persoonlijke verlangen om te ontwerpen. Als je aan zoiets begint, dan weet je dat het ene ten koste zal gaan van het andere. Er zit ook een managementtaak aan vast die aan mij niet altijd besteed is. Ik ben van snelle stappen, dus dat is wel eens een bron van eh… meningsverschil. Maar het is enorm interessant om het vakgebied, waar ik té veel van houd, verdergaand te ontwikkelen. In de volle breedte, want scenografie laat zich absoluut niet beperken tot de podiumkunsten. Het beslaat een groot terrein, van performances en tentoonstellingen inrichten tot en met grote festijnen opzetten. Het raakt aan architectuur, en het kan ook autonome kunst zijn. Er zijn allerlei mensen uit het veld bij de opleiding betrokken: voor de vierentwintig studenten die er in totaal rondlopen, zijn er wel vijftig vakdocenten aangetrokken. Het is een luxe dat we voor zes studenten per jaargang een heel studieprogramma kunnen draaien, waardoor er ruimte is voor hun individuele ontwikkeling.’

Het was niet vreemd dat juist Peter de Kimpe werd gevraagd om bij de Amsterdamse Theaterschool een scenografieopleiding op te starten. Als theatervormgever had hij naam gemaakt met de indrukwekkende locatievoorstellingen die hij met regisseur Jos Thie realiseerde: Peer Gynt (in de duinen van Terschelling), Abe (in het voetbalstadion van Heereveen) en Orfeo Aqua (op het water van een Fries meer). Daarvoor droeg hij met zijn decorontwerpen voor onder andere het Ro Theater al uit dat theatervormgeving niet alleen iets ruimtelijks is, maar ook een beweging behelst in de tijd. De Kimpe doceerde jarenlang theatervormgeving aan de Regieopleiding en had bovendien aan de Minerva Academie in Groningen een studierichting Scenografie opgezet en geleid. Zo’n opleiding opzetten binnen een theaterschool bood nieuwe mogelijkheden, waarover De Kimpe met vuur kan praten. ‘De vraag kwam van Cornelis Nooteboom, toen adjunct-directeur van de Amsterdamse Theaterschool en de drijvende kracht achter het gebouw aan de Jodenbreestraat, waar alle bestaande theateropleidingen bij elkaar werden gebracht. Dat is een geniaal gebouw, waar eigenlijk alles kan. Vanaf dag één kunnen onze studenten samenwerken met de andere theaterdisciplines die daar in huis zitten. Binnen onze opleiding is veel ruimte om te sparren, zodat de studenten zich bewust worden van de meerwaarde die een samenwerking met een geluidsontwerper, een lichtontwerper, een regisseur of een choreograaf kan opleveren. Doordat onze studenten tijdens de opleiding met wisselende regiepartners werken, kunnen ze uitzoeken waar hun voorkeuren liggen en in wat voor team hun eigen visie het beste tot uiting komt. Je ziet bij hen een behoefte om daarin echt te experimenteren. Om te onderzoeken hoe een theatraal beeld een wereld kan bieden waarin een regisseur gedijt. Dat wil niet zeggen dat het altijd goed gaat, maar er ontstaan bijzondere dingen. Een laatste move die we hebben gedaan is om met vier opleidingen in een creative team te gaan samenwerken: Regie, Scenografie, Productie podiumkunsten en Techniek & theater. Omdat die vier opleidingen zich al langer intensief tot elkaar verhielden. En wij vinden dat het heel erg van deze tijd is om op die manier met onderwijs om te gaan.’

Een boek, bedacht en samengesteld door De Kimpe, Judith Wendel en Sabien Schütte, markeert zijn afscheid als artistiek leider. De kracht van het theatrale beeld is een ode aan elf theatervormgevers uit binnen en buitenland, aan de hand van elf begrippen. Toen De Kimpe en Wendel jaren geleden in New York dineerden bij restaurant Eleven Madison Park, zagen ze die begrippen daar op de keukenmuur staan, als leidraad en inspiratie. In het (tweetalige) boek worden die Engelstalige begrippen gebruikt om een associatief beeld te schetsen van wat theatrale vormgeving in deze tijd is en kan zijn. Bij elk begrip is een vormgever gezocht die via fotopagina’s wordt geëerd – zoals de Duitse decorontwerpster Katrin Bombe, de Franse lichtontwerper Jean Kalman, de Zuid-Afrikaanse multikunstenaar William Kentridge en uit Nederland bijvoorbeeld kostuumontwerper Carly Everaert, decorontwerper Marc Warning en het beeldenmakerscollectief LABland – en een auteur die er een korte tekst over schreef. De begrippen zijn: cool, forward-moving, light, collaborative, vibrant, inspired, endless reinvention, fresh, adventurous, spontaneous en innovative.

Het is een mooie manier om iets te zeggen over een vakgebied dat voortdurend in beweging is. En dat op De Kimpes opleiding zo min mogelijk wordt gedefinieerd. ‘Ik denk dat je dat definiëren met elkáár moet doen. De toekomst van de scenografie wordt gevormd door de jonge generatie zelf. Die nieuwe werkverhoudingen zoekt, zonder al te veel hiërarchie, vanuit de gedachte: wat kunnen wij elkaar bieden binnen de totaliteit van een project. En dat kunnen wij vanuit ons onderwijs maar beter ondersteunen, met alle kennis en ervaring die we in huis hebben.’

Daar gaat zijn opvolger nu mee verder. De Kimpe gaat tentoonstellingen maken en wellicht weer eens een locatievoorstelling op touw zetten met Jos Thie. En een nieuw boek samenstellen over zijn uitdijende verzameling gevonden voorwerpen. Objecten die hij zomaar ergens heeft aangetroffen, en die met de vindplaats erbij een verhaal oproepen. ‘Stel je eens voor: op een dijk langs het water ligt een kinderbrilletje waar iemand overheen heeft gereden.’ Een locatie, een moment in de tijd, een beeld dat een drama bevat – zelfs als hij in z’n eentje door de wereld loopt, blijft een theatervormgever een theatervormgever.

foto Luuk Kramer