In drie grote steden ontstonden in de afgelopen periode grote instellingen uit fusies van schouwburgen en gezelschappen: Theater Rotterdam, Het Nationale Theater in Den Haag en Internationaal Theater Amsterdam. In een deel van de sector is nogal wat wantrouwen te bespeuren tegen deze schaalvergroting. Luc de Groen onderzocht zijn eigen onderbuikgevoel.

Wanneer ik het nieuws van nog een grote fusie lees, dan beginnen er bij mij al snel alarmbellen te rinkelen. Ik bekijk fusies vaak met een groot wantrouwen en een kwaadaardig stemmetje in mijn achterhoofd fluistert ‘dat dit wel weer ten koste zal gaan van de kleinere instellingen’. Nu moet ik toegeven dat ik in mijn praktijk nauwelijks met deze grote instituten te maken heb, en ik argwanend kan zijn zonder dat ik daar in mijn dagelijks leven al te veel mee hoef te doen.

Hoog tijd dus om mijn eigen onderbuikgevoel onder de loep te nemen. In dit artikel zal ik proberen de argumenten boven te krijgen die onder mijn wantrouwen liggen.

Vervolgens zal ik kijken welke argumenten er juist vóór fusies spreken. Ik ga me daarbij niet richten op de concrete casus als Rotterdam, Amsterdam of Den Haag. Hoewel het ook belangrijk is dat per fusie wordt gekeken hoe het gaat en wat de gevolgen zijn op microniveau, heb ik in de voorbereiding voor dit artikel gemerkt dat het daar nog te vroeg voor is. De fusies in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam bestaan hooguit een paar jaar. Er is dus ook domweg nog niet zoveel te zeggen over de effecten die het samengaan met zich meebrengt. In plaats daarvan wil ik kijken naar de beloften die de fusies in zich dragen. Als we zo doorgaan, hoe ziet het theaterlandschap er dan over twintig jaar uit?

De sector op slot

Om het wantrouwen goed te begrijpen is het eerst nodig om de ontwikkeling te schetsen waarbinnen ik de fusie zie; een tendens in het kunstbeleid om te centraliseren. Deze ontwikkeling heeft zich onder andere gemanifesteerd in het optuigen van een basisinfrastructuur (BIS), waar (als we het even beperken tot het theatergedeelte), negen theatergezelschappen, negen jeugdtheatergezelschappen en sinds de huidige beleidsperiode ook drie productiehuizen en vier festivals deel van uitmaken. Dat wil zeggen dat deze gezelschappen, huizen en festivals, verspreid over het land een cruciale functie vervullen in het theaterveld en daarvoor direct subsidie ontvangen van het ministerie van OCW.
Het beleid is bedoeld continuïteit te bewerkstelligen: hoe het ook rommelt in de theaterwereld (bijvoorbeeld door bezuinigingen), de negen grootste gezelschappen, het geheugen en de ruggengraat van de sector, blijven functioneren.

Buiten de landelijke BIS is er in de steden een vergelijkbare ontwikkeling zichtbaar. Zo heeft Amsterdam haar eigen BIS, de A-BIS, waarin de voor Amsterdam onontbeerlijke culturele instellingen zijn opgenomen. Ook op stedelijk niveau is het belangrijk dat er instellingen zijn die de continuïteit bewaren.

Deze context is van belang, omdat de fusies in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam mij voorkomen als een volgende stap in deze ontwikkeling. Hoewel de aard en redenen achter fusies divers zijn, roepen ze alle drie het beeld op van het ‘centrale instituut’: een instelling die de basis van het (zowel landelijke als stedelijke) theaterlandschap vormt.
Dit centrale instituut is de bron van mijn wantrouwen. Hoe belangrijk ik geheugen en ruggengraat en een minimum aan continuïteit en stabiliteit ook vind, met te veel continuïteit en stabiliteit ontstaat er verstarring en stilstand. Concreet bedoel ik daarmee dat de rek uit de sector gaat: er vloeien onevenredig veel middelen naar één instelling, met drie belangrijke problemen tot gevolg: de ruimte voor vernieuwing verkleint, de kritiek verstilt en het aantal poortwachters neemt af.

De eerste kwestie ligt het meest voor de hand: hoe groter de instelling, hoe minder ruimte er nog ‘open’ is. In eerste instantie gaat dat over de ruimte voor nieuwe theatermakers, die met nieuwe ideeën het helemaal anders gaan doen. Maar het geldt ook voor de organisatorische ruimte voor vernieuwing. Met die nieuwe theatermakers komen namelijk ook nieuwe manieren om organisaties in te richten en te leiden. Zij zijn de nieuwe wind die om de zoveel tijd de theatersector inspireert om de boel eens rigoureus om te gooien, maar waarvoor nu minder ruimte overblijft.

Minstens zo belangrijk als de ruimte voor vernieuwing, is de ruimte voor kritiek. Kritiek op de artistieke kwaliteit, op de manier waarop een organisatie is ingericht, op de positie die een organisatie inneemt. Deze kritiek staat op twee manieren onder druk wanneer één instelling een centrale plek in het veld inneemt. Ten eerste omdat er domweg minder andere instellingen zijn om de organisatie te bekritiseren. Maar veel geniepiger is, dat bij een centraal instituut de kritiek ook een stuk minder gevaarlijk is. Wanneer een instelling geen enkele vrees heeft voor haar voortbestaan, is het heel gemakkelijk om kritiek naast zich neer te leggen. De noodzaak voor een instelling om naar de kritiek te luisteren en die serieus te nemen, neemt af.

Tot slot zorgt een centraal instituut ervoor dat het aantal poortwachters afneemt. Poortwachters zijn diegenen die beslissen met wie een instelling samenwerkt en welke jonge makers er een kans krijgen. De poortwachters bij deze fusies zijn bijvoorbeeld: de programmeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg, de artistiek leider van productiehuis Rotterdam, of de artistiek leider van Het Nationale Theater. Bij de fusies in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag doet iedereen zijn uiterste best om het aantal poortwachters niet af te laten nemen, en iedere deur een eigen gezicht te laten houden (bijvoorbeeld bij Het Nationale Theater de programmeurs van Zaal 3, de Koninklijke Schouwburg en de artistiek leider van het Nationale Toneel). Maar een fusie vermindert in wezen het aantal deuren. Ik geloof niet dat als over een aantal jaar deze fusieprocessen volledig zijn afgerond, het nog mogelijk zal zijn om de verschillende deuren van bijvoorbeeld Theater Rotterdam los van elkaar te zien.

Geen van deze kwesties is direct prangend te noemen in het geval van Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. Toch spelen de fusies elk op hun eigen manier de rol van het centrale instituut. Het zijn instellingen waar je op stedelijk en landelijk niveau niet meer omheen kan. De problemen die ik hierboven bespreek, gaan in die zin meer om het beeld van het theaterlandschap zoals dat misschien pas over tientallen jaren werkelijkheid zal worden, maar het is wel degelijk een situatie waar we naartoe lijken te bewegen. Het beeld van de sector op slot, waarbij alle instellingen in steen zijn gebeiteld. Een sector die nauwelijks nog ruimte heeft voor vernieuwing of kritiek, een sector die tot stilstand is gekomen.

Een alternatief beeld

Om mijn argwaan te onderzoeken heb ik de afgelopen maanden veel gesproken met mensen die nauw betrokken waren bij de fusies in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. En in een poging het wantrouwen te pareren, zal ik niet met weerleggingen van kleine punten hier en daar komen, maar proberen een alternatief beeld te schetsen van de fusies. Een beeld wat in de gesprekken met betrokkenen naar voren kwam, waarbinnen de fusies juist een heel ander theaterlandschap weerspiegelen.

Dit beeld begint bij een van de belangrijkste problemen in het theaterlandschap: verschotting. Er zitten schotten, muren, tussen alle verschillende aspecten van het theaterlandschap. Achter ieder schot zit een instelling met een eigen belang, die de hele dag bezig is dat eigen belang te verdedigen. Niet in de laatste plaats moet zij dat belang verdedigen tegen de rest van de sector. Iedereen ontvangt subsidie voor zijn eigen kleine plekje in de keten, en is maar heel mondjesmaat bereid om een ander te helpen, en dan wel alleen als de eigen ‘kerntaken’ niet in het geding komen. Dit zorgt ervoor dat heel veel projecten (vaak juist de meest kwetsbare, spannende projecten) tussen wal en schip vallen.     Op een abstracter niveau zou je kunnen zeggen dat al deze schotten voorbijgaan aan de onderlinge afhankelijkheid binnen het theaterlandschap. Eigenlijk zijn podium, talentontwikkeling, en gezelschap afhankelijk van elkaar voor hun bestaansrecht, maar we laten het toe dat we tot elkaars concurrenten worden gemaakt. Omdat we allemaal op ons ‘ondernemerschap’ worden aangesproken en worden gevraagd zo ‘efficiënt’ mogelijk te opereren, zijn we gaan denken dat ons belang los te zien is van dat van de ander.

Een mogelijke manier om uit deze wurggreep te komen, is door te fuseren. Bij de fusies in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam gaat het allemaal om het samengaan van een of meerdere podia met een of meerdere makende instellingen. Door samen te gaan worden de belangen die door het beleid kunstmatig van elkaar waren gescheiden weer verenigd.

Zo bezien, blijken fusies nog meer schijnbaar tegenstrijdige belangen te verenigen. Een tweede is bijvoorbeeld de tegenstelling tussen jong talent en bewezen kwaliteit (voor de goede verstaanders: jong en oud). In de voorbeelden van fusies Rotterdam en Den Haag worden niet alleen de belangen van podia en makers verenigd, maar ook die van jong en oud, van opkomend talent en gerenommeerde makers. Zo is in Theater Rotterdam het hele spectrum van jong tot oud vertegenwoordigd, van de eerste stappen in het productiehuis tot Europese zwaargewichten (zoals Wunderbaum, dat naast deel van Theater Rotterdam, ook artistiek leider is van huizen in Jena en Milaan). Daarmee geeft bijna de volledige professionele Rotterdamse theaterscene het signaal af dat ze zoveel belangen delen dat ze samen in een instelling ondergebracht kunnen worden. Ze breken de schotten tussen verschillende functies open en besluiten samen op te trekken.
Zo ver als in Rotterdam gaat het niet in Amsterdam en Den Haag. Amsterdam vertegenwoordigt de andere kant van het spectrum: daar zijn twee instituten (de Stadsschouwburg Amsterdam en Toneelgroep Amsterdam) gefuseerd die wat betreft profiel toch al wel op elkaar leken: internationaal toptheater voor in de grote zaal. Hoewel zij wel de schotten tussen podium en gezelschap wegnemen, vervullen zij nog steeds maar één specifieke functie in het Amsterdamse theaterlandschap. Den Haag zit er enigszins tussenin: daar zijn een gezelschap dat zich op de grote zalen richt en een gezelschap dat hoofdzakelijk jeugd- en familievoorstellingen maakt, gefuseerd met een schouwburg én met een vlakkevloertheater.

De verschillen tussen de fusies zeggen misschien nog wel het meest over de verschillen tussen de steden. Amsterdam heeft een relatief grote theatersector, met heel veel verschillende makers en theaters waar iedere dag wel weer nieuwe initiatieven ontstaan. Buiten de grote zalen zoals de Stadsschouwburg Amsterdam, DeLaMar en Carré zijn er meerdere bloeiende vlakkevloertheaters zoals Frascati en Bellevue. En misschien wel net zo belangrijk: de Amsterdamse gemeentepolitiek investeert veel in kunst.

In Den Haag is het beeld beduidend anders: daar is het theaterlandschap een stuk kleiner, en het politieke klimaat een stuk minder gunstig. De fusie van Het Nationale Toneel, Theater aan het Spui en de Koninklijke Schouwburg is in die zin ook zeker te zien als een antwoord op slecht weer: ze erkennen dat ze gedeelde belangen hebben en kunnen zich samen hard maken voor die belangen.
Frappant en een belangrijk detail voor dit artikel is, dat een ongunstig kunstklimaat vaak als eerste voelbaar is bij de kleinere instituten. In Den Haag zou het eerder Theater aan het Spui dan de Koninklijke Schouwburg zijn die in de verdrukking komt. Het samen optrekken in een fusie levert in die zin vooral veiligheid op voor de kleinere, meer kwetsbare partners, die anders in hun bestaan zouden worden bedreigd.

Twee beelden fuseren

Er liggen nu twee beelden op tafel: een van een sector op slot, een ander van samen optrekken. Bij de een komt de vernieuwing in de verdrukking, bij de ander wordt het kwetsbare deel van het veld juist beschermd. Hoe de waarheid precies is verdeeld, is moeilijk te zeggen, maar ik denk dat beide beelden elkaar niet uitsluiten.
Het is immers nog te vroeg om alle gevolgen van de fusies te overzien. Waarschijnlijk is pas over een aantal jaar te zeggen of mijn wantrouwen terecht is; mijn angsten voor een sector op slot gaan over gevolgen die pas na vier, en misschien wel pas na acht jaar zichtbaar zouden kunnen worden. Tegelijkertijd spreekt uit het beeld van samen optrekken eerder een intentie dan een gevolg. Het is dus nog steeds goed mogelijk dat beide beelden uitkomen: dat we straks in een goed verenigde, maar weinig bewegelijke sector zitten. Dat de enige vernieuwing die mogelijk is, binnen de muren van de grote instellingen plaatsvindt. Dat die muren veiligheid bieden en experimenten mogelijk maken, maar dat er buiten deze instituten nog maar weinig ruimte overblijft. In dat geval valt of staat de sector bij de openheid en inclusiviteit van deze instellingen. Zijn ze dat, dan zal van binnenuit steeds opnieuw ruimte ontstaan voor gezonde vernieuwing, zijn ze dat niet, dan zal het een machine worden die langzaam maar zeker tot stilstand komt.

illustratie Gemma Pauwels