Wie kunnen er beter praktijken met elkaar vergelijken dan diegenen die alle projectaanvragen tegen elkaar afwegen? Drie fondsen gingen met Theaterkrant om de tafel. Stukje bij beetje ontleden ze samen de kenmerken die bijdragen aan kwalitatief sociaal-artistiek werk, en welke verschillende accenten de fondsen daarin leggen.
Het VriendenLoterij Fonds zoekt naar manieren om verschillende transities in de samenleving te versnellen. Binnen de pijler ‘veranderkracht van verbeelding’ steunt het fonds kunst- en cultuurprojecten. Om in aanmerking te komen voor een donatie moeten makers radicale verbeelding inzetten om te laten zien dat een andere wereld mogelijk is.
Daarbij waarderen ze in het bijzonder een ‘social practice’, waarin de kunstenaar de perspectieven van gemeenschappen en mensen betrekt in diens proces, vanuit democratische waarden. Door hun verwevenheid met Stichting DOEN reikt het netwerk van het VriendenLoterij Fonds ook buiten de grenzen van kunst en cultuur, zoals regeneratieve landbouw. Yu Lan van Alphen beoordeelt al ruim twintig jaar aanvragen en bepaalt mede het beleid voor het Vriendenloterij Fonds.
Het VSBfonds verdeelt het beschikbare donatiebudget over twee aandachtsgebieden: mens & maatschappij en kunst & cultuur. Onder welke vlag een project ook een aanvraag indient, dit fonds steunt alleen projecten die bijdragen aan het doel van het fonds om sociale cohesie en -mobiliteit te bevorderen. Sociaal-artistieke projecten worden vaak na indienen tussen de twee aandachtsgebieden heen en weer geschoven. Martine Consten beoordeelt al geruime tijd aanvragen voor het VSBfonds. Ze vat het onderscheid tussen de twee stromingen grofweg samen als: ‘Vanuit mens & maatschappij lossen we problemen op en de vanuit kunst & cultuur maken we dingen mogelijk’.
Het Fonds Cultuurparticipatie bestaat om cultuurbeoefening in de vrije tijd en op school voor zoveel mogelijk Nederlanders mogelijk te maken. Aanvullend aan de cultuurfondsen voor professionele kunsten, staat bij dit fonds de cultuurbeoefenaar centraal. Sociaal-artistieke projecten krijgen steun vanuit de regeling cocreatie, die van aanvragers verwacht dat ze een samenwerking faciliteren tussen cultuur en samenleving.
Onder de getoetste criteria valt niet meer de output, zoals de deelnemersaantallen, maar de outcome, zoals de maatschappelijke impact van een project. Daarom vragen ze initiatiefnemers om te reflecteren op de beoogde effecten op gebieden van persoonlijke versterking, eigenaarschap en verbinding. Om die effecten te bereiken is volgens het fonds het proces minstens zo belangrijk als het eindproduct. Nina Pigaht werkt nu drie jaar als strategisch beleidsadviseur voor Fonds Cultuurparticipatie en ontwikkelt beleid voor het fonds.
‘Ik vertaal artistieke kwaliteit het liefst naar ‘zeggingskracht’ en ‘oorspronkelijkheid’, dan krijg ik er meer grip op’, zegt Martine Consten van het VSBfonds. Daarvoor is oprechte interesse en nieuwsgierigheid bij de maker een vereiste. ‘Ik werk al geruime tijd bij het fonds, dan bouw je een goede bullshitradar op voor aanvragen, die even een projectje willen doen voor ‘doelgroep X of Y’. Die alleen even een boxje afvinken.’
We zitten rond etenstijd aan tafel in het kantoor van het Fonds voor Cultuurparticipatie in Utrecht. Nina Pigaht, de beleidsadviseur van dit fonds, heeft voor ramen noedels gezorgd. Ook Yu Lan van Alphen van het VriendenLoterij Fonds zit bij ons aan tafel.
Noedels slurpend praten we met deze drie sociaal-artistieke fondsen over wat een sociaal-artistiek project nou artistiek kwalitatief maakt. Want wie kunnen er nou beter praktijken met elkaar vergelijken dan diegenen die alle projectaanvragen tegen elkaar afwegen?
Om termen als ‘kwaliteit’, ‘zeggingskracht’ en ‘oorspronkelijkheid’ wat concreter te maken, vragen we hen om een ideaal project uit te lichten. Dat vinden ze moeilijk. Vooraf hebben ze met collega’s lange lijsten opgesteld met makers waar ze trots op zijn. Maar één ideaal project? ‘Er is niet één manier van hoe een sociale kunstpraktijk werkt’, geeft Consten aan.
En toch, terwijl ze uitleggen waarom elk project zijn eigen kwaliteiten heeft, keren een aantal kenmerken veelvuldig terug: ‘generositeit’, ‘duurzaamheid’, ‘systeemdenken’, ‘beeldkracht’, ‘samenwerken tussen domeinen’. Stukje bij beetje ontleden we de kenmerken die bijdragen aan kwalitatief sociaal-artistiek werk, en welke verschillende accenten de fondsen daarin leggen.
Samen werken aan verandering
Zowel Van Alphen (VriendenLoterij Fonds) als Consten (VSBfonds) zien in PS Vertelt een goed voorbeeld. In het project Schuld (elders in het Magazine beschreven) koppelen ze publiek en instanties aan elkaar en faciliteren een zoektocht naar hoe de samenleving een vangnet kan vormen voor jongeren in kwetsbare situaties.
Van Alphen: ‘PS Vertelt werkt op allerlei niveaus. Ze betrekken ervaringsdeskundigen, maatschappelijke organisaties, maar ook beleidsmakers, die echt iets kunnen veranderen. Daarnaast stellen ze ook de beeldvorming ten vraag: welke ideeën heeft het publiek over deze groep mensen? Waardoor ontstaan die en in hoeverre kloppen ze? Zo kijken ze naar het hele systeem waarin de problematiek zich afspeelt en zoeken ze naar een alternatief.’
Door op die verschillende niveaus te werken, gebruiken sociaal-artistieke makers verbeelding om invloed uit te oefenen waar het echt verschil maakt. Consten noemt ook MUTE van Stichting Adem Theaterproducties. ‘Ze nemen jongeren mee in systeemverandering. Wat kun je als jongere bijdragen, heb je inspraak in democratische processen, voel je je gehoord door de politiek, voel je je erkend? Gebruikmakend van theater laten zij zien dat je de wereld anders kan voorstellen dan dat die daadwerkelijk is. Met kunst kan en mag opeens alles, dan zijn er geen beperkingen. Dat vind ik een hele interessante aanvliegroute.’
VSBfonds en het VriendenLoterij Fonds zien dat dit toewijding van de maker vereist. Een langetermijnvisie, al zet het huidige project daar slechts een kleine stap in. Van Alphen: ‘Je hebt een lange adem nodig. Het duurt even om een beweging in gang te zetten.’ Het VriendenLoterij Fonds ondersteunt daarom graag die langere lijnen, die zij ‘processen van transities’ noemen. ‘We zitten met elkaar in een situatie, die veel nadruk legt op commercieel denken. Er is weinig ruimte om te rommelen zonder dat het geld oplevert. Door onze focus op dat transitiedenken, verschuiven we ook van projectfinanciering naar meer meerjarige en institutionele financiering.’
Fonds voor Cultuurparticipatie legt weliswaar de focus minder op de lange lijnen van de artistieke professional en meer op de langetermijneffecten op de vrijetijdsbeoefenaar, maar deelt wel het vertrouwen dat sociaal-artistiek werk kan bijdragen aan verandering. Pigaht: ‘Een van de opdrachten die het ministerie ons gaf, is om cultuurbeoefening te stimuleren die bijdraagt aan maatschappelijke opgaves. Die vinden niet plaats in een vacuüm. Armoede, bijvoorbeeld, is geen op zichzelf staand probleem, maar raakt een heleboel domeinen.’
In de herziene regeling ‘Co-creatie – samen werken aan cultuur’ is samenwerking met een ander domein, zoals landbouw, zorg of informatica, daarom een vereiste. Pigaht ziet de Amsterdamse Stichting Mama Louise als een mooi voorbeeld van wat voor initiatieven dat oplevert. ‘Zij werken wijkgericht met verschillende domeinen en verschillende disciplines samen en maken koppelingen tussen artistieke en sociale partners. Ze bouwen relaties in de wijk en zijn diep geworteld in het sociaal weefsel.’
Ook dit soort domein overstijgende samenwerkingen uitdenken en opzetten, kost tijd. ‘We vinden het echt belangrijk dat je enerzijds verkent wat de behoefte van de doelgroep is en anderzijds hoe je de samenwerking het beste kan inrichten. Dat vraagt uitzoekwerk.’ Daarom maken de subsidieregelingen van Fonds Cultuurparticipatie onderscheid tussen proberen en ontwikkelen. Met elke fase mag een organisatie twee jaar bezig zijn.
Kruisbestuiving tussen domeinen zorgt voor een hogere kwaliteit van het werk, simpelweg, omdat het expertises verenigt, vinden ook VSBfonds en VriendenLoterij Fonds. Van Alphen denkt aan Tijd van de Wolf van Alexandra Broeder. ‘Ze wil echt weten: hoe kan ik bijdragen aan een beter mentaal zorgsysteem? Daarvoor werkt ze op het grensvlak van kunst en psychiatrie. Ze betrekt er ervaringsdeskundigen bij, maar ook GGZ-instellingen en beleidsmakers. Ze zoekt dus een coalitie op.’
Doelgroep en co-creatie
Wat Pigaht betreft is de samenwerking tussen domeinen ook belangrijk omdat specialistische kennis over de doelgroep meer garantie geeft dat het een project oplevert waar die doelgroep ook echt op zit te wachten. ‘De kunstenaar draagt kennis bij over een artistiek proces, de zorgprofessional bijvoorbeeld over waar mensen in een kwetsbare situatie tegenaan lopen’, zegt ze. In het geval van Fonds Cultuurparticipatie zijn de effecten op de betrokken vrijetijdsbeoefenaars het belangrijkste doel van zo’n project.
Consten vult aan dat een toeschouwer die investering kan aanvoelen. ‘Als je wil dat specifieke mensen zich in jouw werk kunnen herkennen, moet je die ook betrekken bij je maakproces.’ De kwaliteit van de co-creatie wordt dus bepaald door hoe goed de artistieke uitwerking aansluit bij de beoogde doelgroep, of bij het maatschappelijke doel dat de maker voor ogen heeft.
Dat daarom de doelgroep een rol heeft in het vormgeven van het eindproduct is een logisch gevolg. Van Alphen: ‘Het is dus ook begrijpelijk dat je aan het begin vaak nog niet weet hoe het er aan het einde uitziet. Als beoordelaar loop ik daar soms wel tegenaan. Dat de interne commissie aan mij vraagt: ‘Oké, maar wat staat er dan straks?’ Dat is dus precies de vraag nog. Samen, als collectief, besluiten hoe je uiteindelijk invulling geeft aan alles wat je tijdens het proces tegenkomt, is onderdeel van een sociale kunstpraktijk.’
‘Je wilt dus eigenlijk juist níet de sterregisseur’, concludeert ze. ‘Het soort regisseur dat een artistiek idee heeft en vervolgens volledig bepaalt hoe het gemaakt wordt, punt uit. Daar kan natuurlijk ook heel mooi werk uit komen, maar met die intentie heb je geen sociale kunstpraktijk. Dat is gewoon iets anders. Zo’n regisseur kan bijvoorbeeld wel amateurs op het podium zetten, maar zij worden meer figuranten. De samenwerking is niet horizontaal.’ Volgens haar sluit zo’n hiërarchische werkwijze het verbindend co-creëren met gemeenschappen uit. ‘Organisaties of ervaringsdeskundigen die meewerken, zien dat meteen. Die trappen daar niet in.’
Ook dat doet PS Vertelt volgens Van Alphen goed: ‘Ze hebben duidelijk de regie van het proces in handen, maar zijn ook heel genereus in hoe ze de verhalen, inzichten en ervaringen van de ervaringsdeskundigen met wie ze werken, serieus nemen en een plek geven.’ Daarvoor is tijd nodig: ‘Je moet ruimte geven aan de mensen met wie je samenwerkt, zodat zij vanuit vertrouwen en echte betrokkenheid kunnen bijdragen. Dat draagt uiteindelijk ook bij aan een artistiek hoogwaardig eindresultaat.’
Artistieke kwaliteit
Pigaht werpt daar tegenin: ‘Je hoeft voor goed sociaal-artistiek werk wat ons betreft niet per se tot een artistiek hoogwaardig eindresultaat te komen. Jordy Dik voert als artistiek leider van DIK Danstheater ook participatieve projecten uit binnen en rondom AZC’s. Met verschillende partners maakt hij interventies, die grote sociale impact hebben. Hij heeft daarvoor een methodiek ontwikkeld, die je niet alleen kan toetsen aan de ‘artistieke kwaliteit’ van het eindproduct. Ik bedoel, dat kan wel, maar als je het alleen daarover zou hebben, doe je het project tekort.’ Van Alphen werpt daar tegenin: ‘Ik denk dat je kan zeggen dat er wel degelijk artistieke kwaliteit zit in de ontwikkeling van die methodiek.’
Pigaht vraagt zich af of dat wel ter zake doet. Bij Fonds Cultuurparticipatie nemen ze artistieke kwaliteit tegenwoordig niet meer als losstaand criterium mee bij de beoordeling. ‘Wij gaan ervan uit dat artistieke kwaliteit een voorwaarde is om een artistiek professional te zijn. Sociaal-artistiek maken is een andere wijze van maken. Je bent een ander soort artiest, die zich minder identificeert met de artisticiteit van een unieke, persoonlijke signatuur en meer als sociale verandering’, vindt ze.
Ze vervolgt: ‘We kijken liever naar hoe een project meerstemmigheid stimuleert. Hoe ontwikkel je eigenaarschap, hoe geef je je deelnemers het gevoel: ‘dit gaat ook over mij.’ Als een maker kan aantonen dat hij snapt wat betekent om met een kwetsbare doelgroep te werken en laat zien hoe hij dat gaat doen, hoeven we niet te toetsen of hij wel artistiek genoeg is. De vraag is dan namelijk ook: wie bepaalt wat artistieke kwaliteit is?’
Consten geeft aan dat deze relativerende kijk op artistieke kwaliteit vernieuwend is: ‘Toen ik 23 jaar geleden bij het VSBfonds kwam werken, was artistieke kwaliteit, naast zeggingskracht en oorspronkelijkheid, de basis. Als mensen niet deelnamen aan kunst en cultuur, dan lag dat aan die mensen zelf en aan hun gebrek aan culturele competentie. Ze moesten gewoon meer kunst ervaren en dan zouden ze het vanzelf gaan waarderen. Inmiddels is dat bij VSBfonds veranderd in de gedachte: misschien ligt het niet aan de mensen, maar aan het aanbod.
Artistiek interessant aanbod trekt in haar ervaring nu eenmaal niet altijd een groot publiek: ‘Flauw gezegd keken we bij kunst & cultuur naar het trackrecord en of de juiste mensen de juiste recensie gaven. Soms kwam alleen drie man en een paardenkop daarop af. Dat we ons nu niet de vraag stellen of het artistiek interessant is, maar of het interessant is voor mensen, is echt een kentering. Bij de fondsen én in het veld.’
Voor VriendenLoterij Fonds heeft de sociale kunstpraktijk wel degelijk beoordeelbare artistieke kwaliteit. Van Alphen: ‘Dingen teweegbrengen vanuit de kunsten sluit aan bij ons transitiedenken. We willen dit veld daarom echt versterken als onderdeel van het kunstenveld. Daarvoor is het ook van belang om aan te tonen dat hier gewoon kunst gemaakt wordt. Die andere werkwijze van de sociale kunstenaar is ook een praktijk, waarin die zich kan ontwikkelen. Misschien kunnen we dus beter praten over de artistieke kwaliteit van het proces.’
Hoe ze dat als fonds moeten beoordelen, is een zoektocht, zeker omdat ze breder financieren dan alleen theater. Elke twee jaar doen ze een klein onderzoek naar de projecten die ze hebben ondersteund. Daar komen een aantal kernwaarden uit voort: ‘Die openheid en de nadruk op een flexibel proces, samenwerking met andere partijen: daarin kan een kunstenaar zich project na project verder ontwikkelen.’ De wens om daarin te groeien, wil ze dan ook graag terugzien in een kunstenaar.
VSBfonds onderzoekt ook, vooral op basis van de behaalde resultaten op het gebied van sociale cohesie & sociale mobiliteit. Consten: ‘We zijn er pas een paar jaar mee bezig, dus we hebben nog niet heel veel data. Maar je moet als fonds wel kijken: ondersteun je de juiste projecten om je missie te bereiken?’ Toch vraagt ze zich af of dit de enige juiste weg is. ‘Ik denk dat we als fonds veel meer impact hebben op de initiatiefnemers zelf dan op die samenleving. Dat lijkt me eigenlijk veel interessanter om te meten. Stel: we geven de aanvrager de ruimte om zijn beoogde impact te optimaliseren. Dan vragen we: wat heeft ons vertrouwen bij jullie teweeg gebracht? Wat heb je daardoor kunnen ontwikkelen? Wat heb je daardoor mogen laten mislukken?’
Kansen geven
Investeren in bewezen kwaliteit als die van PS Vertelt is niet zo ingewikkeld. Maar bij nieuwe makers of beginnende organisaties moeten fondsen zelf een inschatting maken. Hoe dragen fondsen bij aan de ontwikkeling van dit veld?
Pigaht: ‘Waar je volgens mij voor moet zorgen is dat je enerzijds kleine aanvragen kunt bedienen, waarmee je dingen kunt ondersteunen die spontaan opkomen en anderzijds ook grotere aanvragen, waarmee je organisaties versterkt. Wij hebben nu een regeling ‘gemeenschappen’, met lage bedragen, een korte behandeltijd en compact aanvraagformulier. Voor organisaties die een stap verder zijn, zijn weer andere regelingen.’
Het verlagen van de drempel om aan te vragen blijft een uitdaging. Consten: ‘Een aanvraag schrijven is echt een vak op zich. Verschillende fondsen willen weer verschillende accenten lezen in de aanvraag. Toch is een strakke aanvraag niet altijd beter. Daarin kunnen we nog steeds een tekort aan oprechte toewijding lezen. Terwijl je in andere, rommeligere aanvragen wel een soort pit kan voelen. Dan gaan we bellen en dan krijgen we vaak ineens wel een verhaal waarvan je denkt: wow!’
Van Alphen: ‘Ja, soms waag je een gok. X Yusuf Boss uit Groningen kwam bij ons binnen met een kleine aanvraag voor een voorstelling. Vijfduizend euro, volgens mij. Je kon lezen hoe hij zijn makerschap ontwikkelde en er schemerde een langetermijnvisie in door. We zijn met hem in gesprek gegaan. Toen kwam ook duidelijk naar voren hoe hij met gemeenschap zou werken. Dan denken wij: we gaan het gewoon proberen. Eerst met één voorstelling. Dat groeide uit tot een grotere voorstelling, en dat weer tot een meerjarig programma.’
Ze vult aan hoe ze bij het VriendenLoterij Fonds makers vooruit proberen te helpen: ‘We gaan meerdere keren kijken om te zien hoe het gezelschap zich verder ontwikkelt. Soms zien we dat een groep baat kan hebben bij expertise uit een van de andere domeinen van Stichting Doen. Dan kunnen we wel eens een koppeling maken. Dat doen we niet direct tijdens een aanvraagproces, om dat niet meteen te verstoren. Maar daarna, gaandeweg, of evaluerend.’
Een lerend veld
In zekere zin is de samenwerking tussen het artistieke en het sociale domein nog een vorm van pionierswerk in een nieuw artistiek veld. Dat in een sociaal-artistiek proces dus ruimte moet zijn voor mislukking, of tenminste onvoorziene omstandigheden, daar zijn de drie fondsen wel van overtuigd.
Van Alphen haalt aan hoe Alexandra Broeder vlak voor ze haar voorstelling ging spelen, een noodgreep moest doen, omdat één van haar spelers echt niet kon spelen. ‘Dat heeft ze heel mooi opgelost door de stem van diegene wel in de voorstelling op te nemen. De andere spelers gingen goed om met het feit dat iemand eerst wel op het podium stond en nu niet.’
Maar ook als het niet goed uitpakt, heeft ze daar als financier begrip voor. Een uitvoering van Speels Collectief, een mixed-abled gezelschap, kwam toen ze hen bezocht niet helemaal lekker uit de verf. ‘De makers erkenden dat: ze kwamen erachter dat een theatertournee niet voldoende rust bood aan hun spelers. Die moeten kunnen landen, hebben iets meer voorbereidingstijd nodig. Omdat dat niet altijd in te passen is in het ritme van een tournee, kan zo’n voorstelling de ene dag heel goed zijn en over twee weken minder.’
Als fonds tonen ze zich daarom flexibel als een plan wordt gewijzigd. ‘Makers mogen ook achteraf zeggen: dit was aan de hand en zo hebben we het opgelost. Als dat past binnen het initiële idee en het doel, is het prima. Volgens mij geldt voor ons alle drie dat we dat, als je ons aan de telefoon hebt, heel goed kunnen uitleggen. Maar als je naar ons contract kijkt, is het weer een heel ander verhaal. Daar staat heel scherp in waar je je allemaal aan moet houden. Intern is dat wel een zoektocht, moet ik zeggen.’
Ze vult aan: ‘Daarom is voor ons die lange lijn zo belangrijk. Speels Collectief kan de geleerde lessen meenemen in een volgend proces en andere omstandigheden voor zichzelf creëren. In gesprek gaan met theaters om te overleggen over de volgende speelbeurt. Dát komt ten goede aan die artistieke kwaliteit: een lerend veld.’
beeld Gemma Pauwels







