Drie decennia lang was Pierre Audi het gezicht van De Nederlandse Opera. Kunstbroeders en medewerkers kijken met plezier terug op de periode waarin Audi het huis zijn grote internationale reputatie wist te bezorgen. 

Romeo Castellucci, regisseur

‘Pierre Audi wist in Amsterdam een van de meest geoliede en geïnspireerde operahuizen ter wereld neer te zetten, en hij deed dat met de gevoeligheid van de kunstenaar die het theater van binnenuit kent. Nadat ikzelf een opera had geregisseerd bij het door Audi geleide DNO, werd ik erin bevestigd hoezeer opera nog steeds als een beeldendekunstvorm kan worden opgevat. Elke afdeling van DNO staat ten dienste van de creatieve verbeeldingskracht. Pierre Audi heeft dit grote laboratorium kunnen voeden en motiveren vanuit de scheppende filosofie die een kunstenaar kenmerkt.’

Truze Lodder, voormalig zakelijk directeur DNO

‘In een kort en krachtig zakelijk beleidsplan voor de gezondmaking van DNO werd in 1988 het vinden van de juiste artistiek directeur als allerbelangrijkste punt genoemd. Een selectiecommissie onder voorzitterschap van Bernard Sarphati koos uit vele kandidaten tot veler verrassing de jeugdige Pierre Audi. Mijn persoonlijke antwoord op Pierres vraag why me, was dat ik onvoorwaardelijk in hem geloofde. Zijn mysterieuze persoonlijkheid, complexe achtergrond en levensloop tot dan toe, gaven me in-

tuïtief de overtuiging dat we als artistiek en zakelijk directeur een twee-eenheid zouden vormen, met vertrouwen in elkaars complementaire competenties en integriteit als fundament. We sloten een heilig verbond: beseffend dat artistiek en zakelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zouden we overal altijd samen uitkomen. Pierre verwoordde zijn dromen in zijn eerste tienjarenplan (zo volgden er later nog twee) en samen hielden we zijn koers vast, temporiserend als de realiteit van ruimte, tijd, mensen en middelen dat vergde.

‘In de interne organisatie noch in de buitenwereld, was de acceptatie van Pierre Audi een onmiddellijke vanzelfsprekendheid. Zijn concentratie op inhoud en kwaliteit van de programmering, zijn belangrijke persoonlijke contacten in internationale artistieke kringen, zijn formidabele werktempo, zijn doorzettingsvermogen en zijn verantwoordelijkheidsgevoel hielpen Pierre om alle weerstanden te overwinnen of te negeren. Pierres energie is altijd toekomstgericht, hij verspilt geen energie aan gedane zaken. In het spanningsveld tussen artistieke dromen en praktische mogelijkheden hielden we elkaar als evenwichtskunstenaars in balans, allebei veeleisend en vasthoudend, lief en leed delend. In onze afwegingen stond het belang van de organisatie als geheel centraal, gemaakte keuzes en genomen risico’s konden we verantwoorden.

De programmering van Parsifal (Haenchen-Grüber) en Pierres regies van Il ritorno d´Ulisse in Patria, Die glückliche Hand / Neither en Gassir / Il combattimento di Tancredi e Clorinda in seizoen 1990-1991 betekenden een doorbraak. Pierres artistieke kwaliteit werd eindelijk ten volle herkend in de binnen- en buitenwereld. Onvermoeibaar vervolgden we samen onze lange weg, de jaren vlogen voorbij. Ons heilig verbond hebben we nooit geschonden.

Mijn samenwerking met Pierre tot 1 januari 2013 bleef vreugdevol, spannend en inspirerend. Wat ik van hem heb geleerd en dankzij hem heb ervaren, is niet in woorden uit te drukken. Mijn liefdevolle verbondenheid met Pierre duurt levenslang, ik neem dan ook geen afscheid van hem.’

Johan Simons, regisseur

‘Ik wil niet alleen iets zeggen over Pierres regies, maar ook over De Nationale Opera, want daar maak ik me zorgen over. Pierre Audi was iemand die bijzondere regisseurs aantrok. Hij was natuurlijk intendant en regisseur in één functie, en dat kon hij schijnbaar heel goed combineren. Hij heeft de Amsterdamse opera op de internationale kaart gezet. Je kunt natuurlijk nooit op dezelfde manier produceren als de Bayerische Staatsoper, maar hij heeft er wel voor gezorgd dat Amsterdam door de internationale operascene gezien werd. Dat hij nooit leider is geworden van de Bayerische Staatsoper of de Salzburger Festspiele of iets heel groots, dat vind ik eigenlijk alleen maar erg jammer.

Ik neem het natuurlijk alleen aan de buitenkant waar, maar ik denk dat hij het wonderwel heeft gedaan en ik denk dat Amsterdam hem zal missen.

En wat betreft zijn internationale betekenis als regisseur: wat ik zo bijzonder aan hem vind, is dat hij zijn werk vaak wist te koppelen aan internationaal vermaarde beeldend kunstenaars.

In de operawereld deed hij mee met de grote operaregisseurs. Ik vind hem ook meer een operaregisseur dan een toneelregisseur. Hij is iemand die een prachtige mise-en-scène kan ontwikkelen, of zoals de Fransen zeggen een mise en espace. Dat kan hij als geen ander. Maar hij is geen heel grote politieke theaterregisseur, vind ik. Hij kan echter wel heel mooie verhoudingen maken op toneel, en hij weet precies wat voor effecten hij wil, heeft veel verstand van licht. Maar als ik dan even kritisch mag zijn: het is voor mij soms iets te esthetisch. Het is een beetje theater zonder kleerscheuren. Desalniettemin, hij blijft iemand die zijn betekenis had.

Ik vind het doodzonde dat hij weggaat, nu blijven er in Amsterdam alleen maar managers over, dat gaat zich wreken. Pierre wist mens-zijn en intendant-zijn en kunstenaar-zijn op een geweldige manier te combineren, en de rest is een kwestie van smaak. Amsterdam beseft niet wie er weggaat.’

Jan Vandenhouwe, artistiek directeur opera Kunsthuis Opera Vlaanderen Ballet Vlaanderen

‘Er zijn verschillende dingen waar ik aan denk als het om Pierre gaat. Voor mij is onder meer van belang dat hij hedendaagse opera’s op de kaart heeft gezet, de grote klassieken van na de Tweede Wereldoorlog. En dat hij zich als regisseur voor creaties heeft ingezet, natuurlijk ook als intendant, maar ik denk dat die functies bij hem sowieso gemengd zijn. Ik vind het fantastisch dat hij Stockhausen gaat doen, een ideaal project voor hem. Dat hij veel wereldcreaties heeft gedaan en nieuw werk heeft geregisseerd, zegt voor mij veel over zijn muzikale aanpak; hij is echt iemand die uit de muziek regisseert. Ik ken weinig regisseurs die zo precies de ruimte gebruiken. Hij is zeer goed in mise en espace, vanuit de muziek; daarom zijn projecten als de Mariavespers zo geslaagd. En dan kom ik bij een ander punt dat ik echt super vind bij hem: de samenwerking met andere kunstvormen en vooral met beeldend kunstenaars. Ik ben niet zo’n fan van decors, van opera die eruitziet als opera, ik vind dat opera moet aansluiten bij hedendaagse dans of hedendaagse theatervormen. En bij Pierre heb je vaak door die samenwerking met beeldend kunstenaars een soort abstractie in de voorstelling die dan weer heel goed bij het genre opera past en die veel ruimte laat voor de muziek. Ik ben bijvoorbeeld zeer benieuwd naar zijn Parsifal die hij nu in München maakt, ook weer zo’n project, met Georg Baselitz. Hij heeft geen angst om zich ten dienste te stellen van een beeldend kunstenaar, dat vind ik mooi. Hij wil niet alleen zijn eigen visie niet in conflict laten zijn met die van de beeldend kunstenaar, maar hij gaat ook echt samen met iemand als Baselitz zo’n project uitwerken.

Dat zijn voor mij zaken die samenhangen en die zeker in zo’n project als aus LICHT van Stockhausen heel mooi samenkomen, mooi dat hij daarmee ook afscheid neemt. Het ligt helemaal in de lijn van de verwachting.

En zijn lijstje is indrukwekkend hè? Nu ook weer die wereldcreatie van Kurtág die hij gaat doen, dat zijn toch allemaal belangrijke projecten.’

Nicholas Payne, directeur Opera Europa

‘Ik ontmoette Pierre in het Almeida Theatre in Londen. Sindsdien zie ik al dertig jaar een niet-aflatende nieuwsgierigheid naar en talent voor het samenbrengen van kunstenaars met verschillende achtergronden. Hij combineert een hoge intelligentie met een alles bevragende houding. Zijn buitengewone intendantschap in Amsterdam werd gekenmerkt door zijn lust om te leren, de verfijning van zijn techniek, en de ontwikkeling van zijn vaardigheden als artiest en impresario.

Het was zijn missie om nieuw werk te ontdekken en aan het publiek te presenteren. Om dat vol te houden in een groot operahuis is heel andere moed en vastberadenheid nodig dan in een kleinschalig theater. Het is precies dat wat De Nationale Opera zijn plek aan het internationale operafirmament heeft gegeven. Het publiek weet dat het nieuwe wordt gepresenteerd als integraal onderdeel van een brede programmering waarin ook de grote meesterwerken onbevangen worden benaderd.

‘Als regisseur was de wereld zijn speelveld. Daar bleef hij zijn voedende rol voor andere artiesten spelen, en scoutte en verleidde componisten, schrijvers, schilders en beeldhouwers voor de opera. In dit levenswerk was hij feilloos zorgzaam en hartelijk, als collega en mens.’

Lotte de Beer, regisseur

‘Pierres grote verdienste als curator is dat hij werkelijk visionair is. Hij neemt al kwaliteit waar – in iemand, of in een kunstwerk – voordat anderen een positieve mening hebben gevormd. Daar komt bij, dat Pierre niet een bepaalde stijl voortrekt. Vaak zie je dat regisserende intendanten mensen uitnodigen die minder goed zijn dan zijzelf, zodat ze zelf kunnen bloeien, en dat dat mensen zijn die qua stijl op henzelf lijken. Pierre vraagt daarentegen de grootste meesters uit allerlei genres. In Amsterdam mogen we alles meemaken. Simon McBurney is door Pierre opera gaan doen. Er zijn componisten door Pierre opera’s gaan schrijven. Hoewel veel van de namen die hij heeft geïntroduceerd nu overal opera maken, is dat wel door hem gekomen. Dat vind ik bewonderenswaardig.

‘Daar komt bij, dat Pierre uiterst trouw is. Vaak zie je dat mensen je ontdekken op het moment dat het sowieso goed met je gaat, en dat als je een flop hebt gemaakt, dezelfde mensen je net zo snel laten vallen. Van Pierre weet je dat, juíst nadat je een flop hebt gemaakt, hij je niet in de steek zal laten. Hij zal misschien met je willen overleggen, maar hij denkt verder, en staat achter je. Dat is zeldzaam in dit vak.’