Sinds januari werkt Het Zuidelijk Toneel als vierde groot stadsgezelschap met een vast acteursensemble. Wat zijn de voordelen daarvan? En waarom kiezen sommige acteurs juist voor freelancen? Theaterkrant sprak nieuwkomers, oudgedienden en vertrekkers. ‘Het idee dat je aan het eind van het seizoen een overzichtje krijgt met producties die je het jaar erop gaat doen, leek me enorm beperkend.’
‘Eén van mijn theorieën over vaste ensembles: als je er eenmaal in zit is het enorm moeilijk om er weer uit te komen. Ook als het op artistiek vlak stagneert, wat onvermijdelijk gebeurt. Maar voordat je besluit om echt weg te gaan, is er altijd een externe factor nodig.’
Aan het woord is acteur Hein van der Heijden, die komend seizoen na tien jaar het vaste ensemble van Het Nationale Theater (HNT) in Den Haag verlaat. Het was tijd, dat voelde hij al even aankomen. De bravoure en spanning van de eerste jaren (‘We gingen Den Haag omver kieperen’) waren gestabiliseerd. En toen was er een externe aanleiding: hij is in juli 67 geworden, de pensioengerechtigde leeftijd. ‘Het voelt alsof je je familie in de steek laat. Anderzijds: die vrijheid heeft ook iets aantrekkelijks. Weggaan levert vast ook weer leuke nieuwe dingen op.’
Vóór HNT speelde Van der Heijden vast bij Toneelgroep Theater, Baal, het Publiekstheater, het RO Theater en Toneelgroep Amsterdam. Maar hij was ook pakweg de helft van zijn carrière freelance-acteur. ‘Dat waren interessante periodes met volop gekke dingen: van een musical over Sinatra en The Lion King tot een heel aantal Toneelschuur Producties, jeugdtheater en vrije producties.’ En Mightysociety natuurlijk, het theaterfeuilleton van Eric de Vroedt, die hem in 2016 als kersverse artistiek leider van HNT vroeg daar vast in dienst te komen. ‘Ik ken beide smaken, en beide smaken zijn soms lekker en soms smaakt het nergens naar.’
Ooit had praktisch elke grote stad in Nederland een eigen gezelschap met vast ensemble. Pakweg sinds Aktie Tomaat kwam daar verandering in: acteurs van de jonge garde verzetten zich tegen het hiërarchisch toneel, ze wilden meer inbreng en eigenaarschap. Van de gesubsidieerde stadsgezelschappen werkten de laatste jaren alleen Internationaal Theater Amsterdam (ITA), Nite en HNT nog met een vaste acteurspoule.
Daar is sinds januari een nieuwkomer bij: onder artistieke directie van Sarah Moeremans werkt Het Zuidelijk Toneel nu ook met een (zeskoppig) vast ensemble. Eén van hen is Keja Klaasje Kwestro, die daarmee voor het eerst in haar 15-jarige carrière in vaste dienst werkt. En nee, dat was geen lang gekoesterde wens voor haar. ‘Het idee dat je aan het eind van het seizoen een overzichtje krijgt met de producties die je het jaar erop gaat doen, leek me enorm beperkend. Maar toen belde Sarah.’
Het ambitieuze plan om met een groep van negen makers en de vijf andere acteurs zo’n stadsgezelschap helemaal opnieuw uit de grond te stampen, sprak haar aan. ‘En omdat we met een relatief kleine en betrokken club zijn waarin we voortdurend veel met elkaar bespreken, heb ik niet het gevoel dat ik word ingedeeld op producties – al is dat natuurlijk in zekere zin wel het geval.’
Vette en magere jaren
Het verzoek kwam ook op het goede moment. ‘Ik heb heel leuk gefreelancet, maar het kwam wel in golven. Ik heb eerst zeven vette jaren gehad, waarin ik met interessante makers zoals Maren Bjørseth heb gewerkt. Maar daarna volgden toch zeven meer magere jaren. Toen heb ik ook wel rollen gespeeld waarvan ik dacht: een paar jaar geleden had ik deze auditie nog overgeslagen.’
Al betekent spelen in een ensemble niet per definitie dat je uitsluitend mooie rollen krijgt toebedeeld. Sander Plukaard zit sinds 2024 vast in dienst bij HNT. Na een aantal prachtige, grotere freelance-rollen, waaronder Cock bij Theater Oostpool, was zijn eerste rol bij HNT een relatief kleine bijrol in Antigone. ‘Dat was even slikken. Ik ben er meteen over in gesprek gegaan: waarom is hiervoor gekozen, waarom krijgt een stagiair een grotere rol? Het leuke is: dat leverde meteen inhoudelijke gesprekken op. Eric zei: je moet niet alleen naar de grootte van de rol kijken, maar naar het belang van het personage. En hij heeft meteen uitgesproken dat hij het belangrijk vindt dat ik in de toekomst óók grote kansen krijg.’
Voor je ontwikkeling als acteur levert het ook iets op, zegt hij bovendien. ‘Als freelancer had ik zo’n bijrol misschien afgeslagen, nu ga je toch proberen er wat van te maken. Je wordt er creatiever van. In een ensemble doe je soms dingen die je uit eigen beweging niet gedaan had, daar ontwikkel je van. Typecasten ligt bij freelancers meer op de loer.’
Bij HNT is bovendien de regel dat ensembleleden per Kunstenplan twee keer een rol mogen afslaan, in ruil voor onbetaald verlof. De enige restrictie is dat ze niet in een grotezaalvoorstelling van een ander BIS-gezelschap spelen. Voor Plukaard biedt dat bijvoorbeeld de mogelijkheid om ook aan zijn eigen makerschap te blijven werken: met zijn partner Reinier van Harten is hij, na Metgezwel, van plan om meer voorstellingen te maken.
Ruimte voor de eigen maakpraktijk van (jonge) ensembleleden zie je de laatste tijd bij meer ensembles. ‘Ntianu Stuger van ITA maakte vorig jaar met schrijfster Sarah Sluimer de mooie, kleine monoloog The Gift. Sarah Janneh werkt nu bij Nite aan haar persoonlijke solovoorstelling Brabo Leone. Bij HNT krijgt Emma Buysse de ruimte om samen met regisseur Luna Joosten eigen werk te blijven maken en hernemen.
In de schoot geworpen
Een groot verschil tussen freelancen en werken in vaste dienst, is dat je als freelancer gevraagd wordt voor een specifieke rol. Dat is prettig voor een acteur, zegt Kwestro, omdat daar meteen vertrouwen van een regisseur uit spreekt. In een ensemble werkt dat anders, ontdekte ze toen ze vorig seizoen de titelrol in F*ck Lolita ging spelen, in regie van Silke van Kamp – met wie ze nog niet eerder had samengewerkt. ‘Ik speelde die rol niet omdat Silke mij vanaf het begin in haar hoofd had en ik heel expliciet ‘ja’ had gezegd. Ik realiseerde me terdege dat Silke mij ook in de schoot geworpen had gekregen, net zo goed als dat zij bij mij in de schoot was geworpen. Dat is een heel raar ding aan in een ensemble zitten: we moesten elkaars vertrouwen nog veroveren, terwijl de samenwerking al vaststond.’
Aan de andere kant zorgt de duurzame band die je op termijn met collega-acteurs en terugkerende (gast)regisseurs opbouwt, er ook voor dat je op een ander niveau kan beginnen met werken, zegt Kwestro. ‘Er is een doorlopend gesprek. Terwijl weReigen re-Erected speelden, praatten we ook met elkaar over andere voorstellingen. Daardoor ga je sneller de diepte in. Ik merk nu ook pas dat ik als freelancer vaak enorm op mijn woorden aan het letten was. Bij onderlinge feedback was het soms oppassen dat je niemand beledigt. Nu werken we vanuit de wetenschap dat we elkaar heel goed vinden. Verbeterpunten of kritiek gaan nooit over de ander, maar altijd over de voorstelling.’
En dat is weleens anders geweest, is haar ervaring. ‘Als er op de toneelschool een zak in het midden van de voorstelling zat of het repeteren ging moeizaam, dacht ik altijd dat het aan het materiaal lag. In de realiteit blijkt het bijna altijd over mensen te gaan. Acteurs en regisseurs kunnen heel ingewikkeld, onzeker of lui zijn – enorm vermoeiend. Dat valt nu helemaal weg, omdat we elkaar goed kennen, vertrouwen hebben uitgesproken en voor elkaar willen werken.’
Plukaard herkent dat: ‘Als freelancer ben je vaak veel tijd kwijt met sociale structuren. De eerste paar weken van een repetitieproces gaan bijna alleen maar over elkaar leren kennen, want elke groepsvorming werkt weer anders. Cut the crap en aan het werk, dacht ik weleens, maar het is noodzakelijk.’
Maar ook binnen een ensemble zijn er ontegenzeggelijk allerlei onderliggende ‘familie’-dynamieken die voor ruis zorgen, zegt Van der Heijden: ‘Bij Toneelgroep Amsterdam zaten best veel collega’s die ook een behoorlijk potje konden spelen. Dan moet je leren om voor jezelf op te komen. Sommige mensen zijn heel goed met elkaar of close met de regisseur, en dat kan helpen in de rollen die je krijgt toebedeeld. Eric de Vroedt en ik kennen elkaar al heel lang, het zou best kunnen dat ik daardoor soms ook een streepje voor heb gehad bij HNT. Dat zijn allemaal machinaties binnen zo’n gezelschap.’
Onder de noemer ‘DRAMA’ (Dramaturgen Regisseurs Acteurs op MAandag) worden bij HNT jaarlijks meerdere bijeenkomsten georganiseerd waarin het gehele ensemble samenkomt. Plukaard: ‘Als je als freelancer geen klik hebt met de regisseur of overhoop ligt met een collega-acteur, kun je denken: met diegene ga ik nooit meer werken. In een ensemble kan dat niet. Dat lijkt een nadeel, maar is uiteindelijk een voordeel: je wordt gedwongen om zuiver te werk te gaan en als er onderling gedoe is, dat meteen met elkaar aan te gaan. Je kan niets laten sudderen.’
Aardverschuivingen
Heel bepalend voor de sfeer en koers binnen het ensemble, is de artistiek leider. Marieke Heebink, die al ruim dertig jaar bij ITA/Toneelgroep Amsterdam werkt, maakte daar inmiddels drie totaal verschillende artistiek leiders mee: Gerardjan Rijnders, Ivo van Hove en sinds vorig jaar Eline Arbo. Elke wisseling noemt ze ‘een grote aardverschuiving’ binnen het ensemble. ‘Je ziet altijd dat het een paar jaar duurt voordat een gezelschap weer gestabiliseerd is. Acteurs vertrekken, nieuwe aanwas wordt aangetrokken. Dat merk je nu ook weer bij Eline.’
Heebink heeft veruit het grootste gedeelte van haar carrière bij vaste ensembles gezeten. Na haar afstuderen in 1988 sloot ze zich aan bij De Trust: ‘Daar is mijn ensemble-opvoeding begonnen. Theu Boermans predikte het ensemble als dé plek waar je als acteur kan groeien.’ Dat heeft ze ook zo ervaren: ‘Om de beurt kregen we grote kansen, soms kreeg je ook rollen waarvan je in eerste instantie dacht dat je er misschien nog niet klaar voor was. Acteren is een kwestie van oefenen, ontwikkelen, en binnen een ensemble kun je elkaar daarin dekken.’
Een belangrijke meerwaarde van spelen binnen een vast ensemble, is dat je als gezelschap gestaag kan werken aan een eigen speelstijl. Ivo van Hove werkte in zijn ruim twintig jaar bij TA/ITA aan een kenmerkende theatertaal, die zich karakteriseert door grote theatrale gebaren en diep doorvoelde, rauwe pathos – een stijl waarmee hij zich expliciet onderscheidde van veel collega-makers, die vaak juist met veel emotionele distantie rollen vormgaven.
In Den Haag werkte Eric de Vroedt aan een snel gemonteerde, filmische signatuur, waarbij het inhoudelijke engagement meer nadruk krijgt dan de emotionele lijnen van de personages. Guy Weizman kiest voor weldadig totaaltheater, waarin teksttoneel, dans en muziek voortdurend op elkaar ingrijpen. En in het metatheater van Moeremans en haar vaste dramaturg en schrijver Joachim Robbrecht hebben de personages altijd een haarscherpe antenne voor het repertoire waaruit ze ontsproten zijn én de concrete actualiteit van de theaterzaal, en het conflict dat daaruit voortvloeit.
Het ensemble ontwikkelt onder een artistiek leiding niet alleen een eigen speelstijl, maar ook een manier van werken, zegt Heebink. ‘Beide neem je als ensemble mee naar een nieuwe artistiek leider. Ik weet nog dat Eline Arbo na de eerste repetitie met ons ensemble totaal overrompeld was. Wij zijn gewend om met gekende tekst de repetities te beginnen, om zelf met aanbod te komen, om die ideeën ook weer van tafel geveegd te zien worden om een andere afslag uit te proberen. Dat vond ze heerlijk.’ Arbo’s stijl kenmerkt zich door vormelijke keuzes en meer distantie dan ze in Amsterdam gewend waren, zegt Heebink. ‘Maar tegelijkertijd past dat juist heel goed in de speelstijl die wij de voorbije jaren hier ontwikkeld hebben. Juist omdat het verschilt, en elkaar dus aanvult. Uit de combinatie ontstaat weer iets nieuws.’
Ensemble-hiërarchieën
Een ensemble dat lange tijd meegaat, bestaat vaak uit een combinatie van nieuwe aanwas en oudgedienden. Bij ITA ontfermde Heebink zich als mentor over nieuwe leden, zoals Minne Koole, ‘Ntianu Stuger en de inmiddels weer vertrokken Daniël Kolf. ‘Dat is niet formeel geregeld, maar dat is de cultuur die eigenlijk al sinds Rijnders in ons ensemble is ontstaan: je houdt elkaar in de gaten, je zorgt voor elkaar. Ik weet dat er de laatste jaren bij sommigen een andere indruk van ITA is ontstaan, maar dat beeld herken ik niet.’
Heebink refereert aan de onafhankelijke onderzoeken die vorig jaar over ITA zijn verschenen, die onder meer spraken van een onveilige cultuur binnen het ensemble onder de voormalig artistieke leider Van Hove. Daaruit bleek onder meer dat er een gebrek was aan een open aanspreekcultuur. Hierin spelen hiërarchische verhoudingen bij het ensemble ook een rol.
De gepercipieerde hiërarchie is de laatste tijd wel minder sterk aanwezig dan voorheen, concludeert het onderzoek. Onder Arbo wordt er nu onder meer gewerkt met incheckmomenten en een per productie door het ensemble uitgekozen chef d’acteur, als aanspreekpunt voor de acteurs.
Hein van der Heijden heeft het gevoel dat er vroeger binnen ensembles nog meer onderscheid was tussen ‘steracteurs’ en de nieuwe aanwas. ‘Toen ik begon, speelde ik met Kitty Courbois, Sigrid Koetse en Ramses Shaffy, daar was ik van onder de indruk. Die verschillen tussen generaties lijken nu wat meer genivelleerd, ensembles zijn collectiever en gelijkwaardiger geworden.’
Hij heeft de indruk dat er ook anders naar freelancen wordt gekeken door jonge acteurs. ‘Ik denk dat acteurs efficiënter en pragmatischer zijn dan toen ik net afstudeerde, waarschijnlijk ook noodgedwongen omdat er nu veel minder werk is. In mijn tijd deed je sommige dingen simpelweg niet als je als acteur serieus genomen wilde worden: je speelde niet in reclames, ging niet bij vrije producties werken en al helemaal geen musical doen. Televisie was ook dubieus: VPRO kon nog net, de rest was uit den boze. Nu hebben acteurs vermoedelijk ook de luxe niet meer om zo streng te zijn.’
Ook Heebink heeft de indruk dat de nieuwe garde acteurs freelancen vaak aantrekkelijker vindt dan een vast contract. Volgens haar is het noodzakelijk voor een gezond toneelbestel dat er ook vaste ensembles blijven bestaan. ‘Anders dreigt toneelspelen een individuele bezigheid te worden, terwijl: het is een collectieve en doorlopende aangelegenheid. In een ensemble ben je niet alleen maar toneelvoorstellingen aan het produceren, je bouwt samen aan een stijl, aan inhoudelijke thema’s, een stroming, aan repertoire. Je bent een levende toneelbibliotheek. Alleen binnen die lange adem kan het toneelambacht zich blijven ontwikkelen en vernieuwen.’
Foto Dim Balsem







