Locatietheatergezelschap PeerGrouP van artistiek leider Sjoerd Wagenaar werkt dit hele jaar aan het theatrale onderzoeksproject De radius van Allardsoog. Hierin neemt de groep een door de eeuwen heen betwist gebied onder de loep op de plek waar de provincies Groningen, Friesland en Drenthe samenkomen. ‘De beelden die de werkelijkheid me geeft zijn indringender dan de toneelliteratuur.’

Diep verscholen in Drenthe, tussen Norg en Donderen, ligt het voormalige Munitie Magazijn Complex Donderen. Het is een uithoek van het land, waar 24 bunkers liggen. In tijden van de Koude Oorlog lag hier de munitie opgeslagen voor geweren, tanks en ander militair geschut. Het land moest immers worden verdedigd. Aarden heuvels en wallen van zand liggen in lussen om de bunkers, voor het geval het uiterst explosieve materiaal daadwerkelijk voortijdig tot ontploffing komt.

Het locatietheatergezelschap PeerGrouP van artistiek leider Sjoerd Wagenaar (Gieten, 1963) is sinds 2015 bewoner van dit bijzondere terrein. Hier heeft PeerGrouP zijn repetitieruimtes, kantoren, archief, timmerbedrijf, decor- en kostuumateliers, kortom: alles wat een locatietheatergroep zich wenst. Er staat een zorgboerderij, zodat men gerust kan spreken van een artistiek zorglandgoed: kunst en zorg komen er samen. Dit was ook een van de verlangens van Wagenaar zelf, die PeerGrouP ziet als een maatschappelijk geëngageerd gezelschap.

In het hoofdgebouw bevinden zich een keuken, tafels om aan te eten en te werken, reusachtige archiefkasten en vooral een indrukwekkende toneelbibliotheek. Die heeft Wagenaar geërfd van Ritsaert ten Cate, de inspirator en creatief directeur van DasArts in Amsterdam, waar Wagenaar Beeld en Regie studeerde. Wagenaar is een ‘werker met zijn handen’ die ‘in beelden denkt’, zoals hij het formuleert. Wagenaar: ‘Mijn ouders hadden een meubel- en interieurwinkel in Gieten. Ik ontwikkelde me al snel tot bouwer van decors, ook omdat mijn moeder aan het amateurtoneel was verbonden. Ik heb altijd gebouwd en getimmerd. Vanzelfsprekend verdiep ik me in de toneelliteratuur, maar de beelden die de werkelijkheid me geeft zijn veel indringender. Soms zou ik wel een zonnebril willen opzetten, zo overweldigd raak ik door de indrukken van buitenaf. Als ik een autowrak zie, een schilderij en een oude schoen, dan begint zich in mijn gedachten al een voorstelling te ontwikkelen.’

Wagenaar was als vormgever betrokken bij de meest legendarische en invloedrijke voorstelling van het Nederlandse locatietheater, Peer Gynt (1999) van Henrik Ibsen op Oerol, geregisseerd door Jos Thie. Nooit eerder vormden locatietheater, dramatische toneeltekst en vormgeving zo’n geheel. Wagenaar: ‘In dat decor stond een aluminium boom die vlamvatte, er kwam een schip uit de grond tevoorschijn en onder de duinen liep een onderaards gangenstelsel. Dagenlang heb ik in het zand staan graven om de gehele techniek onzichtbaar te maken. Juist die onzichtbaarheid bepaalde de visuele schoonheid van Peer Gynt. Dat was ook een triomf van het locatietheater: de toeschouwer dacht naar een stel duinen te kijken waar toneel werd gespeeld. Maar die duinen waren net als een decor in de schouwburg slechts een buitenkant: erachter en ertussen en eronder bevond zich een wereld aan techniek.’

Een kasteel van elfduizend strobalen

In het hoofdgebouw van PeerGrouP bevindt zich meer dan alleen een theaterbibliotheek: elk denkbaar boek dat er over het Noord-Nederlandse landschap is verschenen en tientallen kaarten liggen gereed voor gebruik. Met deze enorme collectie toont PeerGrouP al aan dat ze andere wendingen neemt. Wagenaar is een theaterkunstenaar voor wie het landschap een cruciale rol speelt. ‘Geleidelijk is mijn belangstelling verschoven naar het landschap, naar theater dat iets zegt over de omgang van Nederland met de ons omringende omgeving’, zegt Wagenaar. ‘Geen land als Nederland is zo vaak op de schop gegaan, elke tien jaar zijn er ingrijpende veranderingen.’

De voorstellingen die PeerGrouP uitbracht spiegelen die aandacht voor het landschap. Het eerste grootse project was De sector (strokasteel). Op een kale akker van tien hectare bouwde de groep vlakbij Veenhuizen een kasteel van elfduizend strobalen. Twee jaar lang, van augustus 2005 tot en met augustus 2007, was dit bouwwerk het centrum van voorstellingen, concerten, exposities en debatten waarin de agrarische sector centraal stond. Tijdens dit landbouwproject, dat als overkoepelende titel De sector kreeg, keken ‘theatermakers, landbouworganisaties en publiek in elkaars keuken’, zoals Wagenaar het formuleert. Zaken als de macht van voedsel, het gebruik van landbouwgrond, landschapsinrichting en technologische ontwikkelingen kwamen aan de orde. Voor dit project werd samengewerkt met verschillende partners. Het uitwisselen van kennis, kunde en ervaring was onmisbaar bij de technische en inhoudelijke totstandkoming van de verschillende projecten. De sector vormde een van de fundamenten voor latere locatievoorstellingen, zoals Ministerie van Turen (2007), waarin het gezelschap zich de vraag stelt hoe mensen zich tot het landschap verhouden. ‘Hoe vormen wij onze mening aan de hand van datgene dat niet louter uit woorden bestaat, maar uit beelden, uit groeiend graan, uit kale akkers?’, aldus het programma. Het Ministerie van Turen was een fictief, tijdelijk ministerie waarin natuur, onze leefomgeving, voedselvoorziening en cultuur werden samengebracht. Het liet zien hoe wij hiermee omgaan en welke ontwikkelingen er rondom slow food en biodiversiteit plaatsvinden. Tegelijkertijd werd er ook een discussie gevoerd over natuurbeheer, boeren en de macht van voedsel. In de PeerJong-voorstelling Beef mee! (2016), gebracht in samenwerking met YoungGangsters en de Noorderlingen, speelt het rampgebied van de Groninger aardbevingen een cruciale rol.

Tijdens een gesprek met Wagenaar slaat hij boeken over het landschap open en laat hij kaarten zien. ‘Ik ben nieuwsgierig naar het landschap en hoe de mens met zijn directe omgeving omgaat, hoe onze aanwezigheid het landschap verandert. Het gaat ons erom hoe wij de theatrale vertaalslag maken van denken over landschap naar theater. Ik ben een beelddenker. Kort geleden zag ik voor het eerst in een veenmuseum in Duitsland een diepploeg uit de jaren twintig van de vorige eeuw. De ploegijzers snijden 2,5 meter diep het land in. De ploeg werd door stoommachines over het land getrokken. Ik zag er een soort schaar in die dwars door het landschap snijdt. Als je goed naar een ploeg kijkt zie je dat het blad het landschap omkeert. Ik kreeg daarbij het beeld van bladzijden in een tijdsgeschiedenis die elke keer omslaan, telkens is er weer een schone lei en een nieuw begin, een nieuwe bladzijde. Weer verder doordenkend zag ik in het resultaat van zo’n diepploeg dat die golven in het landschap achterlaat. Die lijken te bulderen als de golven van de zee die eens lag waar nu de polders liggen. Vanuit deze beelden ontstaat een voorstelling.’

In de landschapswetenschap bestaat een mooi onderscheid waarmee het gezelschap tijdens het voorbereiden van voorstellingen rekening houdt: er is het plastisch landschap en het elastisch landschap. Plastische elementen in een landschap zijn die vormen die zichtbaar zijn, zoals een terp. Elastische elementen zijn de vormen die in de tijd zijn verdwenen en alleen nog op oude kaarten zichtbaar zijn.

Wagenaar is er veel aan gelegen in contact te komen met de mensen die bij het landschap zijn betrokken: de boeren, mensen uit de dorpen, bewoners van het platteland. Zo hoorde hij eens van een boer dat het land waarop hij akkerbouw beoefende ‘volkomen uitgeput en stuk was na negen seizoenen. De natuurlijke ondergrondse structuren en verbindingen die de rijkdom en vruchtbaarheid van de grond bepalen, zijn na negen seizoenen akkerbouw kapot. Dat boeit me.’

Blijft de vraag: Hoe maak je theater van deze landbouwkennis? ‘Allereerst moet je een hechte vertrouwensband opbouwen met de mensen die in het landschap zijn geworteld en die er nauw bij betrokken zijn’, antwoordt Wagenaar. ‘Het is van belang dat je niet denkt in een kant-en-klaar eindresultaat, maar in processen. Soms vergt een voorstelling drie of vier jaar voorbereiding. In die tijd moet je alle betrokkenen bereid vinden met je mee te denken en hun visie geven. Bij het zoeken naar de locatie voor De Drentse Bluesopera in 2011 zocht ik naar een hooggelegen locatie, vanwaar je zicht hebt op het dal en vandaar naar het dorp Gieten. Maar veel mensen gingen dwarsliggen, wel zo’n twintig. Dat was jammer, want het contrast tussen het dorp en het platteland vormt de kern van de opera. Daarom zijn we noodgedwongen lager gaan zitten, op het land van een bevriende boer. Hierdoor viel helaas het weidse zicht op de plattelandsvallei en het dorp weg. Ik wil graag beeld en betekenis samenvoegen. Dit heeft me geleerd in een vroeg stadium de lokale bewoners bij een project te betrekken. Je moet ze nooit confronteren met het eindresultaat, dan haal je het vertrouwen weg. Dat is een van de eerste voorwaarden. Het verkrijgen van evenementenvergunningen heeft ook met dat vertrouwen te maken. Ik laat altijd een onaf plan zien, dat is interessanter.’

In het landschap verscholen

Op dit moment bereidt Wagenaar een voorstelling voor die is geïnspireerd op het boek Venster op Dreischor (2015) door onder anderen de Nederlandse botanicus Joop Schaminée van de Wageningen Universiteit (WUR). In dit boek nemen Schaminée en zijn onderzoekers een vierkante kilometer onder de loep aan de zuidzijde van het dorp Dreischor op Schouwen-Duiveland. De voorstelling in wording heet De radius van Allardsoog, door de groep een onderzoeksproject genoemd. Wagenaar werkt samen met beeldend kunstenaars, studenten van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en hoogleraar Landschapsgeschiedenis Theo Spek uit Groningen. Op een historische kaart wijst Wagenaar een min of meer rechthoekig gebied aan, waarbij Questieus veld of Questieuze veld staat geschreven. Dit is een door de eeuwen heen betwist gebied op de plek waar de drie provincies Groningen, Friesland en Drenthe samenkomen. Er staat daar een prachtige witte drie-provinciënpaal. Met het theatrale onderzoek willen Wagenaar en zijn medewerkers de historie van deze plek onderzoeken, wat die betekent voor de bewoners en welke elementen uit het landschap theatraal van belang zijn. Wagenaar: ‘We kijken uit verschillende richtingen naar dezelfde werkelijkheid, en dat leidt tot boeiende ontdekkingen. Deze werkwijze pas ik ook toe bij social mapping, waarvoor ik onlangs in Engeland was. Ik kwam daar terecht in een kansarm gebied, beheerst door krimp. Met jongeren ben ik het landschap ingegaan om ze te laten zien hoe veel rijkdom, die je op het eerste gezicht niet ziet, er in het landschap ligt verscholen. Waarom zouden ze er weg willen, de stad in? Is het niet beter de kansen te benutten die zich hier voordoen? Op deze manier breng ik het landschap en de ervaringen van bewoners bij elkaar. Dat is weliswaar niet een gangbare theatervorm, maar het is wel van grote betekenis voor de mensen, en daar is het mij uiteindelijk om te doen.’

Een locatietheatervoorstelling die voor Wagenaar van blijvende betekenis is, is Faust inc (2004) naar Goethe over de befaamde en beruchte tovenaar en duivelskunstenaar dokter Faust die zijn ziel aan de duivel verkoopt. De gedroomde locatie was een verlaten en vervallen aardappelmeelfabriek uit 1916 bij Ter Apel in de veenkoloniën van Oost-Groningen. Het dak was destijds ingestort, muren vervallen, ramen gebroken. Waar eens de aardappels werden schoongemaakt en geraspt, groeiden bomen, wilde varens en paardenbloemen. De verlatenheid van de fabriek droeg bij tot Fausts duistere praktijken.

Wagenaar: ‘Ik had het idee dat ik de locatie eerst moest “veroveren”. Dat geldt feitelijk voor alle locaties die je gaat bespelen en die je in hun waarde wilt laten. Eerst wilde ik in de hal een nieuw theater bouwen met een soort lijsttoneel, totdat ik ontdekte dat de voormalige losplaats voor vrachtwagens de vorm heeft van een klein theater, mede door de schuin oplopende vloer. De zijmuren zorgden voor een intieme setting en ja, het dak was de hemel. Met licht en toneelgordijnen ontstond er zomaar een schouwburg op een plek die daar nooit voor was bestemd. De wildgroei aan struiken en bomen gaf als vanzelf dramatische accenten.’

Nadat de laatste arbeiders begin jaren tachtig waren vertrokken keek niemand meer om naar de fabriek – totdat Wagenaar en zijn team in aanloop naar de voorstelling de schoorsteen opnieuw lieten roken. De arbeiders van toen, die veelal nog in de buurt van de fabriek wonen, kregen tranen in de ogen: “hun” fabriek werkte weer, ze leefde. Ze kwamen langs bij het gezelschap en vertelden hun verhalen en herinneringen.

Aan tafel

Geleidelijk is een nieuw element in het gezelschap geslopen: het gezamenlijke eten. Het project De Ronde Tafel is opgezet door Henry J. Alles. De Ronde Tafel is picknicken voor gevorderden: een twee uur durende theatervoorstelling annex maaltijd in het landschap. Zo’n vijftig gasten nemen plaats aan een ronde tafel van tien meter doorsnede, met in het midden de kok en de acteurs. Zij nemen de gasten mee op een gastronomische reis met producten van om de hoek en verhalen uit heel de wereld. De Ronde Tafel werd voor het eerst gedekt in 2008 in Friesland. Daarna streek de tafel ieder jaar wel ergens neer: bij een biologische varkensboer in Noord-Holland, een oude melkfabriek in Drenthe, achter de duinen op Terschelling of bij een verlaten dijkhuis met visstek in De Biesbosch. Aan de tafel wordt gekookt en geacteerd, iedereen kan proeven, luisteren, meepraten. ‘Samen eten is niet zomaar iets’, benadrukt Wagenaar. ‘Aan tafel zijn we onszelf, met onze manieren en onze smaken. Aan tafel kun je over bijna alles praten. Ook over hoe het zover heeft kunnen komen, met onszelf, ons voedsel en ons landschap. De Ronde Tafel borduurt voort op de verhalen die in de afgelopen jaren zijn verzameld. Elke nieuwe tafel neemt de oude verhalen mee.’

“Eerst een keuken bouwen” werd zo geleidelijk het motto van PeerGrouP van de laatste jaren. ‘In de stad maak je ander theater dan op het platteland’, aldus Wagenaar. ‘Ik ben nieuwsgierig naar het landschap waarin we ons bevinden. Wij putten onze inspiratie uit vele bronnen die lang niet allemaal toneelmatig zijn. Ook sociologie, biologie en de culinaire wereld smokkelen we het theater binnen. Daarom werken we nu ook samen met de Rijksuniversiteit Groningen en Wageningen Universiteit in De radius van Allardsoog. Het landschap heeft ons nog zo veel meer te bieden. Dat is voor ons van belang.’