Nastaran Razawi Khorasani (1987) studeerde aan de performance opleiding in Maastricht voordat ze ging spelen bij het Ro Theater en Productiehuis Rotterdam. Inmiddels heeft ze vier voorstellingen voor kinderen en jongeren gemaakt bij Maas theater en dans en zit ze in de nieuwe makers regeling van het Fonds Podiumkunsten. Theatermaker vroeg deze energieke maakster naar wat haar drijft.

Zie je jezelf als speler of als maker?

‘Vanuit de performance opleiding kun je als beide aan de slag. Ik ben in het begin veel gaan spelen, bij onder anderen Alize Zandwijk, Floris van Delft en Moniek Merkx, maar ik heb ik na mijn afstuderen samen met Davy Pieters het collectief KOBE opgericht. Daarmee zijn we vanuit de theaters begonnen, maar eigenlijk hebben we al vrij snel de dance festivals, galeries en clubs opgezocht.

Ik speel natuurlijk nog altijd in mijn eigen voorstellingen, dus mijn ontwikkeling als maker is nog steeds gaande. Maar het is wel echt een verschil of je in iemands regie staat of in je eigen voorstelling. In dat laatste geval heb je meer verantwoordelijkheid, je hebt veel meer verschillende brillen op. Ik merkte bij Uniform, mijn laatste voorstelling die op Oerol in première ging, dat ik dacht: dit is wel groot en heftig. Dat gevoel werd versterkt door het feit dat ik er zelf in speelde. Toen heb ik vlak voor de première echt een knop om moeten zetten en tegen mezelf moeten zeggen: nu ben ik performer en sta ik op de vloer. Het was lastig om mijn makersbril af te zetten.

Maar het is ook een hele leuke overgang waar ik heel blij mee ben. Het voelt als een stap die ik heb gezet. Ik denk dat als ik eindeloos in andermans regie zou spelen, misschien niet het gevoel hebben dat ik door zou kunnen blijven groeien.’

Zie je het echt als twee verschillende brillen, het maken en het spelen?

‘Ja! En dat is een grote luxe. Je vraagt soms dingen van je performers waarmee je ze ziet worstelen, en dan kan ik zelf de vloer opstappen om die worsteling te ervaren. Dan gaat je spelersintuïtie aan, en begrijp je wat er nog niet klopt. Dat is een luxe die een regisseur misschien minder heeft.’

En andersom, kun je je nu ook makkelijker verplaatsen in het perspectief van de regisseur of maker als je in andermans regie staat?

‘Ik ben veel meer gaan begrijpen van het makerschap, de regiekant. Soms kun je op de vloer staan en denken: wat sta ik nou al drie weken te doen? Dat snap ik nu beter: dat er soms in zijn of haar brein al wel een structuur is, en dat het gewoon nog wat tijd nodig heeft voordat wij die op de vloer ook gaan begrijpen.

Tegelijkertijd wil ik ook projecten blijven doen waarbij ik puur als speler wordt gevraagd. Ik wil niet alleen maar eigen werk maken, want daar zou ik knettergek van worden. Ik vind het fijn om niet altijd de eindverantwoordelijke te zijn, en ik vind het erg belangrijk dat ik met veel verschillende mensen kan blijven werken. Ik wil het spelen nog helemaal niet opgeven, ik heb het gevoel dat ik pas net ben begonnen, dus ik wil de komende jaren liefst met allemaal verschillende makers werken.’

En als maker? Hoe is het om zowel volwassen als jeugdtheater te maken?

‘Mijn laatste voorstelling, Bye Bye Baby, was voor 10+ en dat vond ik best spannend. Het werkt soms een beetje tegen me, als ik een doelgroep heb. Omdat ik me dan zorgen ga maken of ze het wel gaan snappen, je moet je er als maker toch van bewust zijn dat je publiek een bepaalde leeftijd heeft. Ik weet dus niet of ik nu ieder jaar een voorstelling voor een bepaalde leeftijdsgroep wil maken. Ik ben meer een maker bij wie het idee moet groeien, dat je een idee hebt waarvan je denkt: dit is echt tof voor kids! En dan klop ik wel bij jeugdhuizen aan. Ik kan niet nu bedenken dat ik vier jaar lang iets voor kinderen ga maken.’

Waar zou je hopen dat het heen gaat?

‘Ik heb wel ideeën die voor de grote zaal. Eentje bijvoorbeeld waarin veel disciplines bij elkaar komen: sport, poëzie, mythes, dans, muziek. Dat zie ik wel als een groot project. Voor mij zijn die ideeën leidend voor waar ik als maker heen wil.

Ik wil natuurlijk blijven maken, maar soms vraag je je dan ook af: tot wanneer? Het is waanzinnig, maar het is ook heel pittig. Misschien heb ik op een gegeven moment wel verteld wat ik wil vertellen, en dan is het klaar. Ik hoef het niet per se eindeloos tot mijn zestigste door te gaan. Ik ben bang dat het misschien op een gegeven moment saai wordt, dat je het al zo vaak hebt gedaan dat je het precies al weet: dan komt de montageweek, dan zet je er een lichtje op. Ik wil het eigenlijk alleen doen als ik zelf die noodzaak voel om dit te vertellen. Dat ik echt voel dat mensen dit moeten zien. En niet omdat ik dit van mezelf moet doen ieder jaar.’

Wat mij opviel bij jou als speler, maar ook bij jou als maker, is dat je werk gekenmerkt wordt door heel veel energie en intensiteit. Was het moeilijk om dat als speler ook naar je voorstellingen te vertalen?

‘Ik denk niet dat ik heel bewust aan het begin van een project denk: het moet energiek en intens. Maar als ik terugkijk naar wat ik bijvoorbeeld bij KOBE heb gemaakt, dan zit de energie wel hoog, en ben ik kapot na de voorstelling. Maar ik ben benieuwd of als ik er een keer als regisseur voor zou zitten en niet mee zou spelen, of het dan anders zou zijn. Want nu wordt het misschien ook wel bepaald doordat ik er zelf in meespeel.

Ik maak eigenlijk de voorstellingen waarin ik zelf het liefst zou spelen. Ik begin met een inhoudelijke fascinatie, maar daarnaast stel ik mezelf de vraag: waar heb ik zin in om te spelen? Bij Uniform wist ik dat het moest gaan over verdwijnen, over opgaan in de groep. Maar daarnaast wilde ik heel graag iets met volksdansen doen. Ik doe dat al sinds ik klein ben, ik kijk heel veel filmpjes, ik ga naar festivals, dus ik wilde heel graag dat dat weer geïntroduceerd zou worden.

Een ander voorbeeld is was mijn allereerste voorstelling: Play It Back. Ik wist dat het over imiteren zou gaan, en of we ook bij een geïmiteerde natuur echt iets kunnen voelen, maar ik wist ook wat ik wilde spelen. Ik wilde heel graag grotesk en ironisch spel onderzoeken zonder dat het slechts een grap zou zijn. Ik wilde onderzoeken of ik, ondanks die speelstijl, mijn boodschap toch nog oprecht over kon brengen. Zo smolten de inhoud en wat ik wilde spelen dan eigenlijk heel organisch samen. En dat is denk ik ook nodig om een voorstelling te maken, dat die twee samenkomen. En tot nu toe is dat ook altijd wel gebeurd.

Maar soms wordt de voorstelling ook deels bepaald door wat ik als speler wel en niet kan. Met mijn laatste, Bye Bye Baby, moest ik op zoek naar nieuwe mogelijkheden met mijn lichaam. Ik ben nog steeds herstellende van een zware rugblessure door overbelasting. Ik kan daardoor niet meer een uur in de vijfde versnelling spelen. Mijn eigen lichaam dicteert wat ik kan maken. We moesten het concept van Bye Bye Baby wel drie keer omgooien, omdat het echt niet ging. En het gaat nu goed, maar ik moet wel voorzichtig zijn. Ik vond dat een interessante zoektocht als speler, en ook als maker. Hoe ga je om met het feit dat je misschien niet een uur lang kan spelen? Ik moet mezelf steeds bedenken in de voorstelling dat ik niet alles kan. En dat maakt me heel creatief, daardoor heb ik allemaal nieuwe dingen gevonden.’

Zijn er voor jou overkoepelende inhoudelijke thema’s in je werk?

‘Een soort groots verlangen, dat is wel iets waar ik naar op zoek ben. Ik ben begonnen bij regisseur Alize Zandwijk, en dat was huge. En ik vond dat waanzinnig! Het groteske spel, in een groots decor met de emoties op tafel. Daar val ik voor.  Het is groots, het is dramatisch en zo kan ik ook heel erg zijn. Ik ben ook een dramatisch persoon in mijn dagelijks leven en dat draag ik ook mee in mijn werk. In Play It Back was het het grote verlangen om de natuur toe te eigenen, te imiteren, maar daar ook een groot drama in te vinden. En bij Uniform het grote verlangen om op te gaan in een groep, om daarin te verdwijnen. Bij de Solo van Nas en Jim het grote verlangen om jezelf te kunnen laten zien, om je individualiteit te kunnen tonen.

Mijn laatste voorstelling, Bye Bye Baby, gaat over de overgangen in een mensenleven, waar we door het leven in gedwongen worden. Overgangen waar we niet aan ontkomen. Van de basisschool naar de middelbare school, van student naar werkende, van vrouw naar moeder. Het gaat ook over hoe zwaar die overgangen kunnen zijn, hoe donker en duister dat kan voelen. En ik toon dat met grootse gebaren. Ik hou ervan als theater groots en meeslepend is. Bij Play It Back speelde ik nog veel met ironie, maar daar ben ik nu al echt wel een tijdje klaar mee. Bye Bye Baby mag het echt niet ironisch zijn, want het is echt een groots onderwerp, het gaat mij aan het hart.’

Zie je nu al grote veranderingen in de thema’s die je aanspreken?

‘Inhoudelijk ben ik denk ik nog steeds wel met hetzelfde thema bezig. Het menselijk gedrag, gevangen in grote verlangens. Bij Bye Bye Baby is het accent denk ik wat veranderd, maar het onderwerp ligt voor mij heel erg in lijn met mijn vorige voorstellingen.

Wat vorm betreft zie ik wel een belangrijke verandering: de ontdekking van choreografie. Bij Uniform heb ik de voorstelling voor het eerst echt als een choreografie benaderd. Veel meer vanuit energie en vanuit puur de beweging. Dat mixt dan met mijn theaterachtergrond waarbij ik ook behoefte heb aan theatraliteit en narrativiteit. Die mix was echt een ontdekking voor mij. Dat is iets waar ik met Bye Bye Baby in door ben gaan zoeken, maar waar ik nog lang niet klaar mee ben.’