De schouwburgdirectrice vond dat de gezelschapsleider niet kon regisseren en het publiek wegjoeg. De gezelschapsleider maakte vervolgens van het Oscar Wilde-stuk Lady Windermere’s Fan met zijn hele ensemble, inclusief de directiesecretaresse en de castingdirecteur, een fonkelende toneelavond voor overvolle zalen. Lang leve het theaterdiscours!

door Loek Zonneveld, foto Roland Gerrits (Anefo – Nationaal Archief)

Tijdens het druk bezochte afscheid op Zorgvlied vatte een vriendin het leven van Cox Habbema samen: ‘Ze heeft een avontuurlijk en afwisselend leven voor zichzelf georganiseerd. En vergis je niet, ze had de regie stevig in handen.’

Die zelfregie begon al vrij snel na de toneelschool. Na haar debuut en wat rollen bij Toneelgroep Centrum vertrok ze in 1969 naar Oost-Berlijn. Ze ging er toneelregie studeren bij regisseur en Brecht-leerling Benno Besson. Ze bleef er twintig jaar, vond in de acteur Eberhard Esche een grote liefde en kreeg een contract bij het Deutsches Theater, een van de Berlijnse stadstheaters in de beste klassieke tradities van het Duitse toneel. Ze leerde er het vak. En ging van de stad houden – een liefde die ze later beschreef in het boek Mijn koffer in Berlijn (2002).

Cox Habbema maakte er tevens kennis met het ‘reëel bestaande DDR-socialisme’. Nadat in 1976 de zanger-dichter Wolf Biermann na een tournee in West-Duitsland de DDR niet meer in mocht, ondertekenden Habbema en haar man (met vele anderen) een protestbrief die tot een feitelijk beroepsverbod leidde.

Midden jaren tachtig keerde ze terug naar Nederland en presenteerde voor de televisie het kunstprogramma Nederland C. In 1986 werd ze directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg, een functie die ze tien jaar bekleedde. En daar begon het Mokumse gelazer in de glazen. In hetzelfde jaar werd theatermaker Gerardjan Rijnders namelijk artistiek directeur van Toneelgroep Amsterdam. Het was eigenlijk meteen oorlog. Rijnders was van mening dat regisseren anno 1986 meer was dan ‘het overschreeuwen van een negentiende-eeuwse toneelarchitectuur’. Hij wilde de zaal grondig verbouwen. Cox Habbema wilde dat misschien ook wel, maar ze voelde zich tevens verwant aan de schouwburg als tweede huid voor een rijke toneelspeeltraditie. ‘Haar’ Deutsches Theater in Oost-Berlijn was immers een van de grootste bonbonnières van Europa, maar dat had de vernieuwing nooit in de weg gezeten.

Verder vond Cox Habbema dat Gerardjan Rijnders als regisseur eigenlijk een prutser was, die met voorstellingen als Bakeliet en Titus Geen Shakespeare vooral het publiek de schouwburg uit jaagde. Quod non. Rijnders betrok met zijn gezelschap een oude hal op het Westergasterrein. Om daar de voorstellingen te maken die hij ook wilde maken, en die in de schouwburg (die hij overigens intensief bleef bespelen) zijns inziens niet gemaakt konden worden. Bedenk daarbij: de zwarte doos die nu de Rabozaal is, bestond nog niet. De Shakespeareaanse toneeloorlog tussen Habbema en Rijnders maakte waarschijnlijk in de geesten van kunstenaars, cultuurpolitici en ambtenaren de grond bouwrijp voor die verrijking van de schouwburg. We mogen die twee wel dankbaar zijn voor hun scherpe discours.

Dat de geschiedenis daarvan nog grondig moet worden geschreven, ‘bewijzen’ de rare schuivers in de herdenkingsartikelen die na de dood van Cox Habbema werden gepubliceerd. Overigens vooral geschreven door mannen met vochtige herendromen. Want Cox Habbema was ook een ‘mannenfantasie’. Zoals hartsvriendin Carla Delfos op begraafplaats Zorgvlied illustreerde met de volgende anekdote: ‘Aan het begin van een speech die ze ergens hield in een zaal met voornamelijk mannelijk publiek stopte ze opeens, stapte van het spreekgestoelte af, ging voor op het toneel staan, draaide elegant rond als een volleerde mannequin en zei: “Kijkt u maar even goed, heren, zo ziet een vrouw er dus uit, dan hebben we dat tenminste gehad.”’

Nadat ze klaar was in de schouwburg werd Cox Habbema weer een ‘gewone mevrouw’, die mensendingen met mensenkunst voor elkaar kreeg, omdat ze dat eenvoudigweg niet laten kon. Ze hielp in Almere een stadsgezelschap in de grondverf te zetten en in Assen een schouwburg te hervormen, met een in de regio gewortelde toneelvoorziening. En ze keerde regelmatig terug naar Berlijn. Waar ze in een hofje bij de Prenzlauer Allee een kleine theatertje stichtte dat haar naam droeg, ‘das HABBEMA’. Waar haar favoriete schrijver uit de DDR, Peter Hacks, geëerd, gelezen en gespeeld werd, en Brecht geciteerd en gezongen. Tot het op was, en gedaan. En voor Cox genoeg ook. Tot Heinrich Heine, haar lievelingsdichter, die ook haar rouwadvertentie sierde, als het ware het licht kwam uitdoen.

Die letzte Lampe ächzt und zischt

   Verzweiflungsvoll, und sie erlischt.

   Das arme Licht war meine Seele.

 Cox Habbema is 72 jaar geworden.