Gedurende haar lange carrière smeedde Liesbeth Coltof hechte banden met verscheidene toneelschrijvers. Sommigen schreven slechts twee teksten voor haar, anderen meer dan twintig. Wat hebben deze samenwerkingen voor het theaterlandschap, het repertoire en voor de ontwikkeling van deze schrijvers betekend? Theatermaker sprak met Peter de Graef, Pauline Mol, Ad de Bont en Roel Adam over hoe zij terugkijken op die – vaak decennialange – werkrelaties.

‘Liesbeth is de allereerste geweest die mij een opdracht gaf om een stuk te schrijven dat ik niet zelf ging spelen’, vertelt Peter de Graef (60). Hij schreef in 1994 Jeanne d’ Arc voor Huis aan de Amstel, een zeker voor die tijd bijzonder spirituele en lijvige jeugdtheatertekst. ‘Ze zei: “Jij moet het schrijven, ik hou je handje wel vast.” Dat was zo lief en belangrijk. Toen durfde ik het wel. Het is een hele mooie voorstelling geworden en ik heb er met bijzonder veel plezier aan gewerkt.’

‘Ik schreef een eerste onaffe versie, stuurde die vrijdag op. Maandag kwamen we samen en dan gaf ze vlijmscherp aan wat er nog moest gebeuren. Een glashelder lijstje, waardoor het stuk naar een hoger niveau werd getild. Zo kon ik de vrijdag daarop alweer de volgende versie aanleveren. Liesbeth kan een tekst lezen en precies de zwaktes aanduiden en dan oplossingen aandragen. Zo ken ik verder niemand.’

‘Liesbeth is als een oudere zus voor mij, die me over grenzen heeft getrokken waar ik zelf niet overheen durfde. Inmiddels heb ik wel naam gemaakt als toneelschrijver, maar bij haar is het begonnen.’

‘Ze heeft maar weinig hoeven doen om me te stimuleren. De wetenschap dat zij beschikbaar was om mij te helpen, was voldoende. Ik ben gewoon nooit vast komen te zitten.’

Later bewerkte De Graef Parcival voor Coltof en schreef hij nog twee teksten voor haar gezelschap. Daarnaast speelde hij in meerdere van haar voorstellingen.

‘Ik moet Liesbeth vrij laten in de regie en zij laat mij ook vrij in het schrijven of spelen. Ze kan altijd met mijn teksten aan de slag, ze is dan ook een uitermate begenadigd regisseur. Bij ons laatste project, De Storm, waarin ik meespeelde, stond ze erop om dat hele stuk te doen, alle scènes. Ze hield voet bij stuk en heeft, ondanks de nodige worstelingen, een fantastische voorstelling gemaakt.’

Coltof heeft de toneelschrijver in De Graef aan de oppervlakte gebracht, zegt hij. ‘Zij heeft me op die fiets gezet om te gaan schrijven. Ik was wel bang om te vallen, maar ik begon gewoon te fietsen! Ze heeft me ook het vertrouwen gegeven om voor anderen te schrijven. Vaak mensen die lang niet zo vakkundig waren als Liesbeth. Maar ik durfde het toch aan doordat ik zelf zo veel van haar leerde. Ik keek hoe zij met mijn teksten omging. Waar ze knipte, hoe ze knipte, hoe ze dacht. Dus ja, door Jeanne heb ik in no time ontzettend veel geleerd. Maar vooral denk ik dat zij iets wat in mij sluimerde heeft wakker gemaakt. En toen dat er was, kon en durfde ik verder.’

Kern van het menszijn

De Graef is niet de enige schrijver die aangeeft op een soort zielsniveau een band met Coltof te voelen – ook bijvoorbeeld Pauline Mol (1953) voelt dat. Daarbij delen Mol en Coltof een diep wederzijds begrip over wat theater voor de jeugd zou moeten zijn: mythische verhalen over basisemoties en de kern van het menszijn.

Over het maakproces van Ifigeneia Koningskind (1989) vertelt Mol: ‘Ik herinner mij dat wij elkaar zo goed verstonden dat de regieassistente ons niet kon volgen. Alsof we een soort geheimtaal voor haar spraken, terwijl het voor ons klinkklaar was. Liesbeth en ik hadden een verbinding over hoe we ons wilden verhouden tot het vak en tot het publiek en tot onszelf. Daarin verstonden we elkaar verschrikkelijk goed, hadden we elkaar echt gevonden.’

‘Dat was ook eng. Wat zijn we aan het doen en kan dat eigenlijk wel? Maar we bleven steeds supertrouw aan wat we vonden dat we moesten maken. Als je iets nieuws uitvindt en dat wordt met heel veel liefde en ontroering ontvangen, dan heb je iets overwonnen, iets belangrijks gedaan. Pas later wordt een toneelstuk een opzichzelfstaand werk. Dag Monster en Ifigeneia zijn ontstaan uit een intensieve wisselwerking, in de eerste fase zelfs op en naast de speelvloer. Dat samen ontwikkelen van een stuk, met ieder een eigen verantwoordelijkheid voor tekst of regie, dat ligt voor altijd in die toneeltekst besloten, ook als die een eigen leven gaat leiden.’ Mol beschouwt ze als de stukken die op dat moment uitdrukten waar haar leven over ging. ‘Dat strekt heel ver. ik vertrouwde Liesbeth volkomen. Beide stukken zijn mijn impuls geweest, mijn initiatief. Maar zonder Liesbeths verbeelding en vormkracht waren ze nooit geworden wat ze nu zijn.’

Coltof en Mol hebben slechts drie voorstellingen samen gemaakt: Dag Monster (1986), Ifigeneia Koningskind (1989) en Storm*gek (2007). Vooral de eerste twee waren belangrijke, voor het jeugdtheater van die tijd zeer markante voorstellingen en werden later door verschillende gezelschappen op het repertoire genomen, ook in het buitenland. ‘Dankzij Liesbeth heb ik als schrijfster hele belangrijke stappen kunnen zetten’, vertelt Mol. ‘Ifigeneia was denk ik de eerste heldere bewerking van een klassieke toneeltekst voor kinderen. Die actualisering en het helemaal opnieuw opbouwen van de tekst vanuit het perspectief van het kind, dat was nog niet eerder gedaan. Dat was voor ons ook het fantastische van het jeugdtheater: er was geen traditie dus we moesten en konden alles nieuw uitvinden.’

Hun wegen liepen vervolgens uiteen, Mol richtte zich steeds meer op andere dingen, ook buiten het theater. In 2007 kwamen ze weer samen voor de productie van Storm*gek, maar dat was een lastig maakproces. ‘Dat is ook het vak: je weet nooit hoe iets zal lopen’, lacht Mol. ‘Liesbeth is altijd doorgegaan in het jeugdtheater, ik niet. Maar de thema’s waar we zo intens over hebben gesproken en mee hebben gewerkt, die horen bij mijn leven. Thema’s zoals het gekwetste kind, het kind dat gered moet worden, wij die denken dat we kinderen kunnen en zouden moeten redden. Het gaat altijd over leven, dood, liefde. Maar het woord liefde, in godsnaam, wat zeggen we daar nu eigenlijk mee?’

Vechtrelatie

Liefde is waarschijnlijk de kern van de relatie die acteur en schrijver Roel Adam met Coltof heeft. De twee kennen elkaar sinds het begin van de jaren zeventig en sindsdien heeft Coltof maar liefst tweeëntwintig toneelstukken van Roel Adam geregisseerd. En Adam heeft – schat hij zelf – in een stuk of vijfendertig van haar voorstellingen gespeeld. Wellicht is hun hechte relatie en intense samenwerking er de oorzaak van dat hij moeite heeft om te verwoorden wat Coltof in al die jaren voor hem betekent heeft. ‘Dat al die voorstellingen gerealiseerd zijn, dat is toch het belangrijkste wat onze samenwerking heeft voortgebracht, het openen van die ideeënwereld. Hoe we het zo lang en intensief met elkaar hebben volgehouden? Dat is een soort liefde denk ik. Liefde zeker voor theater maar ook voor elkaar. En volharding, het blijven volhouden met elkaar.’

In de jaren zeventig hadden de twee een liefdesrelatie, maar ook daarna zijn ze altijd dicht bij elkaar gebleven. ‘We hebben veel strubbelingen, een soort vechtrelatie. Maar altijd vanuit de wil om het werk centraal te stellen. We hebben allebei een enorme passie – vreselijk woord vind ik dat – voor het levende toneel en voor de positie van kinderen. Ik denk dat Liesbeth, nog meer dan ik, heel erg ver gaat, zichzelf en haar gezondheid wil opofferen voor haar werk. Als je dat zo belangrijk vindt, kun je veel ruzies doorstaan. De voorstelling staat voorop, die moet goed worden. Dan maar een enorme strijd voeren, totdat je eruit bent.’

Coltof en Adam zijn opgegroeid in de traditie van het collectieve theatermaken à la het Werkteater, waarna Coltof zich op regisseren richtte en hij ging schrijven en spelen. ‘Ik schrijf niet voor Liesbeth’, stelt hij nadrukkelijk. ‘Ik schrijf voor mezelf en het publiek, voor het stuk en de spelers. Liesbeth maakt die teksten dan tot gerealiseerd theater. We overleggen wel over wat we gaan maken, maar ik ben autonoom in het schrijven. Zij schrapt natuurlijk wel dingen, of vraagt om aanpassingen. Maar ik vind niet dat een schrijver zijn teksten in dienst van een regisseur moet schrijven.’

Hij heeft zich altijd sterk vereenzelvigd met het gezelschap, vertelt Adam. ‘Ik heb altijd gedacht: ik schrijf voor Huis aan de Amstel, later De Toneelmakerij. Dat zijn wij. De stukken die ik voor Paul Knieriem heb geschreven, schreef ik niet met een andere intentie dan die voor Liesbeth. Dat collectieve zie ik als iets heel essentieels.’

Dat hij als schrijver vaak ook meespeelt in de uiteindelijke voorstelling, is soms wel lastig, geeft hij toe. ‘Er is toch een groot verschil tussen de geschreven tekst en de uiteindelijk gespeelde tekst. Als een speler niet doet wat ik denk dat hij moet hij moet doen met de tekst, dan vind ik het wel moeilijk om het over te laten aan de regisseur. Voor Liesbeth en de andere acteurs is het soms heel lastig dat ik meespeel en me ermee bemoei. Het geeft vaak veel spanningen, maar Liesbeth is degene in mijn leven met wie ik het beste ruzie kan maken. Dat is een hele kunst: ruzie maken en toch bij elkaar blijven.’ Theater heeft altijd een beetje de kleur van oorlog, stelt Adam. ‘Het is een dialoog en als die heftig wordt, komt er oorlog. Doorsta je die, dan komt er vrede. Liesbeth en ik hebben geen bestendige vrede nodig, we komen altijd wel weer op een goed uitgangspunt uit.’

Roel Adam bewondert vooral Coltofs talent om te verbinden. ‘Ze heeft een enorm vermogen om mensen van verschillend slag bij elkaar te brengen, zoals nu in De Krijtkring Frédérique Spigt en mij en alle andere spelers. Liesbeth werkt vanuit een enorme chaos, dat kan soms erg verwarrend zijn. Maar het komt altijd toch goed. Op het allerlaatste moment of zelfs na de première, maar het komt goed. Die chaos levert altijd iets moois op. Ik denk omdat ze heel gevoelsmatig regisseert. Dat kan Liesbeth heel goed: open kijken naar wat zich aandient, hoe die tekst gaat en wat die spelers dan doen. Ze zal nooit een vaststaand concept of idee over een rol of een stuk presenteren. Zij kan heel goed kijken naar wat er het moment gebeurt en daar de kwaliteit uithalen.’

Metgezel op een moeilijk begaanbaar pad

De eerste samenwerking tussen Coltof en Ad de Bont (69) stamt uit 1990. ‘Toen ik Garuma wilde gaan doen, over de opkomst en ondergang van een voetbalheld, ben ik met Liesbeth gaan praten. Dat was meteen een heel inspirerend gesprek omdat wij elkaar vonden in een aantal basale uitgangspunten zoals het willen vertellen van belangrijke verhalen over de wereld van nu, met veel theatrale middelen. Niet alleen maar het oude vormingstheater, maar ook de poëzie, schoonheid en sfeer van het theater.’ Vervolgens duurde het nog een hele tijd voordat hun samenwerking echt intensiveerde. In totaal heeft Coltof misschien tien teksten van De Bont geregisseerd, lange tijd hadden ze immers ieder hun eigen gezelschap: hij Theatergroep Wederzijds en zij Huis aan de Amstel. ‘Ik denk dat de eerste grote intensieve samenwerking was in 2008, toen we samen Batte maakten, ter gelegenheid van de heropening van de Haarlemse Schouwburg. We werkten toen weer op dezelfde manier samen als we bij Garuma deden: ik kom met een idee, we praten daarover, dan kom ik met een eerste versie, dan levert Liesbeth commentaar, ik kom met een tweede versie en dan bespreken we die weer. Zo ontstaat een gezamenlijk eindresultaat.’

Net als De Graef en Mol roemt De Bont de dramaturgische talenten van Liesbeth Coltof. ‘Ze denkt én over de grote lijn na – wat heeft dit verhaal ons het publiek te vertellen? – én over de opbouw van de verschillende onderdelen en de personages. Daar is zij heel helder in, ze kan heel snel de vinger op een zere plek leggen. Dat is heel fijn voor een schrijver, als je er tegen kan. Zo niet dan is het heel confronterend, dan lijkt het wel of jij het niet kan en de ander weet hoe het moet. Dat gevoel heb ik nooit gehad. Ik denk dat onze samenwerking zo goed was door de wederzijdse herkenning van iemand die vanuit dezelfde grondprincipes werkt. Betrokken bij de wereld van kinderen, betrokkenheid bij de maatschappelijke werkelijkheid en een grote behoefte aan theatrale poëzie. Ze heeft mij ook gesteund in mijn idee om in blanke verzen te gaan schrijven. Een wat meer complexe taalvorm die voor kinderen niet erg voor de hand ligt. Dat heeft ze zonder enige angst gevolgd, bijvoorbeeld in Mehmet de Veroveraar. Zij kon dat zo op het toneel zetten, dat het voor vierhonderd kinderen toch perfect te volgen was, dat ze ademloos luisterden. Zij kon de juiste helderheid en de juiste lijnen aanbrengen.‘

Tijdens het werken aan Batte, werd het nieuwe kunstenplan gepresenteerd en daarin het idee dat er nieuwe bis-gezelschappen zouden komen. In elke regio een zou bis-gezelschap moeten komen en Noord-Holland was een regio. In plaats van met elkaar te concurreren, leek het logisch dat Wederzijds en Huis aan de Amstel zouden fuseren. Met het gezamenlijke budget zouden ze grootse dingen kunnen doen, vernieuwingen in het jeugdtheater kunnen bewerkstelligen. ‘En aldus geschiedde. Tijdens de eerste kunstenplanperiode met het gefuseerde gezelschap hadden we geloof ik 2,7 miljoen euro subsidie. Dat was fantastisch. Daarmee hebben we ook producties als Mehmet kunnen maken, producties zoals die in het volwassenentheater veel gebruikelijker waren: marathonvoorstellingen met veel acteurs. Wij wilden ons ook op een groter vlak gaan ontwikkelen, maar ja, toen is Halbe Zijlstra gekomen. De droom van een flink gezelschap voor de jeugd viel in duigen, en dat viel toevallig samen met mijn vertrek als mede artistiek leider. Dat was vooraf al afgesproken: ik zou dat eenmaal vier jaar doen, samen met Liesbeth en daarna met pensioen gaan.’

De Bont ziet Liesbeth Coltof als een metgezel op een soms moeilijk begaanbaar pad. ‘Het was gewoon heel leuk om samen tien jaar ten strijde te trekken. Het is natuurlijk zo dat jeugdtheater nog steeds een beetje een ondergeschoven kindje is. Maar bedenk eens hoeveel procent van de Nederlandse bevolking er eigenlijk kind is. Hebben zij dan geen recht op volwaardige kunst? Waarom kunnen volwassenen naar tragedies in de schouwburg gaan en waarom is er nooit zoiets te zien voor kinderen? Dat heb ik altijd onbegrijpelijk gevonden. Het is fijn om iets wat je zo ontzettend belangrijk vindt met iemand te delen.’