Ik was bezig met Simone de Beauvoir toen het bericht me bereikte dat er shows werden gecanceld. Ze zat op mijn bureau toen ik haar vertelde dat het nu even niet meer om haar ging. Ik legde de twee boeken weg, een nieuwe biografie en een boek vol essays over haar werk, die me zouden moeten inspireren tot een spoken word-gedicht, wat ik een week later op een avond in Spui 25 zou voordragen. Ze keek bedenkelijk. ‘Dus het is dan even niet belangrijk wat ik uitdraag’, vroeg ze. ‘Er is een ramp gaande’, antwoorde ik, ‘een wereldwijd virus dat de mensheid bedreigt.’ ‘Maar’, ging zij door, ‘denk je dat existentiële vragen in zo’n tijd geen rol spelen?’ ‘Nou, misschien wat minder.’ ‘Feminisme?; ‘Misschien nu even niet’, opper ik. ‘Nu meer dan ooit’, snuift ze. ‘Je zal zien dat er een patriarchaal patroon in zo’n crisis te ontdekken is. Je zal zien dat het zwaarder voor vrouwen is, dat de meeste last op hun schouders terecht komt. Nu meer dan ooit’, herhaalde ze en duwde De Tweede Sekse dichter naar me toe. ‘Toe, schrijf nu maar verder.’

De volgende mail kwam binnen. Ook het festival over zusterschap werd gecanceld. De Boekenweek was plotsklaps afgelopen, het culturele centrum in Arnhem liet weten dat de ‘Rebellen en Dwarsdenkers’ avond niet door zou gaan. Ik had me verheugd om het podium te delen met linkmiegels Stella Bergsma en Özkan Akyol, ik had de performance van mijn rebelse gedicht al weken geoefend. Het programma rond vrijheid kon niet verplaatst worden – dus werd afgezegd. De lezing over spoken word tot nader bericht uitgesteld.

Terwijl de afmeldingen binnenstromen wordt het steeds rumoeriger op mijn schrijftafel. ‘Hoezo’, roept Vrijheid, ‘schrijf je niet verder?! Het ging net lekker.’ ‘Ja, schrijf door’, roepen meerdere stemmen. ‘Ahum’, een keurig kuchje uit de hoek, ‘u zou ook nog iets schrijven over Geletterdheid, weet u nog’. ‘En over mij’, krijst Empathie, ‘je weet wel, voor de jaarlijkse bijeenkomst’. Er vliegt wat spuug uit zijn mond wat vlak voor mij op tafel belandt. ‘Maar jullie gaan allemaal niet door, begrijp dat dan’, roep ik terug. ‘Maakt niet uit. Schrijf door’, wordt er geroepen uit een lade. ‘Ja’, roept nu iedereen in koor, ‘waarom schrijf je niet door?’

‘Omdat’, zeg ik terug, ‘als in een oerwoud een boom omvalt en niemand hoort het, maakt het dan geluid?’ ‘Wat heeft dat er nou mee te maken’, vragen De Beauvoir en Geletterdheid tegelijk. Het Rebelse Gedicht komt met uitdagend vooruitstekende kin recht voor me staan, schouder aan schouder met Empathie. ‘Nou, als ik over jullie schrijf, maar het niet kan voordragen, wat maakt het dan uit? Niemand hoort het.’ ‘Je danst toch ook wel eens als niemand het ziet’, zegt Vrijheid. ‘Dat is vrijheid.’ ‘Dat is anders’, zeg ik. ‘Ik heb geen vitaal beroep, ik red geen levens dus het is totaal zinloos.’

Die avond app ik met een jeugdvriendin. Ze werkt op de Intensive Care van het LUMC. Ze stuurt me een foto van haar en een collega, ze dragen forse mondkapjes en skibrillen. Ze schrijft me dat ze zich een slag in de rondte werkt en dat het de meest bizarre en heftige situatie is die ze ooit heeft meegemaakt. Ik schrijf terug dat ik me totaal nutteloos voel. ‘Nee joh’, zegt ze, ‘iedereen piekt op zijn eigen tijd.’ Ik app terug dat zij toch veel belangrijker werk doet. ‘Alle schakels zijn even belangrijk. Moet je eens zien hoe iedereen cultuur mist. Je weet niet wat ik er voor over zou hebben om een avondje naar het theater te gaan.’

Ik bekijk mijn tijdlijn vol video’s, foto’s, livestreams en podcasts. Artiesten die op elke manier van zich laten horen. De podia en musea openen virtueel hun deuren. De creativiteit stroomt rijkelijk. Van alle kanten bereiken mij uitnodigingen om gedichten door te sturen, in te spreken, te reflecteren in spoken word op de radio, in een podcast, in een of ander nieuw digitaal project. Ook al zijn de podia gesloten, de festivals afgezegd, niets lijkt kunst te kunnen stoppen.

Dan hoor ik een stem, dit keer van binnen, die zegt: doe het toch maar. Schreef ik daar niet eerder een gedicht over? Zeg ik niet altijd dat ik móet schrijven, dat ik verhalen moet blijven vertellen, no matter what. Vertel ik niet in elke workshop hoe belangrijk het is om verhalen te blijven delen. Ook als het totaal nutteloos lijkt. Ook als je er niet meer in gelooft. Dat wij, de schrijvers, de dichters, de spoken word-artiesten de wereld moeten blijven voorzien van sociaal commentaar. Ook als niemand je hoort.

doe het toch maar,
zeg dat maar tegen jezelf
op de momenten dat je niet meer weet
waar je het voor doet.
waarom je soms weken, maanden, soms zelfs jaren
aan het kauwen bent op een mondvol klank,
waarom je zoveel moeite doet
om de beelden uit je hoofd te vertalen
en verhalen te vertellen
die zich door je huid
een weg naar buiten dringen.
doe het toch maar,
moet je af en toe in de spiegel fluisteren
als je ziet hoe de late avonden, de gebogen houding, de eenzaamheid,
de felle lampen,
slecht geventileerde kleedkamers,
hun sporen achterlaten op je lijf, op de huid van je gezicht.
hoe je je keer na keer begeeft onder het oordeel
van een ieder wier ogen
blijven haken achter wat ze zien,
een ieder
die maar de behoefte voelt
iets van je te maken en te vinden,
en dat hartgrondig deelt met de rest van de wereld.
doe het toch maar
ook al lachen ze je kunst uit
bezuinigen je werk weg
vinden ze je een linkse hobby
vinden ze dat je maar normaal moet doen
doe het toch maar, herhaal dat tegen jezelf
als je je weer eens realiseert
dat je de wereld nooit zal kunnen veranderen
met een handvol kunst
geen oorlog zal je er mee beslechten,
geen hart zal door jou niet breken.
je zal de eenzaamheid van de buurvrouw
niet kunnen wegschrijven,
en een virus dat de mensheid hard treft
niet kunnen stoppen
wat is het dan in hemelsnaam waard?
blijf het maar doen
ook als je denkt dat de wereld niet zit te wachten
op jou en je verhalen,
vertel ze toch maar
ook al hoort niemand ze
want ergens weet je
dat dit het enige is waardoor je
in vrede met jezelf en de wereld kan leven.

De bundel Doe Het Toch Maar van Babs Gons verschijnt later dit jaar