Twee kompanen, Marc van Warmerdam en Peter Zegveld, herinneren zich Dick Hauser.
Behoorlijk goed
door Marc van Warmerdam
De zeventiger jaren van de vorige eeuw. Het grijze verleden werd afgeschud. Alles moest anders. Geen autoriteit. Alles samendoen. Wij waren kwajongens. Maar wij waren geen domme kwajongens. Wij bedachten namelijk een collectief met een hiërarchische rolverdeling. Chris (Bolczek) speelde de administrateur, mijn broer Vincent speelde de notulist, ik speelde de transportcoördinator. En Dick? Dick speelde de leider. Dat deed hij met verve. Zelf zou hij zeggen ‘behoorlijk goed’. En wij speelden vol overgave zijn onderdanen. Inclusief ondermijning van het gezag, uiteraard. ‘Jongens, even centraal nou’. Hoe vaak heb ik dat Dick niet horen zeggen.
Het spel werd serieus gespeeld. Elke beslissing, artistiek of productioneel, ging ontelbare keren door de molen. We kenden elkaars sterke en minder sterke punten en we spaarden elkaar niet. Acht jaar waren wij samen Hauser Orkater. Met overtuiging, met plezier, met humor, met een gevoel van verantwoordelijkheid voor elkaar. Het resultaat mocht er zijn: publiek, goeie kritieken, mooie tournees en waardevolle ontmoetingen.
Vanaf 1980 ging iedereen zijn eigen weg. Wegen die elkaar kruisten, maar ook wegen die als parallelle lijnen aan de horizon verdwenen. Hoe je het ook wendt of keert als je langs diezelfde lijnen terugreist in de tijd kom je uit in Amsterdam-West vlak bij de Kolenkit. Daar werd een Amsterdamse praatjesmaker geboren die nog flink van zich zou laten horen.
Groepeerder
door Peter Zegveld
Ik leerde Dick persoonlijk kennen toen hij directeur was van het Shaffy Theater. Een goed geklede lange man met een kop zwart golvend haar, links van het midden een grijze streep. Een verschijning die indruk maakte.
Hij gaf daar het experimentele theater een podium. Zowel beeldend muziektheater als het conceptuele teksttheater kregen daar een kans. Het Shaffy was midden jaren tachtig een stevig artistiek kloppend hart in Amsterdam.
Maar de tijden veranderden, het management kwam, Shaffy weg en de theaterwetenschappers gingen nu theater maken.
Dick ging regisseren. Hij was opgeleid als toegepast graficus, en kwam uit de tijd waarin er nog geen opleidingen bestonden voor dramaturgen of cultureel managers. Dick was een praktische man, iets werkte of iets werkte niet.
Dick was ook bassist. In de zeventiger jaren legde hij in Hauser Orkater samen met het slagwerk de muzikale fundamenten.
Ik las dat Dick na het Shaffy zo’n 110 voorstellingen heeft geregiseerd. Dick was geen dramaregisseur, hij was naar mijn idee een man van de efficiëntie, een lay-outer, een groepeerder. Hij kon als geen ander ordening en lijn aanbrengen, zowel beeldend als muzikaal, waardoor alles een meerwaarde kreeg.
Je voelde je als maker veilig bij hem, hij gaf zowel het experiment als het cliché de kans om te schitteren; iets werkte of iets werkte niet.
Dick had iets meneer-igs, ik vond die formele kant heel prettig aan hem. Een warme distantie.
Foto Peter Zegveld







