1949
In deze afdeling is niets van nationale aard vertegenwoordigd. Noch muziek, noch choreografie, noch dansers zijn van eigen bodem. Op dit gebied zijn wij helaas (nog) geheel van buitenlandse kunstenaars afhankelijk.
(Redactie bespreekt de Balletten in Toneelschild jaargang 4, nr.6)1955
Nederlands Ballet op de goede weg.
(Joop Schultink in Het Toneel, jaargang 76, nr. 7/8)

1960
Hoe anders moet men de felle persoonlijke vijandschap verklaren, die alleen de vertegenwoordigers van de nieuwe stromingen ten deel valt?
(Joop Schultink over nieuwe stromingen in de dans in Het Toneel, jaargang 81, nr. 5)

1965
Er zijn maar heel weinig lichtpunten voor iemand, die probeerde ook hier in de danskunst te geloven.
(In Memoriam Joop Schultink, Nederlands eerste danscriticus door David Koning in Het Toneel, jaargang 86, nr. 3-4)

1976
Hij was uit zijn ruimte op de Lijnbaansgracht gezet. Daar had hij een leegstaande melkfabriek eigenhandig verbouwd tot studio voor zijn dansgroep, waar hij ook les gaf en woonde. Het gebouw stond op de nominatie om gesloopt te worden en plaats te maken voor een nieuw politieburo, maar Koert Stuyf mocht er zolang van de gemeente voor niks in. Toen werd het gebouw gesloopt. Stuyf verloor een kort geding en stond op straat. Hij had inmiddels wel een nieuw pand gevonden aan de Stadhouderskade maar dat was vooral een ruïne. De verbouwingskosten werden getaxeerd op ruim twee-en-een-half miljoen gulden. Het ministerie van Onderwijs had het er niet voor over, CRM en de gemeente Amsterdam evenmin.
(Gerardjan Rijnders reconstrueert de conflicten rond Dansgroep Eigentijdse Dans in Toneel Teatraal, jaargang 97, nr. 5/6)

1987
Financieel staan de danswerkplaatsen er zonder uitzondering moeilijk voor. Al jaren knopen de initiatiefnemers door onbetaalde arbeid en met behulp van vrijwilligers de touwtjes aan elkaar. De inkomsten uit cursusgelden dekken ternauwernood de kosten voor huur, gas en elektra. De sterke verhalen over de gemeentelijke grondbedrijven die hogere huren vragen dan in het bedrijfsleven gebruikelijk zijn, zijn niet uit de lucht gegrepen.
(Yvonne Beljaars inventariseert de initiatieven in Notes, jaargang 2, nr. 3)

1992
Ik weet toevallig veel van minderheidsgroepen. De vergelijking gaat niet helemaal op, maar: emancipatie in een groep komt tot uitdrukking in de bereidheid tot samenwerken. Je kunt je afvragen of de danswereld zo geëmancipeerd is dat ze bereid zijn samen te werken.
(Benno Premsela in gesprek met Maarten van den Heuvel in Notes, jaargang 7, nr.4)

1996
Dit soort politiek pragmatisme is typerend voor de gang van zaken in Amsterdam. Eerst moeten de problemen zich huizenhoog opstapelen en er moeten ook flink wat ‘woningzoekenden’ ronddwalen, pas dan wil de gemeente zich over zijn culturele vraagstukken buigen. Het liefst moeten alle problemen dan in één klap opgelost worden, zelfs als daarmee de meest vergezochte combinaties gemaakt moeten worden: alle woningzoekenden onder één dak (…) De ‘last- minute’ actie voor een nieuw ‘Danscentrum’ zal een zelfde lot beschoren zijn. Eerst moet iedereen op straat staan voordat er überhaupt iets in beweging komt, dan wordt er een officiële commissie in het leven geroepen of niet alle woningzoekenden – Trainingsfonds Moderne Techniek, Henny Jurriens Stichting, Danswerkplaats Amsterdam, freelance choreografen en dansers – bij elkaar terecht kunnen in een gebouw. Het gebouw zou in andere woorden ideaal moeten zijn.
(Klazien Brummel in Notes, jaargang 11, nr.5)

1997
Toch liggen wens en werkelijkheid nog ver van elkaar verwijderd. Dansgezelschappen, ambtenaren, projectontwikkelaars en overige partijen komen maar niet tot een definitieve oplossing. Een overzicht van tweeënhalf jaar dansruimte-overleg.
(Jacqueline Algra in Theatermakerjaargang 1, nr. 5/6)

2005
Het veld was nu geen veld meer. Het was een heuvelachtig, nee, bergachtig landschap geworden. Evenzeer als deze verandering het noodzakelijke gevolg was van de grote artistieke diversiteit van beginnende choreografen, moet zij ook, en misschien wel vooral, de verdienste worden genoemd van experimenteerhokken als Dans Werkplaats Amsterdam en Dansateliers in Rotterdam, waar die diversiteit tot bloei kon komen.
(Isabelle Steenbergen evalueert broedplaatsen in TM, jaargang 9, nr. 4)

2018
‘En misschien emancipeert mijn aanpak me wel als maker: de hele wereld wordt mijn residentie of mijn studio en ik kan dat klassieke theater met al die referenties loslaten. Soms heb ik het gevoel dat in de theaterzaal alles al eens is gezegd. De publieke ruimte voelt dan als een vrijplaats.’
(Ciska Hoet spreekt Benjamin Vandewalle in Theatermaker, jaargang 139, nr.2)