De ster van de jonge componist Mathilde Wantenaar rijst snel. In 2013 werkte ze mee aan het project Boom|Amsterdam is een opera, twee jaar later schreef ze de mini-opera personar voor de eerste editie van het Opera Forward Festival. Op 18 maart beleeft haar familieopera Een lied voor de maan zijn wereldpremière, als afsluiting van de vijfde aflevering van dit festival.

Mathilde Wantenaar (Amsterdam, 1993) kreeg muziek met de paplepel ingegoten. Haar moeder geeft zangles, haar vader speelt accordeon, piano en bandoneon en zolang ze zich kan heugen werd er thuis gemusiceerd. Zelf speelde ze gitaar en cello, begeleidde zangstudenten, zong soms mee en componeerde ook al vroeg haar eigen stukjes – iets wat ze aanvankelijk vooral beschouwde als haar ‘eigen gekke dingetje’. Het idee componist te worden, ontstond pas toen ze op de middelbare school deelnam aan een compositieproject van Asko|Schönberg.

In 2011 schreef ze zich in voor de vooropleiding van het Conservatorium van Amsterdam, waar ze vervolgens compositie ging studeren, met als bijvakken cello, piano en zang. Al tijdens haar studie won ze verschillende prijzen, onder andere in de Alba Rosa Viëtor Compositie Competitie en het Prinses Christina Concours. Vervolgens meldde zij zich na haar afstuderen in 2016 aan voor een vervolgstudie zang aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Wantenaar heeft van kinds af aan een grote affiniteit met de menselijke stem. Dit leidde de afgelopen jaren tot een reeks succesvolle vocale werken voor grootheden als de sopraan Johannette Zomer, het kwintet Wishful Singing, het Nederlands Kamerkoor en het Groot Omroepkoor. Dat er ooit een vervolg zou komen op haar twintig minuten durende opera personar waarmee ze haar compositiestudie afsloot, lag voor de hand.

‘Als kind ging ik met mijn ouders geregeld naar opera’s en het was al heel lang mijn droom er zelf eentje te maken, ook al beschouwde ik mijn kinderstukjes en gerommel aan de piano aanvankelijk als een privédingetje. Ik zat wat dat betreft helemaal in mijn eigen fantasiewereld. Tot ik ging bedenken wat ik later zou worden, als ik groot was. Toen ik auditie deed voor het Conservatorium van Amsterdam werd me gevraagd waar ik mezelf over tien jaar zag. Ik zei dat ik het liefst een opera zou schrijven voor De Nationale Opera. Voor het grote podium.’ Ze lacht ietwat besmuikt, alsof ze zich schaamt voor haar jeugdige overmoed.

Ze hapte daarom onmiddellijk toe toen DNO haar vroeg of ze belangstelling had voor de workshop Componeren voor een jeugdig publiek, van de European Network of Opera Academies.

Sprookjesopera

Het idee een sprookjesopera te maken ontstond in 2017, tijdens een workshop onder leiding van Willem Bruls bij de Brusselse Munt. ‘Daar is een team gevormd, waarin deze gedachte opborrelde. Maar de vraag was wat voor sprookje dan precies? Toen zijn we een heleboel boeken gaan lezen en iemand van het team tipte Een lied voor de maan van Toon Tellegen, dat ze zelf aan haar kinderen had voorgelezen.’

‘Het werk van Toon Tellegen kende ik al langer, mijn ouders lazen het wel eens voor toen ik klein was en ik geniet nog altijd van zijn verhalen; af en toe lees ik ze voor aan mijn vriend voor we gaan slapen. Tijdens een periode dat ik er op het conservatorium flink doorheen zat heb ik de bundel Misschien wisten zij alles in één ruk uitgelezen. De verhalen zijn tegelijkertijd troostend, opbeurend, wonderlijk en vooral erg mooi. Ze tilden me uit boven mijn verdriet en maakten me rustig.’

‘Het boek Een lied voor de maan kende ik nog niet en toen ik het doorlas werd ik meteen geraakt. Het sprak me aan dat Tellegen thema’s aansnijdt als eenzaamheid, identiteit, teleurstelling en vriendschap. Ik vind het extra mooi dat muziek er een centrale rol in speelt, ideaal voor een opera. De Mol, het hoofdpersonage, maakt een echte ontwikkeling door. In het begin is hij wat verlegen en onzeker, maar uiteindelijk kruipt hij dankzij de muziek uit zijn schulp, maakt vrienden en trekt de wijde wereld in.’

‘Ik heb het libretto geschreven samen met Willem Bruls, waarbij we zo dicht mogelijk bij het origineel gebleven zijn: de taal van Toon Tellegen is van zichzelf al heel muzikaal en navolgbaar. Er zijn vijf zangers en zes instrumentalisten en de opera duurt ongeveer een uur.’

‘In het eerste bedrijf staat de Mol alleen op het toneel. Hij is eenzaam en zoekt contact met de Maan, maar als hij die begroet krijgt hij geen reactie. De Mol vraagt zich af waarom. Kan de Maan niet praten, wil hij niet praten, of weet hij niet wat hij moet zeggen? Al die dingen slaan natuurlijk ook op de Mol zelf, maar hij wil zijn eigen eenzaamheid niet onder ogen zien. Hij besluit een lied te schrijven om de Maan op te vrolijken. Dat blijkt nog niet zo makkelijk, maar uiteindelijk lukt het en gaat hij er huppelend mee naar de Sprinkhaan, die dirigent is.’

‘Daarop vormen ze in de tweede akte een orkestje, met zingende muizen en Kikker, de diva-tenor. Dit bedrijf is een wat komische tegenhanger van het verstilde en droevige eerste deel. Ze studeren het lied in en voeren het uit voor de Maan, maar als ze na afloop verwachtingsvol omhoogzien, kijkt die nogal sip. Iedereen is diep teleurgesteld en de Mol kruipt verslagen terug in zijn holletje. Hij vraagt zich af of de Maan nu boos is en misschien wel naar beneden komt om hem recht in zijn gezicht te schijnen.’

‘In het derde en laatste bedrijf krijgt de Mol compositieles van de wijze Krekel. Die kijkt naar het lied en zegt: ‘Ik weet het! Het is een prachtig lied, maar somber.’ Hij verandert een verlaagde toon (een ‘mol’ in muziektermen) in een kruis (een verhoogde toon), waarop het lied opeens vrolijk wordt. Toch durft de Mol er nog niet helemaal in te geloven. Hij heeft de moed van de Sprinkhaan nodig om de nieuwe versie aan de Maan te presenteren.’

‘Dit keer kijkt die na afloop wél blij, hij straalt zelfs helemaal. Even nog twijfelt de Mol of hij niet beter een kruis in plaats van een mol zou kunnen zijn. Maar dan realiseert hij zich dat hij goed is zoals hij is: ‘Ik ben de Mol en ik blijf de Mol. Soms ben ik somber, maar soms ben ik vrolijk.’ Hij vindt de moed om op de Aardworm af te stappen en zijn eerste echte vriendschap te sluiten. Zo komt alles aan het slot van de opera helemaal goed.’

‘Het mooie is dat het verhaal uitstekend te volgen is voor kinderen, maar tegelijkertijd zoveel filosofische diepgang heeft dat het ook interessant is voor volwassen. De Krekel zingt: ‘Met muziek kun je alles maken’. Dat is voor mij de kern van deze opera.’

foto Karen van Gilst