Is het beter voor het milieu als makers en publiek gewoon thuisblijven? Gelukkig niet. Theaters nemen steeds meer maatregelen om hun ecologische voetafdruk te verkleinen. De ambities zijn groot. ‘Wij willen een voorbeeld voor de wereld zijn.’

Met het groene imago van theatermakers zit het wel goed. Afgelopen maanden waarschuwden weer verschillende voorstellingen voor de gevolgen van klimaatopwarming: Tenzij je een beter plan hebt (Anoek Nuyens en Rebekka de Wit), Night of the Problems (Circus Treurdier) en Buurman in de natuur en IJspaleis (Plan d-). Het laatste gezelschap verstuurde zelfs een persbericht dat het binnen vier jaar volledig CO2-neutraal wil gaan produceren. De makers stapten over naar een groene drukker, toeren met een bus op groen gas en eten geen vlees meer.

Maar hoe duurzaam zijn de theaters waar ze te gast zijn? In een gemiddelde schouwburg zit het publiek met een paar honderd man dicht op elkaar in een kleine ruimte, tijdens een kort piekmoment in vooral de avonduren en wintermaanden. Dat moet een oceaan aan licht, verwarming, koeling en ventilatie verbruiken. Doen die het groene gedachtegoed van de makers niet al snel volledig teniet? Of erger: Is het niet beter voor het milieu als makers en publiek gewoon thuisblijven?

Het is niet precies uit te rekenen hoe belastend onze gang naar het theater is, omdat er te veel factoren meespelen. Maar verschillende organisaties, zoals MilieuCentraal, verzekeren ons gelukkig dat gáán zelden belastender voor het milieu is dan thuisblijven. Je kunt altijd beter samen in een verwarmde en verlichte ruimte vertoeven, dan alleen. Daarnaast nemen theaters steeds meer grote stappen om hun ecologische voetafdruk te verkleinen. ‘Er gebeurt heel veel op dit moment’, zegt Mareile Zuber, projectleider duurzame cultuurpanden van de gemeente Amsterdam. ‘Ik ben nog geen non-believers tegengekomen in de sector.’

Net als steeds meer huishoudens, kiezen ook steeds meer theaters – voor zover dat niet botst met een eventuele monumentale status en de geringe budgetten toelaten – voor de bekende ingrepen als (drie)dubbel glas, zuinigere HR-ketels, groene daken en zonnepanelen. Theater de Meervaart, dat zich profileert als het groenste theater van Amsterdam, bekleedde deze zomer nog 150m2 aan dakoppervlak met zonnepanelen en verving twee veertig jaar oude verwarmingsketels door vijf kleine HR-versies.

Klimaatbeheersing
Specifieke CO2-boosdoener voor theatergebouwen is de klimaatbeheersing of luchtbehandeling. De theaterzaal moet voorverwarmd worden en tijdens de voorstelling voortdurend gekoeld en geventileerd. De Meervaart berekende dat dit bij hen een kwart tot een derde van de totale energierekening opslurpte.

Het is dan ook een element waar theaters de laatste jaren enorm in geïnvesteerd hebben. De Meervaart plaatste afgelopen zomer in haar beide theaterzalen een nieuw systeem voor warmteterugwinning (Twincoil). De warmte die de zaal uitgeblazen wordt, warmt de verse lucht die naar binnen komt alvast een beetje op. De Rotterdamse Schouwburg heeft in 2014 en 2015 in de kleine zaal en de grote zaal de zogenaamde BaOpt-sturing geïnstalleerd, die met een lichte overdruk toegevoerde lucht en de lucht in de zaal beter en efficiënter mengt. Beide systemen moeten grote energiebesparingen opleveren.

Led
Een andere grote klapper die theaters momenteel maken is de overstap van gloeilamp- en halogeenverlichting naar led. Als je weet dat één kroonluchter op een bordes van de Amsterdamse Stadsschouwburg al snel honderdvijftig lampjes telt, levert dat ook hier grote besparingen op. Een gloeilamp verbruikt 60 watt per uur, led 4 watt. In de schouwburg hangen er in totaal ongeveer duizend gloeilampen, dus alles vervangen door ledlicht is een bezuiniging van 56 duizend watt per uur. Daar komt bij dat led minder opwarmt en dus ook minder koeling vereist.

(Goedkoop is led niet. De gloeilampen van de stadsschouwburg kostten 89 cent tegenover 15 euro voor de gekozen betere ledlamp. Voor het led moest het stadstheater ook nieuwe dimmers aanschaffen van 400 euro per stuk. Maar mooie bijkomstigheid (en financiële prikkel) is een grote tijdsbesparing. Led trekt minder stof aan en gaat veel langer mee. In de Stadsschouwburg werden tot voor kort twee man twee uur per week ingeroosterd voor het controleren en vervangen van kapotte gloeilampjes door het hele gebouw.)

Een ander verhaal is de verlichting op het toneel. Op enkele uitzonderingen na, zoals de kleine zaal van Bellevue, en Paradiso, blijven de meeste theaters vasthouden aan hun oude halogeenlampen. Ze gehoorzamen hier aan de wens van lichtontwerpers en toneelmeesters, die in de meeste gevallen voor hun toneelschijnwerpers halogeen boven led blijven verkiezen. Hun grootste probleem met led is de kleur wit, die bij een halogeenspot natuurlijker en warmer aanvoelt. Daarnaast vereist led een andere manier van werken. Het kleuren van halogeen gebeurt via een traditioneel kleurensysteem met universele nummers en bijhorende filters. Ledlicht heeft geen kleurnummers. Je moet per merk en per type spot zelf bepalen welke kleurmenging het meest overeenkomt met een traditionele filterkleur.

De ontwikkelingen op het gebied van led gaan wel razendsnel en worden door theaters en gezelschappen op de voet gevolgd. De Vereniging voor Podiumtechnologie (VPT) organiseerde eind oktober nog een hele studiedag rond het thema. Een overstap zou veel extra winst opleveren. Tijdens een gemiddelde schouwburgvoorstelling branden honderd lampen (van 2000 tot 5000 watt) op toneel.

Financiële prikkels
Wat opvalt aan de maatregelen die theaters nu nemen, is dat ze veelal geleid worden door financiële prikkels. Alle investeringen dienen op termijn terugverdiend te worden met lagere energierekeningen. De Meervaart gaf deze zomer bijna een half miljoen uit aan de verduurzaming van het gebouw, met de verwachting dat binnen de 12 tot 15 jaar volledig terug te verdienen. Veel eigen geld heeft het theater ook niet. Voor de verbouwingen leende het (met lage rente) bijna een half miljoen van het Duurzaamheidsfonds van de gemeente.

Het besparen van water levert minder financieel voordeel op en heeft dan ook duidelijk minder prioriteit. De Meervaart betaalt momenteel voor gebruik en belasting van water 5000 euro per jaar. Waterbesparende maatregelen bij een toiletblok van tien toiletten kosten al snel 30 duizend euro. Terugverdienen wordt dan onmogelijk. Het theater heeft nu een aantal kranen in de kleedkamers aangepast. De Amsterdamse Stadsschouwburg houdt het ook op een pilot van drie watervrije urinoirs.

Samenwerking
Het zijn ook veelal de technische gebouwbeheerders van theaters die de verantwoordelijkheid voor vergroening dragen. Het viel projectleider Zuber in Amsterdam op dat maar heel weinig theaters een milieubeleid voor de hele organisatie hebben. De Meervaart is een uitzondering en nam onder meer zijn hele horecabeleid onder de loep. Zelfs het koffiedik gaat naar een bedrijf voor de kweek van oesterzwammen, waarvan vegetarische bitterballen gemaakt worden, waarmee na afloop van voorstellingen weer getrakteerd wordt (naast de traditionele bitterballen).

Ook de TR Schouwburg (voormalige Rotterdamse Schouwburg) stelde jaren geleden al een pakket bezuinigingsmaatregelen voor het personeel samen. Er mag bijvoorbeeld alleen dubbelzijdig gekopieerd worden en ongebruikte monitoren moeten uit. Maar de opbrengst viel tegen. Twee studenten berekenden in 2014 dat het theater met alleen interne personeelsmaatregelen en verbouwingen nooit 100 procent duurzaam of circulair zou kunnen worden. Het groene plafond zou bij 60 procent liggen. ‘De sleutel voor verder verduurzaming lag in de omgeving’, zegt facilitair manager Jeroen de Leeuw. ‘We moesten integraal gaan denken.’

De schouwburg zocht toenadering tot de overige instellingen op en rond het Schouwburgplein, de gemeente, De Doelen, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, het Ministerie van IenM, TNO en een aantal commerciële partijen (Arcadis, Dura Vermeer, Eneco en Amvest). Onder de naam ‘7 Square Endeavour’ presenteren ze deze maand een ambitieus plan. In 2020 wil het plein 40 procent CO2-neutraal zijn, in 2030 100 procent.

Eerste stap in Rotterdam is een ‘dakenplan’, waarin vijf gebouwen aan het plein tegelijkertijd een zogenaamd blauw (waterbufferend), groen (begroeid waterverdampend, roetdeeltjes absorberend), geel (energie-opwekkend) en rood (recreatief) dak aanleggen. Voor de toekomst praten de deelnemers over gezamenlijk duurzame energie opwekken en inkopen (wellicht een eigen windmolen), een eigen energie-coöperatie en een zoetwaterbel onder de grond (‘het regenwater mag dit gebied niet meer uit en moet herbruikbaar zijn’). Het gas moet de hele stad uit.

De ambities zijn groot. ‘Wij willen een voorbeeld voor de wereld zijn’, zegt gebouwbeheerder Jeroen de Leeuw. Het Schouwburgplein moet een proeftuin en presentatieplek worden ‘voor nieuwe innovatieve technologieën, cyclische processen en businessmodellen’. Nog zes andere pleinen wereldwijd werken mee en zullen volgen. Grote budgetten heeft ook de schouwburg niet, maar de kracht van hun plan ligt volgens De Leeuw in de deelnemende kunstinstellingen, die gezien worden als betrouwbare partijen. ‘Theaters hebben geen commerciële belangen en zijn onverdacht. Our aim is true. We gaan samen verduurzamen met kunst als boodschap.’

Uiteindelijk is wat een theater kan doen veel, maar eindig. TR Schouwburg berekende dat 14 tot 16 procent van hun energiegebruik nu naar het primaire product, de voorstellingen, gaat (inclusief verwarming en belichting van het publieksgedeelte van de zaal). Daar hebben ze weinig over te zeggen. Steeds meer gezelschappen en theaters fuseren, maar in de meeste gevallen nemen gezelschappen hun eigen geluidssystemen en lampen mee. Als er veel water in een voorstelling zit, of er een balletvoorstelling staat, moet de verwarming omhoog (21 graden bij toneel tegenover 23 bij ballet) en daarna moet de zaal weer flink gekoeld. Andere opvallende vervuiler: in alle theaters worden voor alle veiligheid iedere voorstelling nieuwe batterijen in zenders en microfoons gestopt, met bakken onbruikbare, halflege batterijen als gevolg.

Hamburgers

Invloed op de voorstellingen die ze faciliteren, lijken de theaters ook niet te willen uitoefenen. ‘De bezoekende techniek bepaalt hoe een voorstelling eruitziet’, zegt Martin Keereweer, hoofd techniek van De Meervaart. ‘Kunstenaars hebben een bepaald beeld voor ogen en ik vind dat wij daaraan geen beperkingen moeten opleggen.’ Ook voor TR Schouwburg is inmenging in het artistieke product taboe. ‘We hebben hier zelfs een keer een voorstelling met duizend hamburgerbroodjes op het toneel gehad.’ De Amsterdamse schouwburg zou de Rabozaal gunstiger kunnen verwarmen met radiatoren aan de wanden, maar doet ook dat niet vanwege esthetische voorkeuren van Toneelgroep Amsterdam.

Een laatste belangrijke schakel is het gedrag van het publiek. Komen toeschouwers met de auto, fiets of ov? Reizen ze alleen of samen? Zetten ze voordat ze het huis verlaten lichten en verwarming uit? Het door velen bekritiseerde reissysteem is duurzamer dan publiek zelf laten reizen naar een voorstelling verder van huis. Een met twee trailers rondreizende musical is milieuvriendelijker dan een Soldaat van Oranje als je meetelt hoe het publiek naar Katwijk komt. Thuisblijven hoeven makers en publiek dus zeker niet, maar er blijft een eigen verantwoordelijkheid.