Kijken is een actieve handeling. Het publiek moet iets moet doen en moet zich weer emanciperen. Wanneer de toeschouwer verandering wil, hetzij in zichzelf, hetzij in de maatschappij, dan kan theater hem dienen als plaats voor confrontatie, plek van twijfel en gelegenheid om iets te leren, betoogt Florian Hellwig.

Door Florian Hellwig, illustratie Herman van Bostelen

Volgens Peter Brook is er theater als iemand door de lege ruimte loopt en iemand anders naar deze handeling kijkt. Er is dus geen voorstelling als er geen toeschouwer naar onze toneelhandelingen komt kijken. Zonder publiek is er geen doel en geen betekenis. In zijn theaterschrift De lege ruimte constateert Brook dan ook dat de omgang met het publiek momenteel het belangrijkst en het moeilijkst lijkt.

Ruim vijftig jaar later lijkt dit thema mij op zijn minst zo relevant en urgent als toen. De vraag is echter of wij ons van de essentiële noodzaak van dit vraagstuk nog voldoende bewust zijn. Of zijn we toch een elementair aspect van het theater uit het oog verloren en gaan we dikwijls voorbij de wezenlijke vraag: wat is publiek?

Leren kijken

De Franse filosoof Jacques Rancière signaleert in zijn schrift De geëmancipeerde toeschouwer dat het publiek steeds meer afgestompt is. Deze afstomping is ook het gevolg van onze publieksbenadering en hoe we handelingen op het toneel zetten. Ik denk dan ook dat het de hoogste tijd is voor een paradigmawissel, tijd om ons weer nadrukkelijk met de vraag van het publiek bezig te houden. Wij moeten het publiek weer met zijn eigen rol confronteren, die van de actieve kijker. Er moet een intellectuele emancipatie plaatsvinden die de toeschouwer helpt om weer te kijken. Daarvoor moeten we bij onszelf beginnen, met het veranderen van de toneelpraktijk. De emancipatie van de toeschouwer moet hand in hand gaan met de nodige emancipatieslag van theatermakers.

Met emancipatie bedoel ik trouwens iets anders dan participatie en participatiedrift. Ik doel op de vervaging van de grens tussen degenen die handelen en degenen die kijken. Plato vond de positie van de toeschouwer problematisch omdat die passief en roerloos blijft zitten en afstand moet doen van zowel het vermogen om te weten alsook om te handelen. Kijken is volgens hem iets passiefs en handelen iets actiefs. Ik denk dat kijken zelf ook een handeling is, alleen moeten wij ons daarvan weer bewust worden.

In ons huidige theater zit de fout al in de benadering van de toeschouwer. Hij wordt gezien als iemand die een kaartje moet gaan kopen voor onze voorstelling, die voor een goede omzet en voor de juiste balans in onze boekhouding moet gaan zorgen. De publieksbenadering is merendeels gericht op bezoekersaantallen, op het verkopen van stoelen en het rendement in de zalen. We investeren meer in kwantiteit dan in de inhoudelijke bemiddeling. Wat vertellen wij eigenlijk nog over theater? Weten we eigenlijk nog waarom de toeschouwer in de zaal zit en wat vertellen we hem over zijn rol?

De toeschouwer is door zulke verkeerde theatrale bemiddelingen in toenemende mate passief geworden, blijft steeds meer op afstand en is vaak niet in staat de kloof tussen de handelingen op het toneel en zijn eigen positie te dichten. Daar waar we oorspronkelijk de gemeenschap vierden, wordt steeds minder een gemeenschappelijke situatie opgeroepen die voor een wisselwerking tussen scène en zaal zorgt. Het drama moet juist helpen om de toeschouwer te activeren, om hem áán te zetten.

Misschien is een van de oorzaken voor de toenemende passiviteit van de toeschouwer dat er op dit moment te veel schouwtoneel te zien is, dus voorstellingen die kant en klaar aanschouwingsmateriaal etaleren en het publiek te weinig intellectuele stimulans en uitdagingen bieden. Wellicht dat het publiek te vaak te zien krijgt wat het al kent en weet, waardoor het niet in staat wordt gesteld om te leren en intellectuele gelijkheid na te streven – gelijkheid tussen wat de toeschouwer ziet en wie hij op dat moment ís. Wanneer het publiek de behoefte heeft om kennis te verkrijgen, als het kennis begeert, neemt het namelijk een actieve rol aan.

Kijken is handelen

De afstomping van de toeschouwer ontstaat door de afstompende pedagogiek en logica op het toneel. Het probleem is dat het publiek nu moet zien wat de voorstelling hem láát zien. Het publiek wordt geconditioneerd in plaats van dat het wordt aangemoedigd zich van deze condities te bevrijden en om zelf betekenis te geven aan een voorstelling. Wij zijn er medeplichtig aan dat het publiek massaal kiest voor het herkenbare en het bekende wanneer we steeds op die wens inspelen door vooral herkenbare en bekende toneelhandelingen te laten zien. Het huidige publiek is vergelijkbaar met de blinden in Maurice Maeterlincks stuk De Blinden, die wachten op de terugkeer van hun gids die dood in hun midden zit. De blinden weten niet wat ze moeten doen zonder gids, en doen dan ook niets. De theaterbezoeker moet iets dóen en moet weer kunnen kijken.

Volgens Rancière is observeren geen passieve toestand maar is het onze natuurlijke, actieve toestand. De mens probeert verbanden te leggen tussen wat hij ziet en wat hij eerder heeft gezien, gehoord en gedroomd. Kijken is een handeling omdat de toeschouwer hiermee naar intellectuele gelijkheid streeft en actief de kloof kan dichten tussen wat hij ziet en zijn eigen positie.

Vandaag de dag lijkt het alsof het ons publiek aan zelfbewustzijn ontbreekt. Waarom is de toeschouwer toch bang dat hij een voorstelling niet zal begrijpen? En waarom zijn wij net zo bang geworden dat de toeschouwer iets niet begrijpt? Zijn we daarom zo ongelooflijk vaak aan het pleasen? Bij onze emancipatie hoort dat wij weer de kennis van de onwetende toeschouwer en zijn eigen activiteit erkennen. ‘Iedere toeschouwer is al een acteur van zijn eigen geschiedenis, en iedere acteur of handelende persoon een toeschouwer van dezelfde geschiedenis.’ (Rancière)

Recht op risico

Theater is de ruimte waar we iets kunnen laten zien. Wellicht dat we op dit moment omwille van volle of vollere zalen het publiek te veel willen behagen, te veel willen laten zien en daarbij te nadrukkelijk bezig zijn de tekens op voorhand te duiden en van betekenis te voorzien. Dat leidt er enerzijds toe dat de toneelhandeling te weinig verrassend is en te weinig interpretatiemogelijkheden biedt; het streven naar intellectuele gelijkheid is daardoor niet meer nodig. Anderzijds worden de verlangens van het publiek te veel ingelost in plaats van dat we bezig zijn een behoefte te creëren. Het publiek verlangt steeds meer naar vermaak, grote namen en verhalen die het al kent. Het verkiest kennelijk steeds vaker entertainment boven ervaring. Door tegemoet te komen aan die voorkeur gaan we niet alleen voorbij aan het avontuur, het recht op risico en de verrassing maar ook aan de rol die het publiek kan spelen, die van actieve interpreet.

Participatie is niet hetzelfde als zelfbewust handelen. In het participatietheater moet de toeschouwer mee doen. De toeschouwer volgt meestal gehoorzaam en doet enkel wat hem gevraagd wordt. Bij participatie wordt gelijkheid veronderstelt maar die is niet per definitie aanwezig. De toeschouwer handelt weliswaar, maar dan niet vanuit een intrinsieke noodzaak. Mee doen en iets doen zijn niet hetzelfde. Er bestaat derhalve een wezenlijk verschil tussen een opgelegde beweging en een innerlike beweging. Participatie is ook maar louter spektakel. De voorwaarde om iets te doen is om zich bewust te worden van de eigen rol en niet enkel te volgen of te aanschouwen.

Guy Debord concludeert in zijn boek De spektakelmaatschappij dat hoe meer de mens aanschouwt, des te minder hij leeft. Dus het toeschouwen is het probleem van deze tijd. Er moet daarom een theater zonder toeschouwers komen, waarin de getuigen van een handeling zelf aangezet worden tot een handeling en veranderen van passieve voyeurs in actieve deelnemers en interpreten. Er moet iets beginnen te leven in de kijker. Het passieve publiek dient te veranderen in een vitale gemeenschap.

Wanneer we terugkijken naar de theaterhervormingen van de twintigste eeuw zien we een paar strategieën die daarin al zijn geslaagd. In het epische theater van Brecht werd het publiek zich door theatrale bemiddeling bewust van de eigen omstandigheden en werd het aangemoedigd om te handelen en deze omstandigheden te veranderen. Antonin Artaud beschouwde theater als een reinigingsritueel dat een groep weer laat beschikken over haar eigen energie. De toeschouwers staan niet meer tegenover de voorstelling maar worden erdoor omringd en worden meegesleept in de kring van handelingen. Het publiek van vandaag moet weer vitaal en energiek zijn, en zelfbewust kijken.

Laten we afstand nemen van de toeschouwer en ook het woord ‘toeschouwer’ door een ander woord vervangen. Peter Brook ontdekte tussen de Franse

benamingen voor degene die toekijkt ‘één woord dat eruit springt, dat naar kwaliteit van de andere verschilt. Assistence – ik woon een stuk bij: j’assistence à une pièce. Assisteren – het is een eenvoudig woord, maar het is de sleutel.’ De mensen die naar een voorstelling kijken moeten deelnemers van de handeling en actieve interpreten zijn, die wat ze zien en ervaren zelf vertalen en het zich eigen maken, zodat het van hen wordt.

Ontbering

Misschien moeten we buiten onze voorstellingen meer vertellen over onze experimenten en zoektochten, nieuwe strategieën ontwikkelen om het publiek te verleiden, de angst voor het schijnbaar onbekende wegnemen, het publiek motiveren om de ontmoeting aan te gaan met iets waarvan het de betekenis nog niet kent. Misschien moeten we laten zien en ervaren dat het minder vreemd is dan het publiek misschien dacht en veel concreter en tastbaarder is dan het vermoedde. Laten we het verlangen van het publiek vervangen door een behoefte. Deze behoefte kunnen we definiëren als het bewustzijn van een ontbering, als de begeerte van iets wat ontbreekt.

Laten we het publiek duidelijk maken dat een voorstelling ook het domein van het publiek is, en dat die uit twee helften bestaat waarvan eentje op het toneel plaatsvindt en eentje in de beleving van de kijker. De tweede helft is imaginair en abstract en biedt de ruimte om het ontbrekende naar eigen vermogen vorm te geven. Het wezenlijke blijft toch altijd voor de ogen onzichtbaar. De kijker moet zich ervan bewust worden dat hij de maker en dramaturg van zijn eigen ervaring is. En laten we de mensen het bewustzijn geven dat ze juist in het theater zichzelf, de ander en zichzelf in de relatie tot de ander kunnen ervaren. Het theater als ontmoetingsplek waar men zich bewust kan worden van de eigen situatie. Wat we daarvoor nodig hebben, volgens Rancière, ‘is dus een ander theater, een theater zonder toeschouwers: geen theater voor lege stoelen, maar een theater waarin de passieve optische relatie die besloten ligt in het woord toeschouwer onderworpen zou zijn aan een andere relatie die besloten ligt in een ander woord, het woord dat aangeeft wat er op het toneel plaatsvindt, drama.’