Een schrijver werd gevraagd om voor een tijdschrift over kunst een dystopisch verhaal te schrijven over de toekomst. De hoofdredacteur maakte zich zorgen over de dramatische positie van kunstenaars in de maatschappij, en hij wilde dat een schrijver de ontwikkelingen die nu plaatsvonden uitvergrootte tot er een nachtmerrie ontstond die we nu nog konden tegenhouden.

De schrijver – die nog nooit een dystopisch verhaal had geschreven en net had besloten niet meer boos te zijn, niet op het systeem, niet op zijn ouders en niet op zichzelf – aarzelde om de opdracht aan te nemen. De gedachte aan het schrijven van een dystopie vermoeide hem.
Hij vroeg zich af wat de hoofdredacteur precies voor zich zag. De schrijver dacht aan George Orwell, Rusland, Noord Korea. Hij zag grimmige, vermoeide mensen voor zich en de aarde als een maanlandschap.

Hij was bezig in een boek over de geschiedenis van Zuid-Amerika, en was net in het hoofdstuk over dictaturen beland. Wellicht daarom begon hij ondanks zijn tegenzin aan een verhaal over een wereld waar aan elkaar gelaste vliegtuigen bestonden die zo groot waren als hele landingsbanen. Die vliegtuigen hadden grijpers die hele dorpen in één keer van de grond konden tillen. Daarna vlogen ze naar de oceaan en werd het dorp in één keer in zee gedumpt.
Hij schreef ook alvast het einde van het verhaal, dat honderden jaren later plaatsvond. Kinderen kregen duikcursussen om ze de horror van de geschiedenis te laten zien. Hij beschreef uitgebreid de schoolreisjes die kinderen tegenwoordig maakten op de bodem van de oceaan en hoe alle kinderen op zoek gingen naar vrijende lijken. Kinderen vertelden elkaar wilde verhalen over hoe mensen soms – terwijl ze het deden – omhoog werden getild en – terwijl ze het nog steeds deden – in de oceaan terechtkwamen.

Hij had plezier.
Hij verzon avonden in het theater waarbij Hamlet werd opgevoerd en de acteurs samen met de personages werden vergiftigd. Elke avond was Hamlet al dood voor hij kon zeggen dat de rest stilte was. Er werd op den duur iemand ingehuurd die de laatste zinnen kon zeggen door een microfoon in de coulissen.
Elke avond joelde het publiek van vreugde, zo onder de indruk waren ze. Het doek viel en de understudy’s kwamen het applaus ophalen terwijl de politie achter het decor de lijken in een flightcase stopte.
Hij besloot een pauze te houden en liep opgetogen naar buiten. Wilde ergens een kopje koffie drinken en begon aan een kleine wandeling.
Het was winter en de zon scheen. Overal was bedrijvigheid en de schrijver ademde krakende lucht in en rekte zich uit. Hij voelde iets vreemds, iets aangenaams, iets lichts. Hij liet zijn armen zakken en merkte dat hij gelukkig was. Het leek alsof het lente was geworden, zonder dat hij überhaupt wist dat het winter was geweest.
Hij keek om zich heen alsof zijn gevoel ergens anders vandaan moest komen dan van zichzelf en het dus ook zo weer kon ontsnappen.
Hij liep verder, ging in een café aan het raam zitten en bestelde een kopje koffie.
Hij zocht lang naar het woord dat zijn toestand het best kon beschrijven. Hij vond het woord, namelijk levend, en schreef dat op een bierviltje. Hij fronste bij de gedachte dat hij vergeten was dat hij zich zo lang niet levend had gevoeld. Dat leven blijkbaar uit je kan lopen, zonder dat je het doorhebt. Hij ging na of er iets was geweest dat hem dit gevoel had onthouden of ontnomen, maar kon niks bedenken. Hij verdiende genoeg geld om zich geen zorgen te maken, tenminste niet constant, hij had een kamer in een aardige buurt en hij genoot redelijk wat aanzien in literaire kringen. En terwijl hij aan het raam zat in het café ging hij denkbeeldig zijn huis binnen. Hij ging in zijn hoofd alle hoekjes af om te zien of zijn voortdurende onbehagen iets te maken zou hebben met zijn inrichting, de onafgemaakte afwas of de schimmel op de muur van zijn keuken.
Hij gleed met zijn ogen over zijn bureau waar hij een beursaanvraag had liggen voor een boek dat hij wilde schrijven. Hij had in de beursaanvraag moeten zeggen waar het over ging en dat weigerde hij, omdat hij zei dat hij het boek juist wilde schrijven om te weten waar het over ging. Als ik wist waar het over ging dan hoefde ik het niet te schrijven, had hij met hoofdletters in een handgeschreven brief aan de commissie geschreven. Een brief die hij niet op de post deed. De deadline had hij voorbij laten gaan en de brief lag nu nog op zijn bureau en bezorgde hem elke keer maagzuur als hij hem zag liggen. Naast de beursaanvraag stond zijn printer waar de eerste versie in lag van een keynote speech die hij was gevraagd te schrijven voor een internationaal schrijversfestival in Brussel. Het thema was ‘need and necessity’ en de kernvraag was wat een stuk literatuur essentieel en nodig maakt. Ook de vraag of Oscar Wilde gelijk had toen hij zei ‘all art is quite useless’ kwam ter tafel en daar moest een antwoord op komen.
Hij had een eerste versie waar hij redelijk tevreden over was. Hij had de keynote makkelijk kunnen schrijven, omdat hij een paar weken geleden een column had geschreven voor de krant waarin hij culturele tips moest geven en een antwoord op een aantal vragen, waaronder ‘welke culturele ervaringen hebben je leven veranderd’ en ‘kan kunst de wereld redden’. Uit die column had hij wat dingetjes geknipt en geplakt.

De column kon uiteindelijk niet gepubliceerd worden, omdat hij niet beantwoordde aan het format en de schrijver was blij dat het nu toch nog goed was geweest voor iets.
Hij dronk zijn koffie op en liep naar huis.
Hij schreef verder aan de dystopie, die vooral grappig dreigde te worden in plaats van angstaanjagend.
Hij beschreef een volksfeest dat in het leven was geroepen door de dictator. Een feest waarbij muzikanten en dichters, dansers en circusartiesten elkaar afwisselden op het podium dat omringd was door bloemen.
Dichters waren inmiddels al jaren gewend aan het feit dat er heel veel verboden woorden waren, en ook de synoniemen van die woorden waren verboden.
Je kon je daar wel tegen verzetten, maar de gigantische vliegtuigen die als strontvliegen boven ieders hoofd vlogen, waren er altijd en altijd konden ze je meenemen.
Er waren zoveel woorden verboden dat de enige die nog waren overbleven altijd moesten leiden tot een zin waarin het land, de vooruitgang en de regering werd geprezen.

Hij zocht wat op over hoe schrijvers in Rusland verdwenen en stuitte op een anekdote van Mandelstam, die zich naar zijn vrouw keerde toen ze hem meenamen en hij zei:

‘Wees blij, mijn lief. We leven tenminste in een land waar je voor een gedicht kunt worden opgepakt. We leven in een land waar gedichten ertoe doen.’

De schrijver realiseerde zich toen dat hij nog nooit een brief van de staat had gekregen. Of van de koningin. Hij was nog nooit door de AIVD achtervolgd, zelfs Google maakte al jaren reclame voor ‘overtollig vocht’ op zijn zoekpagina, iets wat, gezien zijn magere statuur en bouw van zijn huis, vrijwel onmogelijk was. Zelfs voor Google was hij onbelangrijk.
Hij pakte de keynote uit zijn printer.

‘Ik werd gevraagd culturele tips te geven in de rubriek van een krant. Ik voelde me zeer vereerd door die vraag en schaamde me tegelijkertijd. Ik kreeg het gevoel dat ik uit een ander land kwam en tips moest geven aan alle mensen die nog nooit in cultuurland waren geweest. En ook nu weer, als ik een antwoord moet geven op de vraag of literatuur nodig is, voel ik me vereerd en schaam ik me.

Ik moest in de krant antwoorden op de vraag of er cultuurervaringen zijn die mijn leven hebben veranderd. Ik kon geen ervaring bedenken die geen cultuurervaring is. Ik dacht eerst aan seks, maar ook dat is volgens mij een cultuurervaring. Er bestaat niet zoiets als een “culturele ervaring”. Dat is een pleonasme. En als we onophoudelijk het idee van cultuur isoleren van de wereld, in aparte rubrieken bespreken, waarin we onze culturele hoogtepunten aan het daglicht blootstellen, dan zijn we volgens mij niet bezig met de goede zaak, maar helpen we alleen maar mee aan de onmogelijke kijk op cultuur: namelijk dat cultuur iets is wat los van ons staat.
“Kan kunst de wereld redden”, was de werktitel van dit seminar en het is de ondertitel van menig essay. Of “kunst in tijden van cholera” of “kunst, juist nu!”. Ik weet dat kunst en cultuur twee verschillende dingen zijn, maar ik moet eraan denken omdat deze vraag alleen maar gesteld kan worden als kunst – net als cultuur denk ik – gezien wordt als iets op zichzelf. Als iets wat er ook niet kan zijn.
“Kan mijn hart mijn leven redden” is geloof ik nog nooit de titel geweest van een seminar, omdat het natuurlijk evident is dat je leven niet zonder je hart bestaat en andersom.

Ik zeg dit allemaal omdat – als ik bezig ben aan een boek – ik het gevoel heb dat ik in een schimmelige hoek motten aan het verzamelen ben. En dat komt door dit soort seminars. Die we nota bene zelf organiseren.
Ik zeg dit, omdat – in allerlei publieke opinies – vooral engagement kunstenaars en schrijvers bestaansrecht geeft en tegenwoordig engagement vooral geassocieerd wordt met een spandoek. Met oplossingen voor een maatschappelijk probleem.
Soms heb ik het gevoel dat per ongeluk de rollen zijn omgedraaid. Kunstenaars mogen tuinprojecten doen, bruggen bouwen, integratie verbeteren en oplossingen voorstellen en de politiek zal zich via een eeuwenoud conflictmodel wel bekommeren om het toneelstuk.’

Hij legde de speech neer en voelde tegenzin om eraan door te schrijven en ook tegenzin om überhaupt naar dat seminar te gaan.

Hij dacht aan zijn wandeling en zijn kopje koffie en hoe hij het leven uit hem voelde stromen terwijl hij zijn speech teruglas. Hoe hij als een idioot teksten had geschreven over het belang van wat hij aan het doen was. Hij dacht aan iedereen om zich heen. Hoe niemand wilde klagen, maar iedereen ziek was van vermoeidheid en van zichzelf ervan proberen te overtuigen dat ‘troost heel belangrijk is’.

Hij realiseerde zich dat de hoofdredacteur het bij het verkeerde eind had. Er moest niet uitgezoomd worden. Er moest geen dystopie geschetst worden met gigantische strontvliegen en oneindig veel verboden woorden. Er moest geen schets worden gemaakt van alle strafkampen die zullen worden gebouwd voor kunstenaars, er moet beschreven worden hoe zij zichzelf doen verdwijnen.
De schrijver realiseerde zich dat de dystopie allang bezig was. Er zat een koor van mensen in zijn hoofd dat hem dagelijks vroeg waar hij mee bezig was. Hij kwam niet toe aan zijn werk, omdat hij elke dag bezig was teksten af te maken voor seminars, georganiseerd voor mensen die snakten naar toestemming om te mogen doen wat ze deden. Ook hij. Hij was de agent die zichzelf al schrijvend van een stempeltje probeerde te voorzien, een stempeltje dat zei dat het mocht.

De schrijver kroop achter zijn bureau met het laatste beetje liefde dat hij nog overhad. Hij begon te typen.

Toen de kinderen lang genoeg onder water waren geweest, zwommen ze uitgeput naar de oppervlakte van de zee en klommen in de boot die hen terugbracht naar de kustlijn. Ze deden hun duikuitrusting uit en sprongen uit de boot op het strand. Op het zachte zand ploften ze allemaal neer en lagen naar de stralende hemel te kijken, rozig van het water en de zon. De leraar ging ook in het zand liggen en na een tijdje vroeg iemand aan de leraar hoe het kon. Dat hele dorpen zomaar worden weggenomen van de wereld en niemand iets deed.

De leraar dacht na. Vroeg zich af of hij het moest vertellen. Vertellen dat het dorp onderzee een kunstwerk was, een paar honderd jaar geleden gemaakt. Een kunstwerk waarvan het lang duurde voordat men erachter kwam dat het een kunstwerk was. De beeldhouwer die het had gemaakt wilde een monument maken voor niet erkend verlies. Een monument voor manieren van leven, kijken en werken die uit de wereld verdwenen zonder dat iemand er een begrafenis voor hield. Zonder dat er iemand geprotesteerd had. Het kunstwerk werd pas jaren na de dood van de kunstenaar ontdekt en er werden hele geschiedenissen opgehangen aan wat er op de bodem van de oceaan te zien was.

Er was altijd een moment dat leraren, ouders en opa’s en oma’s twijfelden: was dit het moment om het te vertellen? Uiteindelijk kwam iedereen het altijd te weten, maar het moment waarop was heel belangrijk. Als je het vertelde moesten de kinderen iets ingewikkelds begrijpen: het dorp onderzee had wel plaatsgevonden, maar niet op die manier. Juist niet op die manier. Als de wereld er echt zo had uitgezien, waren die manieren van kijken nooit verdwenen. Dan was er protest gekomen en werden ze beschermd als de witte neushoorn.
Altijd voor ze gingen duiken werd aan kinderen verteld dat deze mensen een andere taal spraken, andere woorden hadden en uitgestorven manieren van kijken. En elk kind moest een hele verhandeling houden over wat er dan precies uitgestorven was. Dat was de belangrijkste opdracht van het jaar. De leraar zei niks. Nog een jaar wachten, dacht hij. Tot hun opdracht af was. Totdat ze een jaar lang hadden nagedacht over wat er verdwenen kon zijn.’


De schrijver ging op bed liggen en keek naar zijn plafond. Was niet tevreden over het einde en hoopte dat een politieagent het zou lezen en tegen zijn collega zou zeggen: ‘Moet je dit eens lezen lezen, Bert! Pak je auto, we gaan hem persoonlijk halen!’ Maar er kwam niemand en de schrijver viel in slaap. Hij droomde dat hij een tekst voorlas op een podium met bloemen. Een tekst waarin het leek alsof hij de regering prees, maar het publiek stond te glunderen. Iedereen zag door de toon waarop hij sprak en door hoe hij stond, zag wat hij verzweeg. En hoe waar dat was.

Beeld: Gemma Pauwels