Net als in het werk van wereldberoemde choreografen als Sidi Larbi Cherkaoui en Akram Khan onderzoeken jonge makers in Nederland hun culturele achtergrond en vertellen zij persoonlijke verhalen op het podium. De beleving en vormgeving van identiteit in de danskunst levert intrigerende choreografieën op.

Door Marcelle Schots, foto Jean Louis Fernandez

‘Racisme is meer dan geen eerbied tonen voor het anders-zijn van mensen: het plakt een psychologische afdruk op de ander die hem werkelijk verandert’, schreef choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui ooit in een column voor het Vlaamse internetmagazine MO. In zijn boek In-Between Dance Cultures, On the migratory artistic identity of Sidi Larbi Cherkaoui en Akram Khan, dat afgelopen najaar verscheen, haalt Guy Cools dit citaat aan. Het ‘anders-zijn’ van Sidi Larbi Cherkaoui in relatie tot zijn omgeving, als zoon van een Vlaamse moeder en een Marokkaanse vader, ligt aan de basis van de artistieke zoektocht van de choreograaf. Sidi Larbi Cherkaoui heeft het inmiddels geschopt tot artistiek leider van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. Ook de Brits-Bengaalse Akram Khan wist met zijn eigentijdse vorm van Kathak wereldwijd een groot publiek te veroveren.

Op basis van zijn ervaringen als dramaturg in het internationale danscircuit met verschillende generaties dansmakers en op verschillende continenten stelt Guy Cools in zijn boek: ’Identiteit – of dat nu over gender, ras, cultuur of religie gaat – is nog steeds de kern van menig artistieke zoektocht en een van de belangrijkste bronnen voor vele creatieve praktijken.’

Ook de eigentijdse dans in Nederland werd lange tijd gedomineerd door persoonlijke zoektochten van jonge makers naar het identiteitsthema. Verschillen in taal en cultuur verdwenen in de studio, waar het lichaam voor zich sprak.

Toch, of misschien ook wel daardoor, werd het dansveld in het verleden vaak bekritiseerd om een vermeend gebrek aan betrokkenheid bij de samenleving en de actualiteit. Inmiddels kunnen we vaststellen dat die persoonlijke zoektochten verwantschap vertonen met een generatie gekenmerkt door een biculturele of multiculturele achtergrond.

Er doet zich een rare paradox voor in Nederland: terwijl de ‘dansnomade’ een begrip is en hedendaagse dansers en choreografen vaak (kinderen van) migranten zijn, is de witte danskunstenaar, als performer en als maker, nog altijd dominant.

Weinig zichtbaar

Gekleurde dansers bij de grote gezelschappen komen meestal via een andere aanvliegroute. Zij volgden hun opleiding in het buitenland en deden daar vaak hun eerste werkervaring op. Het is moeilijk aan te tonen of (en in welke mate) er op de dansopleidingen en bij de gezelschappen sprake is van bewuste of onbewuste uitsluitingsmechanismen op basis van kleur of afkomst. In de selectieprocedures van de traditionele opleidingen wegen fysieke kenmerken nog steeds zwaar. Incidentele ervaringen zijn moeilijk af te zetten tegen de algemeen geldende criteria, die dan ook subjectieve beoordelingen van specialisten krijgen. We kunnen inmiddels wel vaststellen dat er ondanks verschillende pogingen tot verbetering de afgelopen decennia op dit vlak te weinig is veranderd.

Hoewel er ondertussen opleidingen zijn voor dansmakers beginnen veel choreografen aanvankelijk als danser en krijgen zij in de gezelschapspraktijk de kans om hun eerste schreden als maker te zetten. Dat de diversiteit onder dansers klein is, heeft daarom een direct gevolg voor de groep makers die actief is in Nederland.

Cultureel archief

‘West-Europese landen hebben eeuwen deelgehad aan een algemeen Europees ethos – een ‘cultureel archief’, zoals Edward Said het noemt in zijn boek Culture and Imperialism (1993) – waarbinnen ze de plicht hadden zich buiten hun eigen gebied te begeven en andere volkeren aan zich te onderwerpen. Dat culturele archief bevindt zich nu tussen onze oren, in onze harten en in onze lijven’, schreef Gloria Wekker recentelijk in De Correspondent.

Ook als we naar het culturele archief van de dans kijken is er ondanks het sterk globale karakter van het dansveld wel degelijk sprake van een westerse standaard. Het feit dat uit de moderne dans, begin twintigste eeuw ontstaan als reactie op het ballet, allerlei mengvormen ontstonden waarvoor uit andere dansculturen werd geput, heeft daar uiteindelijk weinig aan veranderd. Zowel bij balletgezelschappen als bij eigentijdse dansgroepen is honderd jaar later de academische techniek nog steeds of opnieuw leidend, of vormt op zijn minst een stevige pijler van het werk.

In between

In zijn boek reflecteert Guy Cools uitvoerig op de ‘migrerende identiteit’. Zo refereert hij aan de Franse filosoof, psychiater en dansliefhebber Daniel Sibony. Sibony definieert identiteit als een ‘beweging ertussenin (in between)’, ‘een open proces’ waarin men de ‘vreemdeling’ en ‘het anders-zijn en zichzelf moet integreren’. Verschil impliceert een statisch onderscheid, schrijft Cools, en beschrijft altijd een simplistische polariteit tussen de seksen, tussen religies en culturen, tussen leven en dood. Daarentegen is Sibony’s concept van ‘ertussenin’ volgens hem gerelateerd aan de notie van een gedeelde, maar instabiele oorsprong.

In relatie tot racisme schreef Sidi Larbi Cherkaoui ook in zijn column dat hoe er door de omgeving naar je wordt gekeken en hoe je wordt behandeld van invloed is op je gedrag. Om te ontsnappen aan categorisering benoemt Cherkaoui zijn identiteit volgens Cools dan ook systematisch als ‘ertussenin’.

Sibony baseerde dit concept op veel voorbeelden van migrantenkinderen die in tussentalen en -culturen opgroeien. Volgens Cools onderstreept Sibony daarbij dat hun situatie minder uniek is dan we veronderstellen. We groeien allemaal op tussen de aanwezigheid of afwezigheid van onzer beider ouders en de afkomst die zij met zich meebrengen. ‘In een familie zijn er altijd op zijn minst twee talen: de taal van de vader en de taal van de moeder, een interne en een culturele taal, een esoterische taal, de taal van traditie, de taal van familiedromen.’ Tijdens het opgroeien moet een kind leren en durven interpreteren en deze talen vertalen om zijn of haar eigen identiteit te creëren.’

In relatie tot het werk van Sidi Larbi Cherkaoui en Akram Khan schrijft Cools ook over een ‘meervoudige, polyfone identiteit’, over identiteit als bron voor storytelling en over ‘creatieve verwarring van het migrerende lichaam’. Cools noemt Cherkaoui in zijn boek een ‘kameleon die andere dansculturen en -talen absorbeert’ en ziet Khan als geworteld in één danscultuur.

Bicultureel

In Nederland zijn tot de top van de grote gezelschappen nog geen choreografen doorgedrongen die opvallend werk creëren buiten de westerse academische danstraditie. Nieuwe ontwikkelingen worden vooral geïmporteerd door gezelschappen of festivals. De groepen die met succes zowel op het toneel als in de zaal een weerspiegeling van de samenleving hebben weten te brengen, zijn het voorbeeldstellende Dox, Don’t Hit Mama en ISH. ISH werkt inmiddels samen met het Nationale Ballet. Diversiteit in de eigentijdse dans is misschien wat wijder verbreid, maar ook nog beperkt.

Freelance choreografen die momenteel een interessante bijdrage leveren aan de danskunst in Nederland door andere dansstijlen te verbinden of uit te diepen, komen vaak uit de hiphop. Dat is niet verwonderlijk. In de amateurdans zijn naast ballet vooral urban dansvormen populair. Er is een aantal initiatieven dat al jarenlang investeert in de doorstroming van urban dansers naar de eigentijdse dans en dat werpt inmiddels vruchten af.

Regelmatig werden in het verleden urban dansers door gezelschappen gevraagd, maar tot echte fusies leidde dat zelden. Eerder was er sprake van eenrichtingsverkeer. Een reden daarvoor is dat urban dance vooral in het battle-circuit werd getoond en daardoor sterk wordt geassocieerd met competitie en het streven naar virtuositeit. Een aspect dat daarbij over het hoofd wordt gezien is dat de hiphopdanser van oorsprong zowel performer als maker is. De persoonlijke inbreng karakteriseert zijn dans.

Er zijn nu enkele jonge makers in het eigentijdse circuit die werken vanuit hun persoonlijke achtergrond en die andere vormen en ideeën onderzoeken. Shailesh Bahoran kwam in de eigentijdse dans terecht als gevolg van een succesvolle carrière in de hiphopscene. Als lid van de crew Illusionary Rockaz werd hij bekend in het battle-circuit, waarmee hij in 2002 de eerste Nederlandse hiphopdansvoorstelling maakten. De afgelopen jaren deed hij artistiek onderzoek waarbij zijn persoonlijke achtergrond een belangrijke rol speelde. Voor zijn eerste solo Heritage verdiepte hij zich in zijn Hindoestaanse achtergrond. De presentatie hiervan tijdens het India Dans Festival in Korzo bracht ook een interessant publiek samen. Het vertrekpunt voor zijn groepssstuk Lalla Rookh was een reis die de eerste emigranten wilden maken van India naar Shi-ram, het land van God, waarbij ze met hun schip Lalla Rookh echter in Suriname aankwamen. Ook hierin schemerde zijn fascinattie voor de Indiase dans door in de vermenging van hiphop, popping en breakdance. Sinds 2012 is Bahoran ook als performer bij ISH betrokken en werkte hij samen met het Nationale Ballet.

De Marokkaans-Nederlandse Mouna Laroussi danste een aantal jaren bij Danstheater AYA en maakt de laatste jaren voorstellingen bij Dansmakers Amsterdam. Haar biculturele achtergrond ligt aan de basis van haar voorstellingen. Wat beweegt vrouwen om hun lichaam te bedekken voor de buitenwereld? Voorafgaand aan de voorstelling Sneak Preview interviewde Larousse hierover eenentwintig vrouwen in Marokko. In de dansdocumentaire die zij maakte werden filmbeelden hiervan vermengd met live performance, waarbij eigentijdse, urban en traditionele Arabische dans samenkwamen. In haar meer recente voorstelling Haschoema stond de sociale controle binnen de Arabische gemeenschap en het effect op de vrouwen centraal.

Artistiek leidster van Stichting Backbone en Solid Ground Movement Alida Dors vertrekt altijd vanuit het hiphopidioom, maar werkt tegelijkertijd aan de vertaalslag naar een theatraler vorm. Zij beweegt zich al jaren op plekken waar de wortels van de westerse academische dans nog heersen. Dors vindt dat hiphop alles in zich heeft om verhalen met een gelaagde spanningsboog te vertellen.

Ook de Turks-Nederlandse Rutkay Özpinar begon aanvankelijk met hiphop en breakdance, maar na een vooropleiding aan Artez begon hij een studie aan Codarts in Rotterdam. Hij danste bij De Dutch Junior Dance Division en maakte recentelijk een aantal eigen stukken bij Korzo producties.

De verkenningen rondom de eigen migrerende identiteit, vanuit een thematisch perspectief, als voedingsbodem voor fusies van dansstijlen of als leidraad voor nieuwe verhalen, leiden ook in Nederland tot fascinerende voorstellingen. Om de diversiteit te vergroten zouden deze onderzoeken in de toekomst een groter podium moeten krijgen.