In 2012 kreeg Het Geluid Maastricht een zeer positieve beoordeling voor meerjarige ondersteuning van het Fonds Podiumkunsten. Maar we belandden door geldgebrek bij het Fonds onder de streep, omdat we als nieuwkomers niet genoeg spreiding en verkoopcijfers konden bieden. Onderliggend probleem: voor de programmeurs van regiotheaters waren we te onbekend, te artistiek. Voor programmeurs van randstedelijke productiehuizen leken we te weinig kneedbaar en te regionaal. We hoorden vaak dat men het risico niet aandurfde om ons te programmeren.

Ons gezelschap heeft aan den lijve de spanningen ondervonden tussen artistieke en zakelijke belangen en tussen regio en Randstad. We hebben onze eigen vormen van produceren en samenwerken moeten ontwikkelen. We zijn gaan inzien dat in al die uitdagingen diepere maatschappelijke trends schuilen en we zijn al die uitdagingen als deel van onze artistieke inhoud gaan beschouwen. Elk theater of gezelschap wordt eigenlijk overspoeld door uiteenlopende taken, belangen en vragen uit de omgeving. Niet verwonderlijk dat sommigen daarom hun ogen soms een beetje sluiten.

Het klopt dat we veel tegengestelde voorkeuren en belangen moeten bedienen, maar daarin schuilt juist ook de verlichting. Het helpt namelijk een transitie te maken richting een metamoderne mentaliteit. Metamodernisme is een houding waarin je steeds kunt schakelen tussen twee posities: één waarin je kunt deconstrueren en waarin je kritisch de wereld fileert, en één waarin je toch probeert nieuwe verhalen te bouwen met de brokstukken van postmoderne analyse. Het is een flexibele houding waarin je beweegt tussen geïnformeerd zijn en gekozen naïviteit. Deze ‘geïnformeerde naïviteit’ schept ruimte voor nieuwe combinaties en ontmoetingen. Het is dé manier om ogenschijnlijk onverenigbare paradoxen en uit elkaar liggende posities productief te maken. Zo wordt bijvoorbeeld ‘internationaal versus regionaal’ een bron van inhoud, in plaats van een problematische tegenstelling. Ik lees dat metamodernisme vooral als een beweging tussen denken en doen, contact maken met zowel materie als mensen.

Door de enorme druk op instellingen begrijp ik dat iedereen vergadert over nieuwe festivals, presentatievormen en sociale media. Maar ik zie ook theaters die lukraak repetitiefoto’s posten op Facebook zonder een goed netwerk te hebben opgebouwd. Ik zie marketingmedewerkers om vijf uur de deur dichttrekken en ’s avonds in de kroeg vergeten de verbindingen te leggen die een verschil kunnen maken voor hun publieksopbouw. Het is zonde communicatiemiddelen oppervlakkig te gebruiken zonder zelf risico te nemen. Een beetje contact maken en een beetje naar de samenleving luisteren is niet genoeg om tegenstellingen te overbruggen.

Ik hoorde Adelheid Roosen onlangs iets vertellen over dit fenomeen. De culturele sector wil graag horen over haar ervaringen en haar werk met dementerenden of wijkjury’s. Dan vraagt men Adelheid om een lezing te geven; dat zorgt voor een dagje inspiratie. Daarna verdwijnt het verhaal in een la en typt men verder achter zijn bureau.

Wat het project De Oversteek van Adelheid Roosen deed – inbreken in een voorstelling van Johan Simons met een diverse groep bewoners van verschillende steden – zie ik niet als exotisch en radicaal. Schouwburgen openbreken lijkt mij de enige weg voorwaarts. Laten we kijken naar situaties in de omgeving van regiotheaters, laten we op maat gemaakte voorstellingen produceren. Met radicale vormen inspelen op nijpende kwesties. Het vraagt van theaters dat ze de deuren nog wijder openzetten. Het vraagt van de voorhoedemakers dat ze werk maken voor dit soort contexten. Niet alleen voorwaarts in de pikorde willen maar ook terug kunnen bewegen in dienstbaarheid.

Ik begeef me op glad ijs. Ook ik noemde dit soort ideeën hippie-achtig of pathetisch. Cynisme als intellectuele verdediging. We houden de wereld ermee op afstand. Toch moeten we besluiten elke dag uiterste punten met elkaar te verbinden. In geen ontmoeting aan de oppervlakte blijven.

Als ik in het verzorgingshuis naast mijn dementerende Indische oma zit, moet ik actief kiezen om niet enkel wat slappe gesprekjes met haar te voeren, maar besluiten energie te steken in wezenlijk contact. Zo moet ik mezelf er steeds aan helpen herinneren dat we zelf de bestaande structuren kunnen corrigeren.

Het gebrek aan landelijke subsidie heeft ons gedwongen elke dag de loopplank uit te gooien. Dat risico nemen levert altijd winst op; het veranderen van je positie biedt intellectuele inzichten. Maar belangrijker nog is die andere beloning die je krijgt als je stappen naar voren zet: het contact.

Na een dag veilig warm in mijn Maastrichtse flatje te hebben geschreven aan een theatertekst over datastromen bezoek ik een dansworkshop van mijn studenten I-arts in het lokale asielzoekerscentrum. Enkele seconden sta ik aan de grond genageld. Dan dringt het tot me door: onkwetsbaar aan de zijlijn toekijken is geen optie. Meedansen is het devies.