In tijden waarin West-Azië door toedoen van het Westen weer in brand staat, krijgen met name Iraanse theatermakers veel te maken met zware druk om het ‘gewenste’ narratief te brengen – en welk narratief dat is, hangt af van de politieke overtuigingen van de bron. Hoe houden theatermakers met een Iraanse achtergrond zich staande in deze gewelddadige tijden?

In het advies Maken (z)onder druk, dat de Raad voor Cultuur in januari van dit jaar uitbracht, signaleren de schrijvers dat kunstenaars steeds meer te maken krijgen met persoonlijke kritiek op hun artistiek-inhoudelijke keuzes, zeker als die over onderwerpen gaan waarover in de maatschappij felle discussies worden gevoerd. Nu is dat van alle tijden, maar nieuw (of terug van weggeweest) is het feit dat dat steeds vaker met verwensingen of zelfs dreigementen gepaard gaat.

Eén groep die daar bovengemiddeld vaak mee te maken krijgt zijn theatermakers met een Iraanse achtergrond. Sinds de massamoorden van het theocratische regime zelf tijdens de protesten in januari, en de daaropvolgende vernietigingscampagne die Israël en de VS op het land uitvoerden onder het mom van ‘bevrijding’, liggen kunstenaars uit de Iraanse diaspora van beide kanten onder vuur om het ‘juiste’ narratief te brengen. Afhankelijk van de bron betekent dat ofwel steun aan het regime, ofwel blinde loyaliteit aan de VS, Israël en de zoon van de voormalige sjah. Iedereen die weigert kant te kiezen voor een van de moorddadige partijen, wordt door vocale minderheden als een verrader gezien.

Maar, zo bleek in mijn gesprekken met Iraanse theatermakers, er bestaat ook een derde soort druk, die subtieler werkt maar even goed van invloed is op de artistieke vrijheid van kunstenaars. Dat is de ‘progressief’-westerse blik op hun werk, die eveneens verlangt dat er wordt voldaan aan bepaalde verwachtingen. Die blik ziet graag dat Iraanse theatermakers zich uitspreken tegen het regime, openbaar in opstand komen tegen de onderdrukking, maar is minder geïnteresseerd als kunstenaars een gelaagder verhaal over hun moederland willen vertellen – of überhaupt geen theater over Iran willen maken.

Arvand Dashtaray en Marene van Holk, oprichters van het nieuwe gezelschap Virgule FPAC, liepen hier zo vaak tegenaan, dat ze het tot onderwerp van een voorstelling, genaamd Theater Laundering, maakten. Het stuk, dat volgend seizoen nog te zien is, toont drie verschillende scenario’s waarin Iraanse kunstenaars moeten kiezen voor hun artistieke integriteit of voor meebewegen met wat er van hen gevraagd wordt, en legt die dilemma’s vervolgens aan het publiek voor – wat tot een levendige discussie leidt over of de materie wel tot een simpel ja of nee kan worden gereduceerd. Juist die complexiteit willen Dashtaray en Van Holk met de voorstelling aanboren.

De twee werkten jarenlang samen in Iran. Van Holk, die in Nederland werd geboren, werkte en woonde 10 jaar in het land, terwijl Dashtaray geboren en getogen Iraniër is. Sinds de 12-daagse oorlog in de zomer van 2025 tussen Iran enerzijds en de VS en Israël anderzijds zijn ze in Nederland gevestigd. Dashtaray: ‘Het gesprek over Iran is onder Iraniërs extreem gepolariseerd. Het is vrijwel onmogelijk om een genuanceerde positie in te nemen: als je alleen al wilt juichen voor het Iraanse voetbalteam, of lovend spreekt over de Iraanse poëzietraditie, wordt het als steun voor het regime gezien. Je mag niet zeggen dat je tegen het imperialistische geweld van de VS en Israël bent, want ook dan ben je meteen een supporter van het regime. Enzovoort. Het zorgt ervoor dat mensen zich maar helemaal niet meer uitspreken, over niets.

‘En dat leidt er ook toe dat er een zeer eenzijdig beeld over Iran ontstaat, als een land waar er alleen maar onderdrukking is en verder niets gebeurt. Ik ben actief in de Iraanse theaterscene sinds de jaren nul, en ik heb de sector zien groeien. Sinds het verlichten van de sancties naar aanleiding van de nucleaire deal met de VS, zijn we van vier voorstellingen per avond in het hele land naar zo’n 150 voorstellingen per avond gegaan – het was een periode waarin het regime meer openheid toeliet, zowel in het land zelf als richting buitenland, en daardoor kwam er ook meer ruimte voor kunstenaars om hun sectoren te ontwikkelen. Die 150 voorstellingen gaan natuurlijk over allerlei thema’s – maar te vaak wordt in het Westen alleen het expliciet regime-kritische werk uitgenodigd. En als er alleen maar interesse in die kant van het verhaal is kan het dus gebeuren dat Reza Pahlavi door de VVD als grote verlosser wordt gezien, omdat er geen enkel beeld is van hoe de Iraniërs, in de diaspora of in het land zelf, over Iran denken.’

Waar Dashtaray en Van Holk in Iran steeds met de druk van mogelijke censuur of vervolging leerden leven, liepen ze in Nederland tegen een andere beperkende factor aan: de wensen van subsidiegevers. ‘Laten we wel wezen: ik ben blij dat er in Nederland subsidies bestaan. Maar interessant genoeg voelde ik me in Iran soms vrijer om te maken wat ik wilde, omdat de inkomsten daar van de ticketverkoop kwamen, en we altijd waren uitverkocht. Ik hoefde dus niemand van tevoren te overtuigen om me werk te laten maken. Dat hangt samen met iets anders dat het lastiger maakt om in Nederland werk te maken: theater speelt hier een veel minder grote rol in het vormgeven van de maatschappelijke discussie. In Iran wordt theater als zuurstof gezien, als uitlaatklep voor de constante stress van in een onderdrukkende samenleving wonen. Hier is het veel vrijblijvender, er is meer afstand tot het publiek.’

‘En nog iets anders interessants: in Iran zijn we gewend om omfloerster theater te maken. Juist omdát we om de censuur heen moeten werken bevindt de inhoud en het verzet zich tussen de regels. Het Iraanse publiek snapt die codes, en zo ontstaat er een band van wederzijds begrip. Misschien is het Nederlandse publiek meer gewend dat politieke inhoud of standpunten expliciet worden gemaakt, terwijl onze voorkeur gaat naar gelaagdheid en multi-dimensionaliteit.’

Van Holk: ‘Maar ook in Iran zelf loop je continu het gevaar dat je inhoud door politieke invloeden wordt gekaapt. Een rol spelen is daar nooit zomaar een rol spelen, je moet als acteur continu nadenken over wie je steunt als je met bepaalde groepen samenwerkt, je moet de hele tijd bewust zijn van welk narratief je onderdeel wordt. Dat werd bijzonder pijnlijk duidelijk toen we een nieuwe première hadden tijdens de bombardementen vorig jaar, en we moesten kiezen of we het wel door zouden laten gaan. Elke beslissing zou voor het karretje van een van de partijen kunnen worden gespannen. Onder die omstandigheden kon je niet eens sympathie tonen voor de kinderen die werden dood gebombardeerd, omdat je dan meteen van steun aan het regime werd beschuldigd.’

‘Het lastigste eraan vind ik dat het bijna onmogelijk is om te weten of je je er als kunstenaar tóch door hebt laten beïnvloeden. Er zijn zo veel kleine vormen van druk dat je op een gegeven moment niet meer weet of je zelfcensuur hebt toegepast of niet. Maak ik een voorstelling over een bepaald thema omdat ik weet dat subsidiegevers daar enthousiast over worden? Het is bijzonder lastig om als theatermaker uit Iran werk te maken dat *niet* over mensenrechten gaat.’

Poëtische insteek

Een andere theatermaker die ik spreek, en die voor het artikel graag anoniem wil blijven, herkent de worsteling. Hij maakt in zijn werk juist ruimte voor de meer poëtische insteek waar Dashtaray over spreekt. ‘Mijn werk wordt heel verschillend ontvangen door westerse kijkers en mensen met een migratie-achtergrond, zeker als ze zelf uit een autoritaire samenleving komen. De codes die je ontwikkelt om indirect over zaken te spreken zijn herkenbaar voor mensen die die noodzaak ook in hun leven hebben gehad, dat gaat in je lijf en je geest zitten. Die toeschouwers worden vaak op een manier geraakt die buiten bereik blijft voor mensen die in relatief vrije samenlevingen zijn opgegroeid.’

‘Daarnaast merkte ik toen ik in Europa aan het werk ging dat ik in gesprekken met programmeurs vaak op een bepaalde manier ‘ge-exotiseerd’ werd, als slachtoffer van een gewelddadig regime, als willoos object eigenlijk. Juist in een tijd waarin het in het theater veel over hidden bias ging, bleek Iran voor veel theaterprofessionals juist een enorme blinde vlek, ze keken er bijna tegenaan alsof het geen ontwikkeld land is, en waren verbaasd dat vrouwen gewoon naar de universiteit gaan.

‘Ik kwam daarom op het idee om in mijn eerste voorstelling tegenover het ‘bureau of censorship’ een ‘bureau of exoticisation’ te zetten, omdat het voor mij twee kanten van dezelfde medaille zijn: beide plaatsen kunstenaars in een ‘veilig’ hokje en zijn niet ontvankelijk voor ongewenste narratieven.’

Wat de theatermaker ook beaamt is dat de druk vanuit de Iraanse gemeenschap zelf het laatste jaar flink is toegenomen. ‘Het is nieuw dat ik me ook niet veilig voel ten opzichte van mensen die tégen het regime zijn. Ik zie inderdaad veel op social media dat er een sfeer is ontstaan van ‘of je bent voor ons (en daarmee ook vóór het imperialisme van de VS) of je bent tegen ons’. Het is een vreemde tijd om kunst over Iran te maken omdat de realiteit van het land continu verschuift: toen mijn tweede voorstelling begin dit jaar in première ging zaten we midden in de protesten en het daaropvolgende overheidsgeweld, een maand later legden de VS een meisjesschool in de as. Daar raakte de voorstelling onlosmakelijk mee verbonden, terwijl die helemaal niet op die situatie was gemaakt. Maar het is in ieder geval zo dat het voor mij onmogelijk is om theater te maken dat níet politiek is, en dat níet op Iran reflecteert: zowel vanwege dat ik me persoonlijk zeer verbonden voel met het land en wat daar gebeurt, én vanwege de aannames van het publiek omdat ze weten dat ze naar het werk van een Iraanse theatermaker komen kijken en me dus in dat hokje plaatsen. De vraag wordt dan: hoe kan ik die aannames uitdagen, ombuigen, complexer maken?’

‘Wat je ook moet begrijpen is dat naast de expliciete druk van criticasters, er ook een andere druk speelt, namelijk het feit dat je continu in paniek bent over hoe het met je vrienden en familie gaat. Je bent continu on edge, en die realiteit sijpelt ook de voorstelling in. In mijn meest recente voorstelling heb ik live contact met een vriendin die in Teheran woont, en op de dag van de première hoorden we via de online verbinding opeens explosies. Het bleek vuurwerk te zijn vanwege dat het de feestdag was ter ere van de stichting van de Islamitische Republiek – maar het geeft al aan hoezeer theater en fictie in zo’n situatie door elkaar beginnen te lopen.’

‘We maakten ons bij de voorstelling vooral zorgen dat we online zouden worden aangevallen door supporters van de zoon van de sjah. Ik heb zelfs van vrienden te horen gekregen dat ze de voorstelling niet zouden komen kijken omdat we onvoldoende pro-sjah zijn. En aan de andere kant heb je anti-imperialistische Iraniërs die dan weer alle misdaden van het regime terzijde schuiven. Deze groepen zijn eigenlijk een pot nat: het zijn concurrerende ideeën voor het land die eigenlijk allebei autoritarisme bepleiten.

‘Aan de andere kant is het ook bijzonder lastig om onder deze omstandigheden gelaagd werk te maken. Als ik zelf een voorstelling zou zien die eenzijdig anti-VS is zonder ook de Iraanse regering te bekritiseren, zou ik het denk ik ook snel als impliciete steun voor het regime zien. Maar toch denk ik dat het belangrijk is dat dat soort werk juist ook hier wordt gemaakt, omdat het het dominante westerse narratief (Iran slecht, VS goed) ter discussie stelt.

‘Het treurige aan de hele situatie is dat iedereen die tegen het regime was onderlinge solidariteit met elkaar voelde. Maar sinds de VS en Israël zich erin hebben gemengd heeft dat een enorme verdeeldheid opgeleverd, onder Iraniërs maar ook in Europese linkse kringen, die uiteindelijk alleen het regime ten goede komt.’

Dans

Iemand die al wat langer als kunstenaar in Europa werkt is de in Brussel woonachtige choreograaf Ehsan Hemat. Hij herkent veel van de worsteling van zijn collega’s. ‘Toen ik voor het eerst een eigen voorstelling in België probeerde te maken, liet ik mezelf te veel framen als ‘een kunstenaar uit Iran’, mijn hele artistieke identiteit werd eigenlijk tot mijn nationaliteit gereduceerd. Zo kwam ik in een spiraal terecht: ik draaide me vast aan het voldoen aan het frame, maar raakte daardoor steeds minder geïnteresseerd in wat ik aan het maken was. Bovendien bracht de framing van ‘kritische Iraanse kunstenaars’ mij en mijn medemakers ook in gevaar, omdat we allemaal nog contacten hebben in Iran. We leven altijd in angst voor het regime, ook als we zelf het land uit zijn. Vanwege de kunst die ik in Iran zelf heb gemaakt durfde ik vijf jaar lang niet meer naar het land terug te keren.’

‘Het punt is: de eenzijdige focus op de problemen in Iran voelde beperkend voor mij als kunstenaar. Het voelde vooral als het bevestigen en in stand houden van westerse vooroordelen. Ik brak het creatieproces af, en toen ik een paar jaar later wél een eerste eigen werk maakte, voelde ik de vrijheid om voorbij Iran te gaan. Dat werk, I put a spell on you, ging weliswaar over surveillance en privacy en wat dat met je lichaam doet, maar ik stelde me net zo goed vraag wat dat thema in België betekent als dat het over Iran ging. Door veel literatuuronderzoek te doen kan ik voorbij mijn eigen persoonlijke verbintenis tot het thema komen, zonder dat die verloren gaat natuurlijk. Het helpt dus om bewust met de framing als ‘Iraanse artiest’ om te gaan, en je er actief toe te verhouden. Dat is echt een tip die ik aan een nieuwe generatie jonge Iraanse kunstenaars wil geven: je komt hiernaartoe vanwege de belofte om in vrijheid werk te kunnen maken, maar die vrijheid moet je hier net zo goed bevechten.’

‘Vrienden van me hebben in Iran in de cel gezeten en in hun ondervragingen kwam ook mijn naam ter sprake, dat heeft me lang beangstigd. Ik heb toen in 2025 besloten me over die angst heen te zetten en terug te gaan, en het risico gewoon te nemen. Artistieke vrijheid is een strijd, het is zowel kwetsbaarheid als kracht. Het kan me inmiddels niet meer schelen wat de media goed- of afkeuren, wat programmeurs tof of niet tof vinden, wat pro-Pahlavi- of pro-regime-mensen willen dat ik doe. Ik zal altijd naar huis willen terugkeren en ik zal altijd met knikkende knieën bij de douane staan – maar ik moet in vrijheid keuzes kunnen maken om me vrij te kunnen vóelen.’

‘Maar dans is natuurlijk een collaboratief medium, dus ik moet ook altijd met mijn medemakers en het hele artistieke team overleggen waar zij zich comfortabel bij voelen. Een goed voorbeeld is voor mij een recente productie van een andere Iraanse kunstenaar, waarbij de afspraak met het team was dat iedereen tegelijkertijd naar Iran terug zou gaan, zodat niet de situatie zou ontstaan dat de regisseur veilig in Europa bleef en de performers alleen met de eventuele fall-out van de artistieke keuzes moesten dealen. Onderlinge solidariteit moet altijd voorop staan.’

Beeld Don Duyns

Dossiers

Theaterkrant Magazine september 2026

Plaats reactie

Reacties moeten voldoen aan onze huisregels.

Uw e-mail adres zal niet gepubliceerd worden. Alle velden zijn verplicht.