Het werk van de jonge regisseur Charli Chung is energiek, weldadig en onbeschaamd romantisch. In 2021 treedt hij toe tot de artistieke kern van Toneelgroep Oostpool. ‘Ik vind het prettig om me door mijn eigen werk te laten inspireren.’

Je kan het rustig een vliegende start noemen. Nadat hij in 2017 afstudeerde aan de regieopleiding in Maastricht met de voorstelling The Dreamers, regisseerde Charli Chung (24) al zes voorstellingen – en de zevende staat in de startblokken. Twee keer werd hij inmiddels genomineerd voor de BNG Bank Theaterprijs: in 2018 voor Bij jou begin ik en vorig seizoen voor het lovend ontvangen Don Caravaggio, dat bovendien werd geselecteerd voor het Vlaams Theaterfestival.

Horeca

Vanzelfsprekend was het niet dat Chung in het theater zou belanden. Hij groeide op in een horecafamilie in Den Haag, zijn familie bestaat uit restauranteigenaars, barhouders en clubhouders.

‘Het milieu waar ik vandaan kom, zette echt geen stap in het theater’, zegt Chung vrolijk, in café De Jaren in Amsterdam. Wel zat hij van zijn vierde tot zijn zestiende op jeugdtheaterschool Rabarber. ‘Ik was niet zo goed in sport, dus volgens mij was dat voor mijn ouders vooral een manier om mij het huis uit te krijgen. Ik had veel energie, ik was een kleine drukke jongen, dus ik had een uitlaatklep nodig.’

Dat beviel hem goed, totdat tijdens zijn pubertijd zijn homoseksualiteit hem het vrije spelen in de weg ging staan. Ik voelde me ineens ontzettend kwetsbaar op de vloer. Ik was met een totaal ander onderzoek met mezelf bezig, en het voelde alsof iedereen dat onderzoek zag. Ik had heel sterk het gevoel dat ik op dat moment niet in het zicht moest zijn.’

Opleiding

Gegrepen door het theater was hij inmiddels wel, dus koos hij wat hem toen het enige logische alternatief leek: regisseren. Op zijn zeventiende ging hij naar de Toneelacademie Maastricht. ‘Ik had geen enkele kennis van theater. Dat vond ik aan het begin een groot nadeel, ik voelde me dom tussen al mijn klasgenoten, die vaak al studies als Theaterwetenschappen erop hadden zitten. Maar al snel ontdekte ik dat het in mijn voordeel werkte. Ik kon alles vanuit nul onderzoeken.’

Omdat de Maastrichtse bubbel hem al snel benauwde, deed hij in het tweede en derde jaar een uitwisseling van vier maanden met regieopleiding in Amsterdam. Daar leerde hij zijn latere theatercoach Marcus Azzini kennen. ‘Dat was het belangrijkste moment in mijn opleiding, omdat ik dankzij Marcus thema’s ontdekte waarvan ik eerder niet wist dat je daar theater over kon en mocht maken. Ik doel dan op de homoseksualiteit in mijn werk, de vrijere, onconventionelere liefdesvormen.’

Dat waren thema’s waar hij op de toneelacademie aanvankelijk helemaal niet mee in aanraking kwam. ‘Als je gaat zoeken in zo’n toneelschoolbibliotheek vind je geen stukken die daarover gaan. School bood vooral oud repertoire.’

Azzini heeft zich al meteen tijdens zijn opleiding artistiek over hem ontfermd. De afspraak was: steeds één voorstelling stagelopen als regieassistent, dan zelf een voorstelling maken. Eerst kijken, dan zelf proberen. De eerste voorstelling die Chung bij Oostpool maakte was Closer van Patrick Marber, een schoolvoorstelling van anderhalf uur. ‘Voor het eerst ontdekte ik dat wat er in mijn persoonlijke leven speelde – mijn relatie ging na drie jaar uit – ik bijna als een soort artistieke therapie in dat stuk kwijt kon, op een manier die me echt verlichtte.’

Liefde

Het werd de aftrap van een veelkleurig palet over de liefde, waar Chung nog steeds middenin zit. ‘Ik vind het prettig om me door mijn eigen werk te laten inspireren. Na Closer ben ik The Lover gaan maken van Pinter. Ik had behoefte aan een soort tegenreactie op de eenzaamheid waarin iedereen eindigt in Closer. Ik wilde laten zien dat het niet altijd slecht af hoeft te lopen. Al die rare spelletjes die die personages in The Lover bedenken, zag ik als iets positiefs. Dat ze manieren blijven vinden om met elkaar samen te zijn.’

Na zijn opleiding is hij meteen volop voorstellingen gaan maken. Behalve bij Oostpool belandde hij in een vierjarig traject bij Frascati Producties. Zijn onderzoek naar liefde werd een belangrijk terugkerend thema in zijn werk. En dan vooral de niet-heteronormatieve liefde, benadrukt hij: ‘Ik vind het belangrijk om met mijn werk ook het standaard romantische Hollywood-beeld van de liefde bij te stellen.’

Zijn werk is schaamteloos romantisch, een label dat hij zelf ook graag op zijn werk plakt. ‘Ik hou van toneel dat hoop geeft, optimistisch is, en niet van theater dat ons de donkere en de zwarte kant van deze wereld laat zien. Ik lees ook al het nieuws dat op internet voorbijkomt, en ik vind dat er al genoeg geweld op ons af komt. Ook zonder het toneel zien we wel dat de wereld niet leuk is.’

‘Ik heb de tijd nodig om nu veel voorstellingen over de liefde te maken, want het is allemaal onderdeel van een groter portret. Dus ik hoop dat mensen het thema in combinatie met mij nog niet moe zijn, want ik ben voorlopig nog niet klaar.’

Chung valt op met zijn uitbundige theatertaal, waarin hij volop citeert uit en refereert aan andere kunstwerken. Bij Don Caravaggio pakte hij het plot van Molières Don Juan en spiegelt dat aan het werk en leven van Caravaggio; voor Alles wat liefde is shopte hij schaamteloos uit iconische, zoetsappige liefdesscènes uit de mainstream-populaire cinema; zijn aankomende voorstelling Wolven huilen niet alleen is gebaseerd op The Wolfpack van documentairemaker Crystal Moselle, Kaspar van toneelschrijver Peter Handke én het oeuvre van filmregisseur Quentin Tarantino.

‘Ik raak zelf niet zo snel geprikkeld’, verklaart hij. ‘Ik heb veel beweging en impulsen nodig, ik wil emotioneel en fysiek bewogen raken in de zaal. En ik hou niet van grijze kleuren. Mensen zijn kleurrijk, dat wil ik op het toneel terugzien.’

Ik zie dat ook echt als iets van mijn tijd. Ik ben van de Instagram-generatie. Daar komt een zee aan beeldmateriaal en muziek op je af, waardoor ik heel erg geïnspireerd raak. Ik zie dat niet als iets negatiefs, ik ben niet iemand die dat tegenkleurt en ik heb geen behoefte aan een tegenreactie daarop.’

‘Mijn werk moet een bevrijdend effect hebben. Het gaat eigenlijk altijd over vrijheid. Dus ik ben steeds op zoek naar ingangen waardoor ik me bepaalde vrijheden kan permitteren. Bij Don Caravaggio zat het plot me eigenlijk heel erg in de weg: zo’n klassiek lijntje van Molière dat je af moet werken. Dus had ik de behoefte aan een hoofdpersonage dat mij vrijheden toeliet. Die vonden we in de kunstenaar Caravaggio.’

Theater moet volgens hem kleurrijk en divers zijn. ‘Mijn  moeder is Italiaans en mijn vader Chinees. Ik ben zelf bicultureel en homo, voor mij is het heel logisch dat die thema’s geagendeerd worden. Als ik na een voorstelling over de Dam loop, zie ik soms een totaal andere wereld dan in het theater. Maar als we een afspiegeling van de wereld willen zijn, moeten we die verantwoordelijkheid nemen. We moeten samen draagkracht creëren voor meer diversiteit.’

‘Toen ik de schoolvoorstelling Kids maakte, vond ik het bijvoorbeeld echt belangrijk dat er een diverse cast was, zodat niemand van de leerlingen zich uitgesloten zou voelen.’

‘Maar meer dan met mijn biculturele afkomst, ben ik bezig met homoseksualiteit in mijn werk. Ik heb ook gevoel dat ik de weg vrij moet maken voor iedereen die na mij komt. Wat dat betreft denk ik dat er in elke homoseksueel een activist schuilt.’

Oostpool

In 2021 voegt hij zich bij de artistieke kern van Toneelgroep Oostpool. Belangrijkste voorwaarde die hij stelde was dat hij niet meteen naar de grote zaal zou gaan. ‘Daar heb ik de komende vier jaar echt nog geen behoefte aan. Dus dat heb ik ook heel duidelijk gezegd. Ik vind die andere ruimte voorlopig nog veel spannender, ik ervaar daar zelf ook veel meer als ik naar het theater ga.’

‘De vrijheid die ik in mijn werk belangrijk vind, de samenwerkende disciplines, dat bestaat echt bij Oostpool. En ook het ondernemen zit heel erg in dat gezelschap. Er wordt daar heel veel geproduceerd en hard gewerkt om alle ambities waar te maken.’ Het voelt voor hem als thuiskomen, bij deze groep. Over zijn langetermijnambitie is hij nuchter. ‘Over een aantal Kunstenplannen wil ik graag artistiek leider worden. Alleen wanneer het gaat gebeuren is nog de vraag.’

Als kind van een horecagezin houdt hij van dat ondernemerschap. ‘Ik hou van die keuzes: bij Don Caravaggio deden we geen grote bossen bloemen op de première maar kreeg iedereen een roos, want dat bespaart tweehonderd euro. En de pilaren beschilderden we met goedkope verf van de Action, er is toch niemand die dat ziet.’

Gastronomie zit hem in de genen en dat vertaalt zich nu in zijn makerschap. Horecawet 1 – klant is koning – geldt voor hem ook in het theater. ‘Ik neem de gastvrijheid van de horeca echt mee in mijn werk. Ik vind het heel belangrijk dat het publiek het naar zijn zin heeft. Ik wil dat als mensen mijn zaal verlaten, ze een goeie avond hebben gehad. Ik heb ook altijd moeite met acteurs die helemaal gekweld hun applaus in ontvangst nemen. Ik snap dat ze veel meegemaakt hebben, maar toch.’

Regisseren ervaart hij als een ‘onproblematisch beroep’. ‘Je schijnt te moeten zeggen dat theatermaken hard werken en heel zwaar is – en ik heb natuurlijk ook heel zware processen – maar ik vind het vooral heel leuk om te doen. Ik heb geen problematische relatie met het theater, mijn regisseurschap, mijn acteurs of disciplines. Ik heb echt het gevoel dat ik kan maken wat ik wil.’

foto Eva Roefs