Op het gala van het Nederlands Theater Festival won kostuumontwerper Carly Everaert dit jaar de Prosceniumprijs voor haar omvangrijke oeuvre, met als voorlopige kroon op haar werk haar overweldigende bijdrage aan Trojan Wars van Noël Fischer. In Everaerts loopbaan zijn kunst en activisme vanaf het vroegste begin met elkaar verbonden. ‘Je losmaken van de status quo is een levenslang proces.’

Een gesprek met Carly Everaert wordt al gauw politiek. Als ik in haar studio langskom is net het schandaal rond Matthijs van Nieuwkerk losgebarsten: het boegbeeld van De Wereld Draait Door wordt door tientallen voormalige medewerkers beschuldigd van machtsmisbruik en grensoverschrijdend gedrag, en werd daarin jarenlang beschermd door zijn opdrachtgevers en redacteuren. Everaert ziet duidelijke parallellen met de theaterwereld: ‘Het heeft allemaal met de mythe van het onvervangbare mannelijke genie te maken. Als één persoon het onaantastbare middelpunt wordt van een organisatie, waar iedereen omheen moet bewegen, leidt dat vanzelf tot misstanden. Ik ben blij dat een jonge generatie nu op al deze vlakken, van grensoverschrijdend gedrag tot anti-racisme, de dingen opengooit, en dat dit eindelijk serieus aan de kaak wordt gesteld.’

Everaert, bekend om haar fantasierijke kostuums die aannames rond gender en traditionele rolverdelingen compleet op hun kop zetten, studeerde aan het begin van de jaren tachtig Tekenen en Textiele werkvormen aan de lerarenopleiding d’Witte Lelie in Amsterdam. ‘Ik wilde daarna heel graag naar de Textielafdeling van de Rietveld Academie, maar daar werd ik niet aangenomen. Toen werd het eerstegraads Textiele werkvormen aan de Academie voor Beeldende vorming.
In dezelfde tijd zat ik in een straatcircus dat ontstaan was uit de Kraakgroep Jordaan, en kreeg zo met theater te maken. Met een paar leden maakten we een straatkrant voor de Jordaan en we speelden met de vrouwelijke leden van de groep een keer een voorstelling in het Vrouwenhuis – waarbij we het lied One day I’m gonna kill a man in self-defense zongen (Everaert zoekt even naar de melodie en zingt het dan nog na). Een van de leden van het straatcircus deed de regieopleiding en vroeg mij om de vormgeving te doen voor haar afstudeervoorstelling, dat was mijn eerste opdracht.’

Vanaf het begin van haar loopbaan zoekt Everaert een balans in haar werk en haar activisme. ‘Ik was altijd heel plichtsgetrouw; al had ik de hele nacht in een kraakpand de wacht gehouden, zat ik netjes om negen uur op school (lacht). Ik kon nooit zo goed kiezen bij welk systeem ik nou wilde horen, dat leverde me ook wel spottende opmerkingen van mijn medestrijders op. Daar heb ik bij het straatcircus ook mee geworsteld: ik wilde eigenlijk niet op het podium, daar voelde ik me niet fijn bij. En ook dat ik queer ben, was veel uitzoeken: ik voelde al wel dat ik niet steeds alleen maar door hetero’s omringd wilde worden. Maar je losmaken van de status quo is een levenslang proces. Ik zei laatst tegen een collega: ‘Ik hoop dat ik ouder dan 90 word, want eerder ben ik, denk ik, niet écht bevrijd.

‘Ik was aanwezig bij de Vondelstraatrellen, de grote krakersrellen. We zijn toen letterlijk met tanks van de barricaden gejaagd. Ik was de Nieuwe Kerk ingevlucht en ben door een haag ME’ers naar buiten geslagen. De reactie van de staat was zó gewelddadig. Ik vergeet nooit meer wat mijn vader zei toen ik mijn ouders belde: ‘Wat zal je wereldbeeld geschokt zijn.’ Ik wilde niet eindeloos verharden, ik wilde niet dat cynisme het zou overnemen, dus toen ben ik met die vorm van activisme gestopt.’

De afstudeervoorstelling waarvoor Everaert was gevraagd, een bewerking van Escurial van Michel de Ghelderode, viel vanwege artistieke meningsverschillen uit elkaar, maar even later werd ze opgebeld door Chrisje Comvalius, die de hoofdrol speelde. ‘Zij vertelde me dat ze het project bij de Toneelschuur wilde onderbrengen, met een nieuwe regisseur. Ik had geen idee dat de Toneelschuur toen dé toneeltempel van Nederland was, anders had ik het nooit aangedurfd om daar mijn ‘debuut’ te maken (lacht).’

Everaert laat een aantal schetsen en foto’s van een van de ontwerpen zien: een zwart-rode koningsmantel voor Comvalius als de koning, waarin al duidelijk de contouren van later werk van haar hand te zien zijn: vele invloeden die laagje voor laagje in het kostuum zijn verwerkt, een speelse omgang met gender en status. ‘Ik liet me in die tijd sterk inspireren door striptekenaar Enki Bilal, ik denk vanwege de politieke kant van zijn werk en de focus op verzetsbewegingen in zijn verhalen, maar ook het androgyne van zijn personages. Ik zou nu niet snel meer met zwart, wit en rood werken vanwege de associatie met fascisme die dan voor de hand ligt.’

Tijdens de productie van El Escorial (die in oktober 1986 in première ging) maakte Everaert kennis met decorontwerper en theatermaker Rieks Swarte, met wie ze gedurende haar loopbaan nog vaak zou samenwerken. ‘Bij Rieks is eigenlijk mijn hele opleiding in het theater begonnen. We maakten samen heel verschillende voorstellingen: van stukken met amateurs in de Engelenbak tot de Gijsbreght bij Toneelgroep Amsterdam. Ik ben nog eens een maand patroontekenlessen gaan volgen in Düsseldorf, op basis van de Rundschau-methode, omdat ik aan het begin van mijn loopbaan voortdurend last van impostor syndrome had, omdat ik niet als kostuumontwerper was opgeleid.  Maar daardoor heb ik juist unieke methodes ontwikkeld die afweken van de stijl die iedereen op dat moment aanhing – die van Rien Bekkers. Mijn methode leverde een veel meer DIY-stijl op. Hij had een zeer esthetische, historisch geïnspireerde stijl, waarvan je nu zou denken: waarom zou je het modebeeld van de Gouden Eeuw steeds maar herhalen, welke machtsstructuren reproduceer je daarmee? Destijds kreeg ik echter vaak kritiek omdat ik niet volgens het voorbeeld van Bekkers werkte.

‘De laatste tijd kan ik veel helderder zien waarom ik bepaalde keuzes heb gemaakt, en welke omstandigheden daarop van invloed waren. Dat wist ik vroeger allemaal niet, en dat was best kwetsbaar omdat ik me in mijn zoektocht soms erg eenzaam voelde. Het is met een persoonlijke strijd gepaard gegaan, het besef dat mijn ontwerpmethode daadwerkelijk iets bijdraagt aan het vakgebied en zelfs vastgeroeste systemen bevraagt. 

‘Het was heel lang zo dat je stilzwijgend geacht werd al je identitaire kenmerken onzichtbaar te maken en een vaststaand beeld van professionalisme na te streven. Wat dat constant verbergen van wie je bent met je doet, besef je heel lang niet, daar word je mee opgezadeld. Daarom heb je bijvoorbeeld ook dat groepen vrouwen die het hebben gemaakt in een mannenwereld afwijzend reageren op de #MeToo-beweging, omdat zij zich aangepast hebben aan een werkomgeving die niet per se voor hen gemaakt is.

‘In mijn vak heb je een sterk genderonderscheid, althans in de uitvoering: je hebt in een kostuumatelier een verschillende specialisatie voor dames- of herenkostuums. Toen ik voor Samson bij De Nationale Opera werkte, ontwierp ik een kostuum voor een altzangeres die een countertenor-rol zong, een mannenrol, dus. Ik had voor haar een herenpak ontworpen. Maar dat mocht niet door de kleermaker (m) worden gepast. Dan krijg ik wel echt veel zin om een cross-gender ontwerp te bedenken om dat hele systeem op zijn kop te kunnen zetten. Ik ben juist geïnteresseerd in lichamen en personages, die je uit het binaire kan halen – zo kom je op nieuwe vormen en suggesties voor nieuwe werelden. Ik was daar altijd al mee bezig maar ik vind er pas nu de woorden voor, omdat het discours over gender zoveel meer ontwikkeld is en ik het heel bewust ben gaan toepassen. Ik heb daardoor de laatste jaren het gevoel gekregen dat ik ‘in mijn tijd ben gevallen’: ik voel me echt thuis in deze tijd.’

Everaert noemt haar docentschap als een van de belangrijkste factoren in haar eigen ontwikkeling. ‘Als docent word je gedwongen om je eigen werkmethodes onder de loep te nemen, omdat je ze moet bespreken met studenten. Daardoor ben ik me veel meer in hedendaagse theorie gaan verdiepen, omdat de jonge makers van nu in een heel andere context moeten functioneren dan ik destijds: veel meer werkdruk, veel meer schaarste en daarmee de perverse prikkel van competitiviteit en cultureel ondernemerschap. Om daarin te kunnen overleven moet je heel helder kunnen formuleren hoe je wilt werken, met wie je wilt werken, op basis waarvan je je artistieke keuzes maakt, et cetera. En dan helpt het om de ideeën te leren kennen van kunstenaars en denkers die alle verborgen aannames onder die vragen aan de kaak stellen.

‘Een mooi voorbeeld daarvan is een gesprek over ‘Decolonizing Scenography’ dat ik online zag, tussen Rachel Hann en Rosie Elnile, waarin ze het hadden over de termen pre-productie, productie en post-productie. Die woorden dragen al een vaststaand idee in zich over wat een werkproces is: namelijk dat alles is gericht op het eindresultaat. Maar zij vervingen die termen door co-creation, celebration en contribution. Opeens werpt dat een andere blik op creëren, waarbij er heel andere vragen worden gesteld aan makers en manieren van samenwerken.’

Naast haar werk als kostuumontwerper en docent blijft Everaert zich ook als activist ontwikkelen. ‘Ik word sterk gemotiveerd door de grote sociale bewegingen die de afgelopen jaren zijn ontstaan, zoals onder andere Black Lives Matter en #MeToo– daar ben ik echt schatplichtig aan. Tijdens de coronacrisis heb ik een lezing ontwikkeld ‘Creating spaces for other(ed) bodies’, waarin ik stilsta bij de meest recente ontwikkelingen in hoe het vakgebied van scenografie kan bijdragen aan meer inclusiviteit, zowel op als achter het toneel. In de lezing licht ik mijn lesblok Radikaal Denken op de ATD toe. Studenten leren artistiek onderzoek te doen naar hun eigen socio-politieke belichaming. Wat betekent het bijvoorbeeld om een gezond jong wit vrouwenlichaam te hebben of dat van een Trans persoon van kleur of dat van iemand met een beperking?

Ik heb binnen dat blok jazz-zangeres en feminist-against-ableism Mira Thompson uitgenodigd om over Disability Justice les te komen geven: hoe ziet de (kunst)wereld eruit vanuit het perspectief van kunstenaars en performers met een beperking?’

‘Omdat hun drag-praktijk voorbijgaat aan de binaire genderindeling ben ik de laatste tijd in gesprek met Taka Taka, dragmother in Club Church, die drag mothering als een artistieke praktijk onderzoekt bij de onderzoeksgroep DAS THIRD aan de AHK.

‘Vanuit al die samenwerkingen die langzaam ontluiken heb ik gereageerd op de Open Call voor een onderzoeksbeurs bij het lectoraat van de ATD, en die is toegekend. Dat vond ik eigenlijk al genoeg eer voor dit jaar en toen moest de Prosceniumprijs nog komen (lacht)! Met die ruimte maak ik onder meer met Mira een reeks videolessen en verdiep ik me in wat een transperspectief in de podiumkunsten zou kunnen betekenen, in een project met dramaturg Selm Wenselaers. Als onderzoeker en als mens vind ik het van het grootste belang dat je je eigen onwetendheid erkent en je laat voeden door de mensen die al langer met de thema’s bezig zijn.

‘Dat betekent onder andere dat je je realiseert dat je door je eigen privilege blinde vlekken hebt voor bepaalde zaken. Het dekoloniseren van het hele curriculum zet alles op de helling wat we aan kennis hebben ontwikkeld, en dat is enorm belangrijk: ik word er blij van als ik eens flink door elkaar wordt geschud. Een van de belangrijkste slogans in de Disability Justice-beweging is: ‘Nothing about us without us’,  en daarom ga ik al die samenwerkingsverbanden aan.

‘Ik heb in mijn denken veel aan filosoof en ex-partner Simon(e) van Saarloos gehad. Hen heeft mij met zo veel nieuwe denkers laten kennismaken waardoor ik begreep dat je alles kan bevragen, en daardoor heb ik kostuumontwerp als ‘critical tool’ leren inzetten. Dat heeft me een enorme vrijheid opgeleverd in wat ik mag doen, en in wat ik zichtbaar kan maken met mijn werk. Door er op die manier over na te denken heeft het mij nieuwe vormen en een verdieping van mijn kunstenaarschap opgeleverd. Iedereen onderschat hoe politiek (aan-)kleding in brede zin is. Om het even heel scherp te stellen: als je ziet dat mensen in een drag club overhoop worden geschoten, dan besef je hoezeer kleding wordt gebruikt om bestaande machtsstructuren in stand te houden, maar ook om ze te bevragen of om ze omver te werpen.’

foto kostuumschetsen van Carly Everaert voor Trojan Wars van HNTjong

Dossiers

Theaterkrant Magazine januari 2023