‘Het gaat nu redelijk goed. Ik heb af en toe nog wel kleine terugvallen. En daarna gaat het weer een paar stappen vooruit. Ik coach nu twee makers, een paar uur per week. Ik doe nog geen eigen projecten.

In de jaren voor ik uitviel ging het goed met mijn werk. Daardoor moest er veel geregeld worden, terwijl ik nog geen organisatie achter me had. Ik heb in korte tijd een stichting opgericht, ik schreef voor het eerst een grote aanvraag en organiseerde alle voorwaarden om iets nieuws te kunnen maken. Ik moest zo veel dingen doen waar ik eigenlijk heel slecht in was. Maar dit leek de enige manier. Het voelt achteraf als een enorme hordeloop. Ik schreef verhalen in aanvragen over dingen die er nog niet waren. Dat voelde niet integer. Ik kan alleen bij het begin van het proces beginnen, niet bij het einde. Die verhalen over de verwachte uitkomst zetten me volledig vast.

Een maand voor de première van mijn laatste project deed mijn hoofd het ineens niet meer. Tijdens een werkdag moest ik soms twee uur in bed gaan liggen. Ik hoopte dat ik daarna weer kon denken. Dan had ik bijvoorbeeld een interview met een krant, heel belangrijk om publiek voor de voorstelling te krijgen. Na die twee uur lukte het wel weer even, het lukte steeds om te schakelen. Ik denk dat het aan de buitenkant niet heel zichtbaar was.

Toen gingen we spelen en toeren, en na de zomer kreeg ik allemaal buikklachten. Tijdens het wachten op de testuitslagen ging ik neer. Mijn lichaam deed raar, ik was in paniek. Soms durfde ik niet te gaan slapen, omdat ik bang was niet meer wakker te worden. Ik was tegelijkertijd verschrikkelijk moe en heel gejaagd, waardoor uitrusten niet lukte. Er kwam natuurlijk niks uit die tests en toen was het duidelijk.

Gek genoeg, als je klachten gaat benoemen, dan ga je ze beter zien en beginnen ze zich pas echt te manifesteren. Ik was er voortdurend aan voorbijgegaan. Andere theatermakers deden dit toch ook? Ik weet nog maar heel weinig uit die eerste periode. Ik denk dat dat eigenlijk het meeste zegt over hoe ik eraan toe was.

Na vier maanden stonden er voorstellingen gepland in Duitsland die ik wel weer wilde proberen. Het was eigenlijk te vroeg, maar ik vond afzeggen te spannend. Het was het eerste contact met fijne partners. Ik durfde als beginnende theatermaker niet goed zo lang ziek te zijn. Ik had ook al heel lang geen inkomen. Later heb ik nog een keer dezelfde fout gemaakt. Dat niet goed nee durven zeggen met het oog op je financiële situatie en op de toekomst is een soort mechanisme dat je ontwikkelt als kunstenaar, of als zzp’er. Het was een heel slecht idee. Ik viel opnieuw de diepte in.

Ik sta nu veel meer stil bij mezelf. Ik schrijf bijvoorbeeld een uur per dag, met de hand, in een schriftje. Dat is wild schrijven, het mag over alles gaan, en dat is fantastisch. Door tijd te maken voor dat intuïtieve proces weet ik beter hoe het met mij gaat en weet ik nog beter wat ik interessant vind in de wereld, wat van waarde is.

Eigenlijk is dat het creatieve proces dat je wilt hebben als theatermaker. Bij mij was dat helemaal ondergesneeuwd onder alle taken die horen bij het hebben van een eigen organisatie, door de hard tikkende kloktijd die daarbij hoort. Dit schrijfuur is een ander soort tijd, met een andere kwaliteit, zonder direct doel en zonder verwachting.

De noodzaak van dat zoeken wordt niet altijd begrepen door partners en fondsen. En het wordt nooit als werk gezien. Je krijgt daar nooit geld voor. Terwijl je als kunstenaar wel wordt geacht scherp en vernieuwend te zijn. Er wordt hoog opgegeven over niet weten in een proces: “Ja, wij kunstenaars, wij weten het niet!” Maar in de praktijk kan dat bijna niet meer.

Ik identificeer me heel erg met mijn werk als observator van de wereld, met het proberen te voelen wat belangrijk is. Dat is de zoekfunctie die ik heb als kunstenaar. Ik merk dat die zoektocht nu weer wat op gang komt.’

Opgetekend door Patrick van der Hijden.