‘De huisarts zei dat ik even moest stoppen met werken. Ik kon me niet meer concentreren, was er bij besprekingen niet meer bij, liep voortdurend weg. Ik herkende mezelf niet meteen in de diagnose. Ik had echt het idee: dat zijn mensen die hun bed niet meer uit komen. En ik werk toch nog?

Ik heb vriendinnen en opdrachtgevers gebeld. Ik heb werk teruggegeven. En eigenlijk kwam daarna pas de klap. Dat echt niks meer ging, dat ik in mijn bed bleef liggen. Ik kreeg paniekaanvallen alleen al van het idee dat ik niet mocht werken. Ik was dan echt compleet verstijfd. En ik kwam in een negatieve denkmolen: “Ik kan nooit meer werken, ik kan mijn rekeningen niet meer betalen, ik moet mijn huis uit, terug naar mijn ouders.”

Vrienden zorgen voor me, vrienden slash collega’s slash goede buren, die hebben in de eerste periode ook een deel van de regie in handen genomen.

Mijn opdrachtgevers gaan er goed mee om. Ik vond het heel lastig om ze te bellen. Omdat ik het gevoel had dat ik moest gaan toegeven dat ik gefaald had. Ik was ook heel bang dat ik hun een schuldgevoel zou geven. Maar iedereen heeft gezegd: “We betalen je gewoon uit, want die uren heb je allang gemaakt.” Er is één collega die me privé financieel heeft gesteund. Dat is heel bijzonder. Die zei: ik voel me toch ergens verantwoordelijk voor wat er gebeurd is.

Ik ben wel weer een beetje aan het werk, twee uur ’s ochtends, twee uur ’s middags. Als ik ergens zin in heb ook twee uur ’s avonds, maar dat mag eigenlijk niet. Het gaat stukken beter. Ik voel me mezelf weer. Ik kan weer genieten van naar theater gaan. Dat was een hele tijd geleden.

In de maanden voordat ik uitviel wist ik: dit wordt vier maanden alleen maar werken, en op dat moment ga je ervoor. Ik zegde mijn sport en zang af. Als ik gezellig wat ging drinken was het met collega’s en ging het vrijwel alleen maar over werk. Je raakt in een soort flow van alleen maar werken: wakker worden, je computer openslaan, de eerste mails eruit, hopen dat je antwoord krijgt op het moment dat je aan het douchen bent. Ik deed niks meer voor mezelf. Waarbij het lastige is dat ik dit werk ook doe omdat ik het zo leuk vind.

Bij een opdracht was het een kwestie van graag of niet. Nou, graag dan. Ik probeerde de uren gewoon zo laag mogelijk te houden, maar dat deed ik uiteindelijk niet, omdat ik geen half werk wil afleveren. Na de contractonderhandelingen is de verhouding uren-betaling geen onderwerp van gesprek meer. Een deal is een deal. Dat komt ook door je collega’s, die ook doorwerken en in dezelfde positie zitten. En je opdrachtgever zit ook in hetzelfde schuitje. We staan er toch met zijn allen? Je ziet ook hoe hard zij werken.

Ik was aan het sparen voor een bankstel en een mooie eetkamerset. Dus die ben ik aan het opeten, met mijn ouders als back-up. Dat is wel een ding: het einde komt in zicht – wanneer ga je weer aan het werk? In de ideale situatie zou ik nu niet aan het werk zijn. Maar die twee uur ’s ochtends en twee uur ’s middags zijn wel echt nodig.

We moeten als zzp’ers in de cultuur denk ik beter voor elkaar gaan zorgen. We zijn elkaars vangnet. We helpen elkaar allemaal aan het werk, waarom vragen we niet eerder hulp als het even niet meer gaat?’

Opgetekend door Patrick van der Hijden