‘Ik was als een groot containerschip waarvan de motor uitgaat, maar dat nog dertien kilometer doorvaart. Mijn motor was allang uit. Ik was er voor mijn omgeving al niet meer, maar ik ging toch door. En toen ging ik naar de huisarts. Die zei: je moet rustiger aan doen. Vervolgens fietste ik weer meteen door naar het theater, er was zoveel te doen.

Op een gegeven moment gingen zelfs de eenvoudigste dingen niet meer. En wat ik het aller-aller-allerergste vond was dat mijn creativiteit helemaal verdwenen was. Alsof mijn hoofd vacuüm gezogen werd.

Ik belde: ik kom niet meer. En toen was het echt helder en het was alsof een soort golf me oppakte en me neerkwakte. Knock-out midden in de arena, en that’s it.

In het begin was er heel veel niks. Ik kon ook helemaal niet denken, lezen, of luisteren. Ik maakte mijn wereld heel klein. Ik was er elke dag voor mijn dochter dat was het, en op een gegeven moment weer boodschappen doen. Ik hou ervan om alleen te zijn, dat is ook onderdeel van de maker in mij, de observator in mij, dat is iets wat heel belangrijk voor me is. Maar ik was nu alleen en ziek en de wereld denderde door. Er was ook een groot verdriet: kende ik mijn grenzen zo slecht? Heb ik mezelf zo uitgehold? Ik ben niet het destructieve type, maar het is toch gebeurd.

Ik heb in dat jaar maar heel weinig, maar wel fantastische voorstellingen gezien. Het waren heerlijke momenten. (…) Maar dat hele andere stuk, over geld, over strugglen, over de wallen die ik onder veel ogen zag, daar wilde ik het niet over hebben, daar zat zo’n allergie.

Ik denk dat ik beter ben, maar het beton is als het ware nog niet uitgehard. In een ideale wereld zou ik graag nog even verder herstellen. Maar ik voer gesprekken, krijg plannen, het begint weer te lopen en dat is heel fijn.

Toen ik begon met die baan moest ik meteen het beleidsplan schrijven. Mijn voorganger was vrij plotseling vertrokken, ik begon echt als vliegende keep. Toen we vervolgens hoorden: goed plan, maar geen geld, ging ik meteen in de vechtstand. Als er iets ergs gebeurt, ga ik aan, kom maar op! Maar het werd een pijnlijk jaar, weinig geld, mensen die vertrekken. Het jaar daarna werd de doorstart, toen moesten we de nieuwe koers gaan bewijzen. En dat ging goed, we genereerden net genoeg geld.

Aan het begin van het derde jaar voelde ik al: dit wordt zwaar. Ik moet elk jaar dat geld bij elkaar lullen, en daarnaast de artistieke leiding doen en regisseren. Daar kwam wel de energie vandaan. En juist ook durven het experiment aan te gaan. Daar zit een spanningsveld: de zaal moest ook vol. Het moet altijd lukken. Ik was dus ook voortdurend in staat van paraatheid. En maakte de hele tijd adrenaline aan. Die waakzaamheid put je lichaam uit.

Ondertussen knaagde de vraag aan me: waarom doen we dit? Ik voelde: dit is een doodlopende weg. Omdat ik door al mijn rollen beide kanten zag: de gebrekkige inkomsten en de uitgaven die almaar moesten zakken.

In de podiumkunsten is er voortdurend het appel-the show must go on. Mijn grote inzicht van de afgelopen tijd is dat het veel beter is om te weten wanneer je moet stoppen.’

Opgetekend door Patrick van der Hijden.