Een werkgroep van de leergang Leiderschap in Cultuur (LinC) zocht de afgelopen tijd naar de meerwaarde van burgerbudgetten in de kunst. Is het raadzaam burgers te laten bepalen welke kunst met subsidie wordt ondersteund? En wat vinden de burgers zelf?

Door Robbert van Heuven

IJsland liet een nieuwe grondwet schrijven door betrokken burgers. De Spaanse politieke partij Podemos laat stadsbewoners meedenken over stadsplanning. En in zijn boekje Tegen verkiezingen stelde David Van Reybrouck voor om burgers via loting medeverantwoordelijk te maken voor het politieke besluitvormingsproces. Al deze voorbeelden lijken een correctie op het huidige representatieve democratische systeem waarin er eens in de vier jaar wordt gestemd voor volksvertegenwoordigers. In dat systeem, is de gedachte, hebben mensen het idee dat ze, als ze eenmaal hun stem hebben uitgebracht, weinig greep meer hebben op de besluitvorming. Daardoor raken ze vervreemd van de politiek en ontstaat uiteindelijk een gebrek aan democratisch draagvlak.

Eigenaarschap

De kunstsector weet inmiddels alles van een gebrek aan draagvlak en ook daar wordt gezocht naar manieren om mensen meer bij kunst te betrekken. Zou het in dat streven, in navolging van alle democratiseringsexperimenten, ook niet passen om burgers meer zeggenschap te geven over kunstsubsidies? Het zou, bijvoorbeeld, het gevoel van eigenaarschap voor de kunst kunnen vergroten.

De werkgroep van de leergang Leiderschap in Cultuur (LinC) die recent naar de meerwaarde van burgerbudgetten in de kunst zocht, organiseerde daartoe onder andere een bijeenkomst in het Veem House for Performance in Amsterdam. Op 30 mei spraken kunstenaars en specialisten uit de cultuursector over de voor- en nadelen van burgerbudgetten. Een grote groep kunstenaars bleek nogal wat weerstand te koesteren jegens het idee, terwijl anderen wel degelijk nieuwsgierig bleken naar de mogelijkheden op dit gebied.

Volgens Tanja Mlaker, directeur van Stichting Cultuur uit Eindhoven en als zodanig verantwoordelijk voor de uitvoering van het cultuurbeleid in die stad, zouden burgerbudgetten meer betrokkenheid van burgers bij cultuur en van kunstenaars bij burgers kunnen opleveren. Maar, zei ze tijdens de bijeenkomst, de uitvoering ervan is complex, wat inherent is aan de complexiteit van de sector zelf.

Minder enthousiast waren kunstenaar David Bade en criticus Anna Tilroe. Volgens Bade is democratie niet goed voor de kunst. Kunst komt nou eenmaal niet voort uit beleid. De kunstenaar streeft naar kwaliteit en als de kwaliteit hoog genoeg is, dan zou de burger zich daar vanzelf wel betrokken bij moeten voelen.

Volgens Tilroe is de burger juist niet voldoende geïnformeerd om topkunst te onderscheiden en op waarde te schatten. Het gemiddelde publiek zoekt naar wat het al kent, waardoor nieuwe en onbekende vormen weinig kans zouden hebben zich te ontwikkelen als kunst via burgerbudgettering zou worden gesubsidieerd. Dat wil niet zeggen dat kunstenaars het publiek niet zouden kunnen betrekken bij het organiseren van tentoonstellingen. En ook niet dat een kunstenaar geen respect zou moeten hebben voor de geschiedenis van de plek waar zijn kunstwerk wordt geplaatst en voor de gemeenschap rond die plek. De vraag is alleen of burgerbudgetten een raadzaam alternatief zouden zijn voor de huidige financiering van kunst en cultuur.

Rotterdam-Noord

Subsidiëring met burgerbudgetten zou wel lokaal, via precies maatwerk, kunnen worden ingezet. Een voorbeeld daarvan was ‘De burger bepaalt’, een pilot die de groep van LinC opzette in Rotterdam-Noord. De Gebiedscommissie en de gemeente Rotterdam stelden eenmalig 50.000 euro ter beschikking voor het experiment. Alle bewoners uit Rotterdam-Noord, van alle leeftijden, mochten via een online formulier 50.000 euro verdelen over vijftig kunstinitiatieven in Noord. De bewoners moesten zeven initiatieven kiezen en waarderen door het toekennen van 1.000, 2.000, 3.000, 5.000, 8.000, 13.000 en 18.000 euro. In totaal 1.297 bewoners vulden het formulier in en dachten zo mee over het extra budget voor cultuur in hun wijk. Een Idols-wedstrijd werd het in ieder geval niet. Meer dan 70 procent van de bewoners kende de verschillende initiatieven nog niet; zij waren normaal gesproken geen culturele grootverbruikers. Velen van hen wonnen actief informatie in over de verschillende projecten.

Tegelijkertijd vond maar een kwart van de respondenten dit de juiste manier om cultuursubsidies te verdelen. Een even groot deel vond dat een externe commissie dat zou moeten doen. De vraag is ook of een experiment op een grotere schaal ook zou werken en of het in elke gemeente effectief zou zijn. In ieder geval is er lef nodig onder ambtenaren en wethouders.

Feit is wel dat het loont om te experimenteren met verschillende democratische vormen die, net als bovenstaande voorbeelden, zoeken naar een nieuwe democratische verhouding tussen burgers, politiek en kunstenaars. Voor de werkgroep van LinC is het onderzoek nog niet afgesloten. Binnenkort wordt er een nieuwe bijeenkomst georganiseerd over het thema.