Met de monoloog Mona slaat theatermaker Alexandra Broeder een andere richting in. Ze ontleende het personage aan de bestsellerroman Kom hier dat ik u kus van Griet Op de Beeck. Representeerden de kinderen met wie Broeder werkte eerder conceptuele mechanismes, in Mona mag het publiek kijken naar wat het ziet: een kind.

Door Brechtje Zwaneveld, foto Kamerich & Budwilowitz

Alexandra Broeder werkt al ruim tien jaar aan een oeuvre van onheilspellende theatervoorstellingen. Ze creëert griezelige, raadselachtige werelden waarin de volwassenwereld en de kindertijd met elkaar op gespannen voet staan. Toeschouwers zijn altijd expliciet onderdeel van haar werk. De toeschouwer kijkt niet zozeer naar haar voorstellingen, hij ondergaat ze. Hij wordt onderdeel van een ritueel om moeders te bezweren (Mamma), er wordt in een nachtelijk bos over hem gewaakt (Sweet dreams) of hij wordt vastgeklampt door een groep eeuwig dolende kinderen die geborgenheid bij hem zoeken (Candyland).

Kinderen spelen in Broeders werk de hoofdrollen, maar kinderen representeren nooit zichzelf of hun leeftijdsfase. Ze vertegenwoordigen ‘de verloren jeugd’ of ‘een hunkering naar veiligheid’. Ze zijn met hun gedecideerde energie en minimalistische handelingen ondoorgrondelijk, kind noch volwassene, ze zijn allesbehalve herkenbare mensen met wie het publiek zich al dan niet zou kunnen identificeren. Ze zijn zoals de bezeten, ontmenselijkte wezens in horrorfilms: onbereikbaar en niet van deze wereld. Ze luisteren niet naar bekende sociale conventies van beleefdheden of provocaties, ze gaan hun eigen, doelgerichte weg en de toeschouwer moet met ze mee, of hij wil of niet. In die verontrustende, vervreemdende energie tonen ze confronterende mechanismes over controleverlies of over de onuitgesproken macht en de ongefundeerde geruststelling waarmee volwassenen geneigd zijn zichzelf en kinderen te bejegenen.

Broeders voorstellingen zijn werelden op zich met een innerlijke logica die niet altijd meteen in woorden of begrip te vatten is. En juist in die raadselachtigheid poppen bij toeschouwers zeer persoonlijke gevoelens op over schuld, schaamte, het ontbreken van houvast, intense eenzaamheid of machteloosheid. Onthutsende gevoelens waarmee je als toeschouwer enigszins verloren terugkeert naar de realiteit die je kent.

Unheimisch

Met de ontregelende voorstelling De zone brak Broeder vorig jaar eenmalig met haar handelsmerk om met kinderen te werken. De zone bestond uit een aantal persoonlijke contactmomenten tussen een toeschouwer en een performer, via e-mail, sociale media en twee live-ontmoetingen verspreid over enkele dagen. Tijdens deze voorstelling bemerkte Broeder dat ze de ‘duistere horror’ enigszins verliet en opschoof richting een theatrale confrontatie waarin performer en toeschouwer juist van mens tot mens met elkaar konden spreken. De sfeer was nog steeds unheimisch, maar het volwassen leven werd met veel meer mededogen benaderd dan in de voorgaande voorstellingen.

Broeder: ‘In mijn eerdere voorstellingen probeerde ik via de kinderen de volwassenen in het publiek een spiegel van hun eigen onvermogen te tonen. De boodschap was vaak impliciet kritisch: dat hadden jullie beter kunnen doen, word eens wakker. In De zone ontving Hendrik Aerts toeschouwers persoonlijk. Daardoor voelden zij zich juist heel erg gezien in plaats van veroordeeld.’

Met haar nieuwe voorstelling Mona breekt Broeder misschien nog wel radicaler met haar eerdere werk. Deze voorstelling bij NTjong is een solo van een tienjarig meisje, naar het eerste deel van de succesroman Kom hier dat ik u kus van de Vlaamse schrijfster en ex-dramaturg Griet Op de Beeck. De solo wordt beurtelings gespeeld door Ilja van Zanten en Hannah Hentenaar.

Broeder: ‘Tot nu toe speelden kinderen in mijn voorstelling in een groep of samen met professionele acteurs, maar ik wil al langere tijd een solo maken met een kind. Ik wil mezelf en mijn publiek blijven uitdagen, er moet altijd iets op het spel staan bij het maken van een nieuwe voorstelling. Die solo moest gaan over de manier waarop kinderen het gedrag van de volwassenen om hen heen proberen te verklaren en te bezweren. Het fascineert en raakt mij hoe kinderen bepaalde pijnlijke situaties op een volwassen manier kunnen analyseren en tegelijkertijd vanuit een kinderlogica invullen. Die dubbelheid herkende ik in het personage Mona in de roman van Griet Op de Beeck. Mona ziet dat de volwassenen het moeilijk hebben, maar hun gebrek aan aandacht voor haar emoties praat ze volledig goed vanuit een kinderlijk idee dat zij gelukkig moet zijn. Griet heeft op mijn verzoek een theatermonoloog geschreven vanuit de negenjarige Mona.’

Meer menselijkheid

Wel weer een kind in de hoofdrol, maar geen ontmenselijkt horrorkind. Deze keer representeert het kind expliciet haar eigen leeftijdsfase, ze representeert zelfs een verzonnen figuur, een verzonnen kind met wie het publiek zich zou kunnen identificeren. Waarom deze andere richting?

Broeder: ‘Het grote verschil met mijn eerdere voorstellingen is dat ik deze meisjes niet “vastzet” in een vorm. Ik wist van tevoren nog niet dat dat zou gebeuren. Tijdens het begin van het repetitieproces merkte ik dat elke vorm die ik van de speelsters vroeg de plank missloeg. Zodra zij een spel met de tekst gaan spelen, wordt dat een escape voor hun personage in plaats van een vervreemdende werkelijkheid voor het publiek. Dit verhaal moet zo persoonlijk mogelijk worden verteld. Tegelijkertijd vind ik ook dat mijn eigen horrorvoorkeur niet zonder meer een vanzelfsprekendheid moet worden. Bovendien ben ik mij ervan bewust dat “ongepersonificeerde figuren” met maskers en geschminkte gezichten, en een heftige of griezelige beeldtaal, momenteel een trend zijn die de theatrale taal van mij en mijn generatiegenoten medebepalen. Ik wil mij daar niet tegen verzetten of van afkeren, maar ik merk dat ik nu behoefte heb aan meer menselijkheid in mijn eigen werk.’

Toch zullen de meisjes in Mona geen volledig realistische personages worden in de naturalistische zin van het woord. Broeder probeert ze zoveel mogelijk vanuit hun eigen energie te laten spelen. Het publiek mag een kind zien dat toont hoe het met theorietjes een pijnlijke wereld reduceert tot iets emotioneel en mentaal behapbaars. En dat kind hoeft noch een geschoolde acteur na te doen, noch een vervreemdende vorm te hanteren. Dat kind is wat het is: een kind. En daar mogen kinderen en volwassenen van een afstandje naar kijken.

Broeder: ‘Het gemis aan vorm is eng en bevrijdend. Eng omdat ik niet weet wat het zal brengen. Tot nu toe creëerde de soms tot op de millimeter geregisseerde vorm juist het spanningsveld tussen de toeschouwers en het publiek. De kinderen hadden altijd macht over het publiek en daarin lag een belangrijke betekenis. Nu zal het “vlees en bloed” dat spanningsveld creëren. Maar voor mij is het nieuw hoe dat zal uitpakken. Dat is ook het bevrijdende eraan. Ik kom volledig los van hoe ik altijd werkte, ik ben echt opnieuw nieuwsgierig naar mijn eigen werk.’