De Toneelschrijfprijs ging in 2025 naar Annelies Verbeke voor haar tekst Wunderbaum speelt live (online gaat het mis). De prijs is een gezamenlijk initiatief van het Nederlands Letterenfonds, de Taalunie, het Fonds Podiumkunsten en Literatuur Vlaanderen. Dat is een mond vol aan samenwerking en ondersteuning. Het lijkt erop dat de toneeltekst heel wat hulp nodig heeft, zowel van de literatuur als van het theater. En dat is misschien niet eens een foute conclusie.

Vreemde eend

De moderne theatertekst is een vreemde eend in de bijt. Hij bevindt zich in de weinig begerenswaardige positie tussen theater en literatuur. Door de moderne literatuur wordt hij als een randgeval of als een buitenbeentje beschouwd. Als een ‘oneigenlijke’ tekst die pas volledig tot zijn recht komt in een enscenering. Maar ook binnen het theater zelf is het statuut van de tekst in de voorbije decennia ingrijpend veranderd. Hij heeft noch het literaire kapitaal, noch de autoriteit over de enscenering die hij eens had.

De Nederlandse toneelauteur Don Duyns noemde de toneeltekst ooit ‘het debiele broertje van de serieuze letteren, de mankepoot van de literaire scene’. De toneeltekst wordt in de Nederlandstalige literatuur – die in tegenstelling tot Duitsland, Frankrijk en Engeland niet kan bogen op een sterke dramatische schrijftraditie –  minder hoog gewaardeerd dan de roman of de poëzie: toneelteksten worden niet bij literaire uitgeverijen gepubliceerd, worden nauwelijks of niet in de boekenbijlagen besproken, krijgen weinig aandacht aan de universiteit en verdwijnen in de marges van de literatuurgeschiedenis. In de ogen van de literatuur is de theatertekst, volgens Tom Lanoye, ‘even relevant als een telefoonboek uit een ander werelddeel’.

Prestigeverlies

Dit prestigeverlies heeft veel zoniet alles te maken met de evolutie van het theater sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, waarbij de theatertekst niet langer het ongecontesteerde begin- en eindpunt van het theatergebeuren is. Theater is niet langer de enscenering van een (gecanoniseerde) tekst, maar het resultaat van een complex samenspel van licht, geluid, ruimte, lichamen, beelden en woorden. Een totaalgebeuren. De theatertekst heeft zich inmiddels losgemaakt van zijn laatste literaire residuen. Toneelschrijvers zijn minder auteurs dan tekstleveranciers voor het theater. Theaterteksten op hun beurt zijn minder autonome teksten dan wel brandstof voor voorstellingen. Of omgekeerd en meer positief geformuleerd: de theatertekst heeft zich van de literatuur moeten loskoppelen om een eigen, op de moderne theaterpraktijk afgestemde schriftuur te ontwikkelen. Wat kort door de bocht: de theatertekst heeft zijn hoge literaire ambities – volgens de negentiende-eeuwse filosoof Hegel was de dramatiek de synthese van epiek en de lyriek, en was de tragedie de hoogste en meest intense literaire expressie van de mensheid – moeten opgeven om te kunnen blijven functioneren binnen het moderne theater.

Identiteit

Naast de tekst van Annelies Verbeke kwamen nog twee andere theaterteksten in aanmerking voor de Toneelschrijfprijs 2025: Europese man. Een kroniek van Carl von Winckelmann en Pygmalion of de billen van het beeld van David Roos. Natuurlijk zijn drie teksten veel te weinig om tot algemene uitspraken over de moderne theatertekst te komen, maar toch kan een vergelijking wat opleveren.

Zoals in vele eigentijdse teksten staat ook in deze drie theaterteksten de vraag naar identiteit – een zeer ruim begrip uiteraard – centraal. Simpelweg zou je volgend onderscheid kunnen maken: Annelies Verbeke werpt de vraag op naar het communiceren in een samenleving vol (generationele) verschillen; Carl von Winckelmann focust op de betekenis van het leven in de geschiedenis, met voorvaderen en kinderen, in het besef van een genealogische en interculturele lijn; en David Roos keert de blik naar binnen en onderzoekt de plek van het verlangen, van het lichaam, van de kunst. Laat mij die schematische indeling als vertrekpunt nemen om de teksten van dichterbij te bekijken ‘als teksten’. De drie teksten werden opgevoerd. Dat is immers een van de voorwaarden van de Toneelschrijfprijs. Dat ik geen van de drie ensceneringen heb gezien, is in dit geval een voordeel.

Tussen therapie en conversatie

Wunderbaum speelt live (online gaat het mis) bestaat uit drie duidelijk onderscheiden delen: Een whatsapp-conversatie die geprojecteerd wordt op een uitvergroot smartphonescherm, een groepsgesprek in een klaslokaal, en een woordeloze uitgelaten dansscène. Het vertrekpunt is een incident dat zich tussen een aantal leerlingen op school heeft voorgedaan. Een whatsapp-gesprek tussen hun ouders over de taakverdeling voor het schoolfeest zorgt ervoor dat zij zich ermee gaan bemoeien. Een leraar die wil bemiddelen nodigt ouders en leerlingen uit voor een gesprek op school. De tekst van Annelies Verbeke sluit nog het meest aan bij wat een klassiek drama is: je hebt verschillende personages en hun onderscheiden karakters, een conflict en dialogen waarin dat conflict verder wordt ontwikkeld. Je zou Verbekes stuk een mengeling van een conversatiestuk en een groeptherapeutische sessie kunnen noemen.

Een breed panorama van eigentijdse gevoeligheden (ADD en ADHD) en thema’s (cancellen, Gen Z), nieuwe woordenschat (van ‘de verluchtingspolicy’ tot ‘random’ en ‘no offence’) en manieren van spreken (van typische chattaal tot het wollige pathos van de therapie: ‘Ik moet ook even aarden. Dit overweldigt me enorm’), tot houdingen en gedragingen worden in het stuk gerepresenteerd. Het lijkt daarom meer een sociologische dan een psychologische schets. Het zijn minder de personages en hun onderlinge spanningen die intrigeren, dan wel de poging om een herkenbare en eigentijdse taal op de planken te brengen en al de misverstanden die daarmee te maken hebben. De taal zelf is onderwerp van het gesprek, de discussie, het conflict. Door een bepaald woordgebruik differentiëren de generaties zich van elkaar. Bepaalde woorden mag je zeggen, andere (liever) niet. Omdat het stuk zo dicht op de huid van de tijd zit, blijft het in het midden wat ernst en wat sociale satire is. Die onduidelijkheid is trouwens een van de sterkte kanten van het stuk. Het groepsgesprek op school brengt geen soelaas en lijkt de kloof en het misverstand tussen de generaties alleen maar te vergroten.

Het komt op het einde van het stuk weliswaar tot een ‘doorbraak’ in therapeutische zin, maar niet voor de groep en zijn aanvankelijk conflict. Het is de leraar  die breekt en over zijn misbruik door een online-minnaar getuigt. Is dit een bevrijdend spreken? Tot op zekere hoogte. Het stuk (het tweede deel) eindigt met een haast lyrische litanie van de leraar die op zijn beurt de opstap is naar een woordeloze groepsdans: een tribaal ritueel met een digitale projectie van de gezichten van de dansers terwijl emoticons en hartjes over de schermen glijden. De drie delen van het stuk staan voor drie verschillende vormen van communicatie – online conversatie, live gesprek en fysiek – waarvan vooral de laatste als een authentieke vorm van communicatie wordt voorgesteld. Drama dat naar feest verschuift.

Genealogie

In tegenstelling tot het ‘dramatische’ – in alle betekenissen van het woord, inhoudelijk en vormelijk – Wunderbaum speelt life (online gaat het mis) is Europese man. Een kroniek van Carl von Winckelmann vanuit een epische adem geschreven. Het is een autobiografisch relaas waarin de ik-verteller de geschiedenis van zes generaties voorvaders volgt. Een verhaal dat op het einde van de achttiende eeuw in Duitsland begint en via een vlucht uit liefdesverdriet naar Afrika in het koloniale Nederlands-Indië terechtkomt en zich daar vermengt met de plaatselijke bevolking waardoor het een Indo-Europees verhaal wordt dat uiteindelijk eindigt in België. De driehoek van de verteller met zijn vader en zijn dochter vormt de kern van dit melancholische verhaal over kolonialisme en imperialisme, migratie en racistische vooroordelen. Dit zegt de verteller over zijn vader en diens ouders die na de onafhankelijkheid van Indonesië naar Nederland kwamen

zijn ouders komen

maar de ouders die hij in Indonesië had

zullen in Nederland

stoppen met bestaan

bedolven onder al de spullen

die ze moesten achterlaten

Europese man is een secuur gecomponeerde tekst met literaire kwaliteiten waarin meer verzwegen en gesuggereerd dan uitgesproken wordt. Naast de stem van de verteller klinken verschillende andere stemmen (cursief afgedrukt) mee: de dochter, de vader, de voorvaderen. De verteller identificeert zich met zijn voorvaderen en vertelt fragmenten uit hun leven in de eerste persoon: een paar jaar later/ Franz Carl is dood/ ik ben nu Abraham Franz/ vijf vaders voor mij. Het verhaal beweegt zich heen en weer tussen heden en verleden, tussen de genealogische vertelling (de opeenvolging van voorvaders) en het meer in detail uitgewerkte levensverhaal van de vader in het gesprek met een dame die komt nagaan of hij recht heeft op een uitkering omwille van zijn verblijf als kind in een Jappenkamp in Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Europese man is een intieme zoektocht naar wat het betekent om een schakel te zijn in de keten van generaties, naar wat het betekent om de zoon van een vader te zijn en de vader van een dochter, naar wat het betekent om een geschiedenis door te geven die groter is dan jezelf, naar wat het betekent om ergens toe te behoren waar je niet voor gekozen hebt, naar wat het betekent om bloedbanden te hebben. En het is niet in de laatste plaats een emotioneel ingehouden grafschrift voor de overleden vader.

Verlangen

Het is misschien wat schematisch om na een dramatisch en een episch stuk nu een meer lyrisch stuk te plaatsen, maar het klopt ergens wel. Pygmalion of de billen van het beeld is een monoloog die voor een deel geschreven is op het Derde Pianoconcert van Beethoven: Elk woord heeft een eigen plekje in de partituur en dient ook op dat moment te worden uitgesproken, zegt een inleidende opmerking. De partituur is bij de tekst gevoegd en de passages zijn aangegeven waar de taal op muziek hoort: Bij die passages kunt u dus Beethoven aanzetten. De muzikale uitvoering is met andere woorden in de tekst ingeschreven en de lezer kan die performance tijdens de lectuur zelf voltrekken door op het juiste moment naar Beethovens concert te luisteren. Een tekst die uitnodigt tot interactie.

De tekst – een monoloog, zij het dat de ‘ik’ een versplinterde ‘ik’ is – is een keten van steeds terugkerende thema’s en motieven (een muzikale structuur is niet vreemd aan het stuk) die associatief samenhangen en nu eens beschouwend, dan weer verhalend of poëtisch zijn. Het eerste woord van het stuk is niet toevallig ‘ik’. De tekst is zeker ook een studie in narcisme: kan je sorry zeggen tegen een standbeeld?/ dat weet/ ik niet/ kan je sorry zeggen tegen een spiegel/ dat is moeilijk/ die ander in de spiegel is er niet. Identiteit wordt in het stuk gedefinieerd als samenvallen met jezelf als een zuiver geheel. Zo definieert het hoofdpersonage ook de schoonheid. Maar hoe verhoudt zich die perfectie tot de wereld, tot het leven, tot het vleselijke en dus onzuivere verlangen? Die vragen lijkt de tekst te stellen, vragen die ook naar het theater verwijzen: wie staat er op het toneel? Een personage, een mythe, de acteur David Roos? Ook die vragen komen expliciet aan de orde.    

Het onderliggende verhaal – zoals de titel al duidelijk maakt – is de mythe van Pygmalion, een beeldhouwer uit de Griekse mythologie die uit afkeer voor vrouwen (die hij als prostituees ziet) een perfecte vrouw uit ivoor maakt en dan op haar verliefd wordt. Door toedoen van de godin Afrodite wordt de ivoren vrouw een vrouw van vlees en boed. In de tekst van Roos wordt dat: ik die zo teleurgesteld was in de mensen om me heen dat ik maar verliefd werd op een standbeeld – dat is de mythe – ik de beeldhouwer ben een metafoor. De tekst is een poging om de positie van het ik vast te leggen, maar de taal helpt niet mee: kon ik mijn taal maar beitelen als marmer, woorden zijn gemaakt van een steensoort die te zwak is om de taal te dragen. Bij momenten hakkelend en over zijn woorden struikelend zoekt de ik –  waarvan de invulling verschuift tussen David Roos, de mythologische beeldhouwer Pygmalion en de renaissancistische beeldhouwer Baccio Bandinelli uit Firenze – zijn verlangen uit te drukken en vorm te geven in een perfect beeld. Uiteindelijk slaagt hij het beeld van een perfect jongenslichaam te maken dat in zijn ogen meer leeft dan hijzelf: mooier, puurder, vrijer, ergens boven mij ben je er. Hij wordt erotisch zo aangetrokken tot het beeld – vooral door de billen (Het schoonste marmer vindt men altijd in de diepste groet) – dat hij er zich aan vergrijpt waardoor het beeld omvalt en in stukken breekt. Is de lichamelijke drift niet verenigbaar met het verlangen naar schoonheid en zuiverheid? Is het kunst of porno, vraagt de ik-figuur zich expliciet af: vitale vuiligheid of doodse perfectie? Moet een bepaald soort klassieke schoonheid stuk gemaakt worden om verder te kunnen? Aan het einde van het stuk lijkt de verteller verscheurd te worden tussen zijn verlangen het raam open te zetten (de wereld binnen laten) en zijn verlangen om steen te worden (Ik zal wachten tot het bloed in mijn aderen gestold is).

Het zijn drie teksten die de breuken in het identitaire verlangen blootleggen, de scheuren in de communicatie met de anderen, in de verhouding tot de vorige en de komende generaties en in de relatie tot het eigen lichaam.

Experimenteerruimte

De ‘theatertekst’ is verre van dood, al is de ‘theaterauteur’ een wat gemarginaliseerde figuur geworden. De toneelschrijver verdient beter. Gelukkig bestaan er De Nieuwe Toneelbibliotheek in Nederland en Bebuquin in Vlaanderen. Ook literaire tijdschriften, literaire uitgeverijen, bibliotheken en universiteiten kunnen in die erkenning een rol spelen. Het loont de moeite om toneelteksten formeel als literaire teksten te analyseren, als teksten om te lezen. Hoe zijn ze gestructureerd? Welke elementen geven de teksten samenhang? Is er nog sprake van een dramatische opbouw (plot, spanning, ontknoping)? De theatertekst mag dan het minst sexy onderdeel zijn van het eigentijdse theater, hij zou misschien precies vanwege die marginale positie (in de literatuur én in het theater) ook het meest uitdagende onderdeel kunnen zijn: een experimenteerruimte waarin dramatiek, lyriek, epiek en moderne avatars als performance en spoken word in en door elkaar vloeien. De theatertekst is een melting pot van genres en vormen, en misschien precies daarom geschikt om iets te tonen van de culturele en linguïstische mengeling die onze samenleving geworden is. Hoe de theatertekst van de toekomst eruit zal zien, welke gedaanten hij allemaal zal aannemen en welke (literaire) autonomie hij opnieuw ten opzichte van het performatieve zal verwerven, zal de toekomst uitwijzen, maar die vraag mag (en moet misschien) ook voorwerp zijn van breder overleg, planning en beleid.

Foto Sofie Knijff

Annelies Verbeke, Wunderbaum speelt live (online gaat het mis)

Carl von Winckelmann, Europese man. Een kroniek

David Roos, Pygmalion of de billen van het beeld

De Nieuwe Toneelbibliotheek, 2024, Teksten # 827, #817 en #877

Dossiers

Theaterkrant Magazine januari 2026

Plaats reactie

Reacties moeten voldoen aan onze huisregels.

Uw e-mail adres zal niet gepubliceerd worden. Alle velden zijn verplicht.