De Vlaamse kunstenaar Berlinde de Bruyckere ontwerpt het decor voor twee voorstellingen die te zien zijn tijdens het Holland Festival 2017: Nicht Schlafen van Alain Platel en Mariavespers geënsceneerd door Pierre Audi. Haar werk is gevuld met levens die tot stilstand zijn gekomen. Zo ligt er straks een gewonde boom in de Amsterdamse Gashouder en staat een sculptuur van dode paarden in Theater Carré.

Door Dirkje Houtman

De beelden van de Vlaamse kunstenaar Berlinde De Bruyckere vragen om stilte. Je voelt het als je haar werk ziet in musea of galeries. Serene installaties van paardenlijven, mensenlichamen in was, of een verwonde boom die de ruimte bepaalt. Anders is het in het theater, waar de stilte wordt doorbroken omdat haar installaties zich moeten verhouden tot dansers, zangers en een groot publiek.

Gestold leven

Voor Alain Platel maakte ze het toneelbeeld van Nicht Schlafen. Het bleekroze achterdoek is verweerd. In het tere weefsel zitten gaten. De tijd is erin gevallen. Een tedere scheidslijn tussen toen en nu, tussen hier en daar. Dat wordt duidelijk als een van de Afrikaanse dansers door het gat springt, voor even verdwijnt, om vervolgens terug te keren in de nieuwe wereld, waarop hij als vluchteling al zijn hoop heeft gevestigd.

Voor het doek ligt een sculptuur van drie gestorven paarden; de dood levensecht maar uit een andere tijd. Stille getuigen van geweld. De kwetsbare paardenbenen, iets geknakt. Gestold leven, de huid geconserveerd. Weg, weg en toch zo dichtbij.

Het is een altaar waar de dansers stil omheen zitten of staan terwijl het publiek de theaterzaal binnenkomt. Een rite. Dan volgt het moment van ontwaken, dat aanzwelt tot woeste ontmoetingen tegen de achtergrond van de weerloze beesten. Dansers die elkaar stompen, de kleren van het lijf rukken en het publiek in smijten. Een nieuwe tijd vol geweld, maar ook van hunkering en tederheid.

Het autonome werk van Berlinde De Bruyckere is gevuld met levens die tot stilstand zijn gekomen, slachtoffers van geweld, lichamen aangetast door de tijd. Als je ernaar kijkt, ervaar je een groot gevoel van mededogen. Zoals de drie paarden die zij ophing in de bomen van het lommerrijke park Sonsbeek (Sonsbeek 9, 2000). Zo op hun eigen manier dood, waarmee zij het gevoel van het bijbelse Golgotha wilde oproepen. Of de oude olm, geveld door natuurgeweld, die model stond voor de verwonde boom in de installatie Kreupelhout/Cripplewood, 2012-2013 (Biënnale van Venetië in 2013). Ook de mensenlichamen in haar museale werk zijn verloren. De aderblauwe vegen en roze vlekken verraden een dunne gekwetste huid; de gezichten onherkenbaar, versmolten met de romp, bedekt met een deken of een bos lang haar. Soms kruipen ze hunkerend in elkaar of staan weerloos te wachten in hun verschrompelde lichaam. Mensenlichamen van was, vastgeklonken in de tijd, doemen op in de bewegingen van de dansers op het toneel. Kwetsbare lichamen die geweld, pijn, verwarring incasseren maar ook teweegbrengen.

Diepmenselijke gevoelens

‘Mijn werk gaat over de vergankelijkheid,’ vertelt ze, ‘maar tegelijkertijd ook over de schoonheid van die vergankelijkheid en over essentiële, diepmenselijke gevoelens van lijden en dood en afscheid, verdriet en pijn.’

Haar inspiratiebronnen zijn velerlei. Het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee, de kleine levensverhalen van haar ouders, oorlogen, de beelden uit haar jeugd, toen zij als kind van vijf op een internaat zat bij de nonnen. Het verleden resoneert in haar installaties, waarmee ze dood en verval pareert. Zoals Ovidius, haar grote voorbeeld, de continuïteit van de levensstroom zo troostrijk beschrijft in zijn Metamorfosen: ‘Alles in de kosmos is voortdurend in beweging, niets blijft gelijk, maar ook niets vergaat volledig.’

Een groot stilleven

Alain Platel en Berlinde De Bruyckere vonden al heel lang inspiratie in elkaars creaties. Pas in 2005 kwam het tot een ontmoeting en spraken ze de wens uit ooit samen te werken. Dat gebeurde tien jaar later met Nicht Schlafen. De muziek van Gustav Mahler domineert in deze voorstelling, net als de tijd waarin hij zijn muziek componeerde. Een periode vol verwarring en grote veranderingen in aanloop naar de Eerste Wereldoorlog, die veel raakvlakken heeft met onze tijd.

Berlinde De Bruyckere was vanaf het begin bij Nicht Schlafen betrokken. Ze zag hoe dansers auditeerden, waardoor ze hun verhaal en engagement kon voelen, en waardoor ze ook begreep hoe Platel zijn groep samenstelde, wat voor hem belangrijk was. Voor Nicht Schlafen maakte ze een nieuwe installatie van drie paardenlijven waar de dansers op en omheen konden bewegen.

‘Voor Alain was het belangrijk om die paarden op het toneel te hebben vanuit het idee dat de dansers die sculpturen moesten bewaken. Alsof daar gesneuvelden op de scène lagen. Zoals mensen in een oorlog omgaan met hun doden, zorgdragen voor de lichamen. Je probeert de doden toch ergens in veiligheid te brengen, zodat het niet nog erger kan worden dan de dood op zich al is. Ik vind het heel mooi dat er veel activiteit is rond die paarden. Daarbij was het voor mij belangrijk om een paardengroep te maken met meerdere dieren. Eén sculptuur dat ook het saamhorigheidsgevoel vertaalde van de dansers, die elkaar geen minuut met rust laten, die samenklitten.’

De dansers waren erbij toen De Bruyckere de beeldengroep maakte, de dode paarden prepareerde, de beesten vilde.

‘Ik wilde dat de dansers die dode paarden zagen waarmee ik heb gewerkt. Dus dat het niet zomaar een object is dat ineens op het toneel staat, maar dat zij ook weten en voelen waar het vandaan komt. De meeste dansers hadden nog nooit zo’n groot dood dier in het echt gezien. Een dood paard is veel meer dood, omdat het fysiek een heel groot dier is waarbij wij als mens ons heel klein voelen. Die monumentaliteit van de dood maakt een enorme indruk. Ze zagen hoe ik die lichamen tot een grote compositie, bijna als een choreografie, gemaakt heb. Hoe de dode dieren vanuit de koelcel een grote ruimte werden binnengebracht en omhoog getakeld, waar ze op een bepaalde manier op en in elkaar zijn gelegd tot een groot stilleven. Hoe op die dode dierengroep een mal werd gemaakt, een afdruk in siliconen en gips en hoe ik op basis van die afdruk een nieuwe positieve versie van de paarden maakte, die perfecte kopieën zijn. Nadien bekleedde ik die weer met de paardenhuiden. Die ervaring, dat gevoel was belangrijk voor dansers om mee te nemen in het repetitieproces. Want dat beeld was er al toen zij nog in volle creatie waren.’

Huid

De paarden zijn gestorven in de universiteitskliniek, omdat ze ziek waren. Nu zijn ze dood en getransformeerd in een beeld omwikkeld met hun eigen huid.

‘Daaruit is ook de thematiek rond die metafoor van dood en paard ontstaan. Doorgaans wordt een dood paard naar een destructiebedrijf gebracht om verbrand te worden. Op het moment dat ik van dat dode dier een sculptuur maak, is er nog iets tussen het moment dat het dood is en het moment dat het echt weg is. Een soort overblijfsel, een gedachte, een beeld dat uit die dood is ontstaan.

‘Alles is huid in mijn werk. Je hebt de huiden van de paarden, het schors van de bomen, de huid van een deken, de huid van de menselijke figuren. De huid is als de container van de ziel. Aan de kleur van de huid kun je heel veel aflezen over iemands gemoedstoestand of gezondheid. De huid draagt en vertelt heel veel. Voor Nicht Schlafen heb ik de huiden van de zieke dieren gebruikt, ook al vallen de haren op den duur uit. Dat vond ik belangrijk omdat de dansers die dieren hebben gezien. Voor mijn museale sculpturen kan dat niet. Daarvoor gebruik ik huiden van gezonde dieren, die geslacht zijn voor de vleesindustrie. Huiden die doorgaans bestemd zijn voor de leerindustrie.’

Opladen

Voor Mariavespers van Monteverdi in de Amsterdamse Gashouder ontbrak de tijd om nieuw werk te maken. Voor deze enscenering van Pierre Audi koos De Bruyckere de installatie Kreupelhout/Cripplewood, gemaakt voor het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië in 2013. Een verwonde boom die in het schemerdonker ligt, op sommige plekken rustend op een kussen, de open plekken waar ooit takken zaten liefdevol verbonden met verweerde lappen. De Bruyckere gebruikt graag oude materialen en houdt ervan in lagen te werken. Voor dit werk in Venetië vond ze haar inspiratie in de oude stad: de muren met hun littekens, de pest, de heilige San Sebastiaan, die gelaten het geweld van pijlen aanvaardt. Zijn lichaam keert terug in deze boom, die op sommige plekken de kleur van een mensenlichaam aanneemt. Dood en verval worden gepareerd in een nieuw beeld.

Nu ligt de gewonde boom in het midden van de enorme Gashouder, waar tribunes omheen zijn gebouwd. De oorspronkelijke Venetiaanse context is verdwenen. De installatie die bestond uit het totaal van beeld en ruimte is aangetast. Het paviljoen dat fungeerde als sokkel is daar achtergelaten. Het is een geschonden beeld, dat tot leven wordt gewekt in een nieuwe omgeving, met andere middelen.

‘Mijn eerste theaterervaring had ik toen ik met Pierre werkte aan de opera Penthesilea in 2013. Ik wilde mijn werk al langer tonen in een groter geheel, zodat het niet op zich staat, maar gedragen wordt door muziek, choreografie en licht, en op een andere manier beleefd wordt door de aanwezigheid van publiek. Het libretto was me op het lijf geschreven: een oorlogssituatie die je via een oud verhaal opnieuw ervaart en je tegelijkertijd doet beseffen dat er sinds die oude wereld in dat opzicht weinig is veranderd. Ik werkte toen met stapels huiden, geplaatst op grote roestige metalen paletten. Dierenhuiden in hetzelfde kleurenpalet als mensenhuid, waardoor het bijna een collectieve aanwezigheid was van dood.

‘Voor Mariavespers heb ik gezocht naar een beeld dat overeind kan blijven naast de muziek van Monteverdi. Na Venetië heb ik Kreupelhout/Cripplewood al elders geëxposeerd; in het S.M.A.K. in Gent en in KUB, Bregenz met daglicht en bij Hauser & Wirth in New York met kunstlicht. De gashouder is opnieuw als een sokkel voor dat beeld. Wat ik zo fascinerend vind is dat de Mariavespers het beeld tegelijkertijd oplaadt. Daarvoor moet je heel precies zoeken naar het juiste evenwicht tussen muziek en beeld. Ik werk hieraan met videokunstenaar en fotografe Mirjam Devriendt. Zij fotografeert sinds 2000 al mijn beelden en voor Penthesilea maakte ze de video. Uiteindelijk komt alles samen en gaan we met Pierre Audi dat beeld opladen, met muziek, de scenografie, het licht en de bewegende beelden die erop worden geprojecteerd. Kreupelhout is nu onderdeel van een groter geheel, waar het publiek van bovenaf op kijkt. Dat wil ik absoluut voelen, die achthonderd mensen rond dat werk, hoe zij ernaar kijken.

‘Anders dan in Nicht Schlafen, waar de dansers de paarden aanraken, erop gaan liggen, ze berijden, doen de zangers dat bij Kreupelhout niet. Het beeld heeft zijn eigen bewustzijn. Het gevoel dat je daaraan ontleent, verandert door het licht en de filmprojectie en de manier waarop het koor in relatie staat tot het werk. Soms staat het achter het publiek, zodat je het gevoel hebt dat er iemand in je rug blaast. Je kijkt dan alleen naar Kreupelhout, dat daar eenzaam ligt in die enorme ruimte. Dat is heel spannend.’

Schoonheid van het verleden

Alles wat is of was wordt hergebruikt, ook haar eigen werk. Alsof het verleden gerecycled wordt, het ene het andere voortbrengt in een continue stroom.

‘Ik denk dat wij als mens een samenstelling zijn van de dingen die in het verleden zijn gebeurd. De dingen die we hebben gelezen, gezien, gevoeld, geleerd. Vanaf mijn vijfde zat ik op een internaat, waar ik door nonnen heel katholiek ben opgevoed. Dat heeft zijn sporen nagelaten, maar er waren ook mooie ervaringen. Een beeld als de pietà waar ik toen als kind naar keek, is op mijn netvlies gebrand. Het gevoel van toen draag je je hele leven met je mee en blijf je constant hertalen. Als mens hebben wij allemaal onze geschiedenis. Die mogen we niet vergeten.

‘Ik leef in een huis in Gent en de kelders ervan stammen uit de middeleeuwen. Dat huis is geladen met al die mensen die daar vóór mij hebben geleefd. Ik heb dat graag, dat gevoel. Ik denk dat ik nooit in een nieuw huis zou kunnen wonen, omdat ik bijna nood heb te weten dat daar vóór mij andere mensen echt hebben geleefd.

‘Dat vind ik ook zo fantastisch mooi aan Metamorfosen van Ovidius, dat hij een transformatie toont die positief is maar tegelijkertijd ook negatief. Ja, uiteindelijk zijn we hier allemaal en gaan we allemaal dood, dat is gewoon een keiharde realiteit. Ovidius probeert daar op een creatieve manier mee om te gaan. Troost het om die dingen uit het verleden te hertalen en mee te nemen in dat wat je nu doet en maakt? Voor mij wel, omdat de link met het verleden en met wat er niet meer is zo mooi is.’

foto: Chris van der Burght