Nick Steur (1982) doorliep de opleiding tot theatraal performer in Maastricht en zoekt sindsdien consequent het grensgebied op tussen theater en beeldende kunst. Zijn meest recente performance A piece of time werd zowel door de jury van de Nederlandse BNG Nieuwe Theatermakersprijs als door die van het Vlaamse Cricuit-X geselecteerd. Marijn Lems analyseert de kracht van zijn werk.  

Nick Steur zal de vergelijking zelf zeker niet aanmoedigen, maar de kunstenaar ziet er op publiciteitsfoto’s van zijn werk altijd een beetje uit als een illusionist met showmankwaliteiten. Misschien ligt het aan de enorme concentratie op zijn materiaal, zijn blik strak, zijn handen net los van een stapel stenen; of aan zijn neiging om zich enigszins formeel te kleden, of aan de indruk dat je in zijn werk naar magie zit te kijken, naar een tijdelijke opheffing van natuurwetten. Het grote verschil met een entertainer als Hans Klok is echter dat Steur naar zijn publiek toe zeker niet de perfecte gastheer probeert uit te hangen. Zijn teksten zijn cryptisch, zijn houding tegen het onverschillige aan, ongemakkelijk ook, alsof hij zich eenvoudiger tot de objecten op het podium verhoudt dan tot zijn toeschouwers.

Monomanie

Steurs artistieke zoektocht speelt zich voornamelijk af rondom de confrontatie tussen het menselijke en het levenloze. De maker is gefascineerd door de fysieke eigenschappen van zijn materiaal en door de vraag hoe hij die eigenschappen naar zijn hand kan zetten. Zo ontstaat er een krachtmeting tussen de mens en de natuur, waarbij de opperste concentratie die Steur zelf nodig heeft door zijn publiek wordt overgenomen. Of zoals het op zijn website staat: ‘Share some of his focus and realize that true happiness lies in the luxury of being occupied with one thing only.’ Het is precies die monomanie die Steurs beste voorstellingen zo spannend en schurend maakt.

In de voorstelling Freeze! (waarmee hij de Theater Aan Zee Jonge Theatermakersprijs 2011 won) werden deze thema’s meteen al op overtuigende wijze geïntroduceerd. Gesteund door enkel een voice-over van zichzelf, waarin hij quasi-filosofisch maar niet gespeend van zelfspot de situatie becommentarieert, bouwt Steur torens van stenen van verschillende grootte en vorm. De stenen balanceren op elkaar op een manier die onmogelijk lijkt. In sommige variaties bouwt Steur op glazen kubussen, in sommige op een spiegelvloer, wat de fragiliteit van de onderneming nog eens benadrukt. Toen ik de voorstelling in Brussel zag tijdens het Batard Festival in 2011 stonden alle torens aan het einde van de voorstelling nog overeind in de gymzaal waar de voorstelling plaatsvond, tot Steur de voorstelling besloot met een toevoeging die karakteristiek zou blijken voor zijn aanpak: door te proberen een bal door de basket achterin de ruimte te gooien, waarbij deze hard op de glazen vloer terechtkwam, leek Steur zijn kwetsbare prestatie weer omver te willen werpen. Alles bleef alsnog staan, maar na zoveel concentratie was deze achteloze speelsheid bijna schokkend.

Het is een neiging tot wreedheid of plotse onverschilligheid die vaker terugkomt in Steurs werk. Vanwege de tunnelvisie die hij tijdens zijn performances aan de dag legt kan zijn podiumpersona sowieso al overkomen als iemand die zich op bijna sociopathische wijze heeft gewijd aan een schaakpartij met de natuurwetten, als iemand die buiten de normale samenleving opereert en die het koud laat wat zijn toevallige toeschouwers van zijn experimenten vinden. De meedogenloosheid waarmee hij wat hij gecreëerd heeft weer van tafel kan vegen versterkt dit gevoel nog. Het is de kunstenaar als schepper, die zijn eigen moraal heeft die slechts ten dienste staat van die schepping zelf. Het vormt een prettig ontregelend contrast met de schoonheid die hij vaak met zijn materialen weet te bewerkstelligen, een elementaire esthetiek die gemakkelijk associaties met een weeïge spiritualiteit zou kunnen oproepen. Werner Herzog zou echter trots zijn op de manier waarop Steur door zijn performance ook de ultieme wreedheid en onkenbaarheid van de natuur benadrukt.

Natte voeten

Een mooi moment dat dit gegeven onderstreept zit in de voorstelling TRIP!, die hij in 2012 op Theater Aan Zee maakte. Het publiek wordt door Steur door verschillende ruimtes geleid die een expositie vormen, gebaseerd op Steurs weerstand tegen de overdaad aan informatie die we in de moderne tijd te verwerken krijgen. In volgeschreven trappenhuizen, een geprojecteerde tekst in een berg zout en teksten in water op stenen pilaren, die langzaam verdwijnen in de zon, zoekt Steur naar een ontsnapping. Uiteindelijk komen we in een grote loods aan waar een grote berg zand in het midden staat. Met water uit een tuinslang laat Steur de berg langzaam verdwijnen, maar de ruimte loopt zo vol dat ook het publiek goed moet oppassen dat het geen natte voeten krijgt. Steur lijkt geen onderscheid te maken tussen mensen en materiaal; het water spuit hij naar waar het moet zijn en als zijn toeschouwers niet op tijd opzij gaan, halen ze een nat pak. De totale onderwerping van de mens aan de grillen van de natuur past goed bij de ontzagvolle blik waarmee Steur zijn materialen steeds beschouwt.

Het voorgaande wekt misschien de suggestie dat Steur zelf ook het prototype van de autonome kunstenaar is die zo bezig is met zijn kunst dat hij de relatie met zijn publiek uit het oog verliest. Niets is echter minder waar; Steur acht het juist uitermate belangrijk dat zijn toeschouwers worden meegenomen in zijn universum en er is hem veel aan gelegen om zijn fascinaties voor ons begrijpelijk te maken. Dit komt in zijn werk vooral tot uiting in het gebruik van taal, die Steur steeds meer als brug tussen het puur visuele en het rationeel begrijpelijke is gaan gebruiken.

In de voorstellingen na FREEZE! experimenteerde hij op verschillende manieren met tekst en betekenis. In de performance Titled, die op Festival Cement in 2012 in première ging, kwam al meer lineaire tekst voor dan in de voorstelling daarvoor, met haar poëtisch-filosofische beschouwingen. En ook in zijn meest recente voorstelling, A piece of time, gingen tekst en uitleg in het creatieproces een steeds belangrijkere rol spelen.

Ik zag de voorstelling twee keer: een keer in een work-in-progress-versie in Brussel, en opnieuw in Amsterdam tijdens het Nederlands Theater Festival. In de performance neemt het publiek plaats in een piramide, waar iedere toeschouwer een metronoom voor zich heeft. In het midden hangt een enorme pendule. De opzet van de voorstelling is dat alle metronomen precies gelijk kunnen lopen, wat mogelijk wordt gemaakt door het feit dat ze op planken staan die los in de ruimte hangen, waardoor de schommelbeweging die de pendules zelf veroorzaken de wijzers naar een gelijkmatig ritme zullen dwingen. Althans, dat is de theorie – in de praktijk vereist het net zo veel concentratie en tussentijdse bijstelling als de stenen in FREEZE!

Het grote verschil tussen de twee versies is echter dat Steur in Brussel alleen de meest basale instructies aan het publiek gaf, en hij in Amsterdam het hele proces letterlijk uitlegde. Hoewel deze laatste aanpak zeker verduidelijking bracht voor de toeschouwers, was voor mij daarmee de meerlagigheid van de voorstelling grotendeels verdwenen. Door alles te benoemen berooft Steur zijn publiek van de mogelijkheid om zelf een verhouding tot zijn universum te zoeken en wordt de ongrijpbaarheid ervan aangetast. Wellicht heeft Steur dat toch gemeen met een illusionist: als je de truc uitlegt, is de magie verdwenen.

Spinnenweb

Die magie was veel sterker aanwezig in de enige voorstelling die Steur in de open natuur maakte. In het project Borderline ging hij samen met zes andere kunstenaars aan de slag in de bossen rond een verlaten cementfabriek, op de grens tussen Nederland en Vlaanderen. Het onderdeel van Steur zelf was verrassend in zijn speelsheid: nadat het publiek al lange tijd een touw op de grond had gevolgd kwamen we uiteindelijk aan op een open plek, waar het touw de vorm van een spinnenweb aannam. Gefascineerd liepen we ernaartoe, maar toen bleek dat het een soort netconstructie was die Steur snel omhoogtrok zodat het publiek in de val zat. Als een soort aardmannetje liep Steur op zijn publiek af en tilde een jonge vrouw op, met wie hij vervolgens wegrende naar een tunnel tussen de bomen. Het sprookjesachtige verhaal van deze scène lijkt misschien incongruent met de strenge puurheid die Steurs andere voorstellingen kenmerkt, maar het kat-en-muisspel met het publiek is ook in zijn andere werk merkbaar.

Steur is op zijn sterkst als hij de uitleg laat voor wat ze is en op zijn beelden en zijn eigen merkwaardige aanwezigheid vertrouwt. In die gevallen is hij een volstrekt unieke maker in het theaterlandschap, iemand die zeer persoonlijke fascinaties tot een bron van verwondering, ontregeling en schoonheid weet om te vormen.