Kunnen mensen het winnen van stenen? Kunnen directeuren het winnen van hun statige instituut? Dat is de stille strijd die Guy Gypens levert in het Brusselse Kaaitheater, waar hij een jaar geleden doorschoof van artistiek leider naar algemeen directeur. Hij maakte van het Kaaitheater the place to be voor het debat over transitie en ecologie. Zelf noemt Gypens dat ‘politiserend programmeren: mensen aanmoedigen om op eigen kracht te denken’.

Door Wouter Hillaert, foto Saskia Vanderstichele

Willem Schinkel die een lezing komt geven over democratie. Een festival vijfentwintig jaar na de Val van de Muur. Een alternatieve boekenbeurs met sprekers over alternatieve muntsystemen, balanseconomie en de groene utopie. Een meerdaagse masterclass voor activisten in aanloop naar Global Divestment Day. Benjamin Barber die zijn boek If Mayors Ruled the World komt presenteren. Een rode draad door het seizoen met performances rond individualisme en collectiviteit. Elk jaar Burning Ice, een festival over kunst en klimaat. Elk jaar ook de ‘Nacht van de kennis over Brussel’. Of een reeks lectures van filosofen op het toneel onder de titel re:think, met onder anderen Marli Huijer en Hans Achterhuis.

Het zijn geen activiteiten die je spontaan met een kunstenhuis associeert, maar in ‘het Kaai’ kan het allemaal. Sinds Guy Gypens in 2008 het management van Rosas inwisselde voor de artistieke directie van het grootste kunstencentrum van Brussel lopen alle wegen naar de toekomst op een of andere manier via het Kaaitheater. Gypens verzamelt in zijn zaal een hoop intellectueel kapitaal, combineert het met zijn artistieke programma van dans, theater en performance, en probeert intussen de draagkracht van zijn eigen organisatie niet op te blazen. Onder zijn vlag werd het Kaai zo’n beetje Frascati en De Balie ineen.

Gevraagd naar zijn eigen verbeelding van wat het Kaaitheater wil zijn, komt Gypens met de utopie van het publieke park. ‘Een park heeft een heel andere chronologie dan een klassiek theater. Terwijl een theater het ene na het andere programmeert, binnen een globaal verhaal van vooruitgang, vormt een park een ruimte waar de dingen tegelijk naast elkaar bestaan. Het is een plek van “cohabitatie”, van samenleven met alle diverse verhoudingen tussen natuur en cultuur, mens en omgeving, het lokale en het internationale. Juist zo’n complex ecologisch burgerschap streef ik met het Kaaitheater na.’

Is het Kaaitheater al zo’n park?

‘Nee, wij zijn nog steeds een theater, een dôme waaronder van alles gebeurt. Om echt een park te worden zou het Kaaitheater een infrastructurele transformatie moeten ondergaan, voorbij het gebouw dat er nu is. We zijn daarmee bezig, er lopen met de overheid gesprekken over een paar mogelijkheden rond de naburige Citroëngarage en de Kanaalzone. Maar wat het wordt, is nog een grote onbekende en misschien zelfs ijdele hoop. Ik kan momenteel alleen zeggen dat we dat heel graag zouden willen: meer openplooien naar de omgeving, meer park worden.’

Kunnen we dit kunstenhuis bestempelen als een ‘moreel huis’?

‘Ja, als moreel betekent dat we een tegenkracht proberen te vormen tegen het cynische realisme dat stelt dat we de wereld maar moet aanvaarden zoals ze eruitziet. Die idealistische tegenkracht is absoluut nodig. Nadenken over onze verantwoordelijkheid voor de toekomst speelt bij ons een heel grote rol. Wij geloven in maakbaarheid. Maar het laatste wat ik met het Kaaitheater zou willen doen, is een morele handleiding schrijven rond goed en kwaad. Daarom zou ik onze rol eerder politiserend dan moreel noemen. Welke vragen moeten mensen zich stellen? Welk gereedschap kun je hun daarvoor aanbieden?’

Zit dat aanbod niet vooral in jullie randprogramma van lezingen, festivals en conferenties, en veel minder in de doorlopende artistieke programmering?

‘Daar zit een evolutie in. Festivals zijn interessante tijdelijke formats om dingen aan de orde te stellen, maar de ambitie moet zijn om ze altijd opnieuw te integreren. Zo is Spoken World, ons grootste festival, nu een thematische rode draad door het seizoen geworden. Burning Ice wil ik apart houden, maar ik kan uit het huidige seizoenprogramma makkelijk nog tien voorstellingen noemen die in dat festival zouden passen. Maar als je die thema’s als ecologie, transitie en duurzaamheid echt op de artistieke agenda wil zetten, dan doe je dat beter met een paukenslag, en dus met een apart festival. Je moet ook altijd oppassen om autonome werken niet te gaan onteigenen met jouw thematische strikje.’

Ja, wat vinden de kunstenaars van die koers? Historisch bekeken is het Kaaitheater hét huis waar artistieke vrijheid altijd hoogtij vierde, wars van elke wereldse verwachting.

‘Sommigen blijven bang voor elke zweem van maatschappelijke instrumentalisering, maar tegelijk is er een generatie aangetreden die daar juist heel graag de strijd mee wil aangaan. Dat is nieuw. Toen er in 1996 gesprekken werden gevoerd om het theater meer op de stad te richten, zei de generatie kunstenaars die dit huis mee heeft groot gemaakt nog nee. Nu vinden vele kunstenaars het juist hun plicht om open te staan voor maatschappelijke tendensen. Dat maakt het nog niet makkelijker. Je merkt veel zelfkritiek en onzekerheid: zijn we wel goed bezig? Complexiteit is een mooi woord, maar het legt soms ook dingen plat. Toch wil die nieuwe generatie echt het gesprek aangaan over ons instituut en haar eigen rol daarbinnen.’

En in huis zelf? Heb je zwaar moeten vechten voor zo’n politiserende aanpak?

‘Die lange traditie van onvoorwaardelijke steun aan het eigen verhaal van de kunstenaar maakte het zeker niet evident. Toen ik in 2008 hier begon, zag ik een kortsluiting tussen dat verhaal en een reeks maatschappelijke kwesties. Ik wilde dus als instelling een stap naar voren zetten: niet vóór de kunstenaars, wel ernaast. Maar toen ik voor het eerst klimaatverandering op de agenda zette, vonden velen in de ploeg dat lastig. Waren er toen geen kunstenaars geweest zoals Kris Verdonck of Kate McIntosh, die dat verhaal wel spontaan ondersteunden, dan was het daar misschien wel gestopt. Als programmeur alleen spring je niet ver.’

Bestaat er vandaag niet nog altijd een kloof tussen de inhoudelijke filosofie van transitie en de eigenlijke werking van het Kaaitheater? Is het allemaal wel zo consequent?

‘Dat blijft een dagelijks vraagstuk, ja. Op het vlak van eco-efficiëntie hebben we zeker stappen gezet. De verschillende afdelingen van het huis engageren zich nadrukkelijk om onze voetafdruk zo klein mogelijk te maken. Maar ik hamer er steeds op dat we als cultuursector niet alléén moeten focussen op eco-efficiëntie. De belangrijkste bijdrage van cultuur aan de transitie naar duurzaamheid is het bewerkstelligen van een mentale transitie, ook in de eigen organisatie. Een goed voorbeeld is alles wat met internationale programmering te maken heeft. Als je mobiliteit en internationale uitwisseling ter discussie stelt, dan raak je al snel aan de identiteit van de moderne mens. Stilaan zijn de extremen uit onze praktijk verdwenen, maar het blijft een uitdaging om de juiste balans te vinden. Recent hebben we bijvoorbeeld het gezelschap van Young Jean Lee toch voor één week uit New York overgevlogen. De rest van de geplande tournee in Europa werd op het laatste moment geannuleerd.’

Zijn er nog meer van zulke lastige knopen voor een kunstenhuis dat politiserend wil werken?

‘Het is lastig te merken dat we eigenlijk veel meer vastzitten in onze positie op de kunstmarkt dan in onze institutionele positie. Als je aan die marktpositie morrelt, raak je niet alleen aan je economische basis, maar bots je ook op veel tegenwerking van artiesten en collega’s. Zo ervaar ik meer en meer druk om ons te beperken tot het presenteren van voorstellingen in plaats van te coproduceren en in de diepte met kunstenaars te werken. Inhoudelijke of politieke motieven moeten het daarbij vaak afleggen tegen cijfer- en marktpragmatiek. En toch zullen we ook de volgende stappen richting duurzame transitie moeten zetten, voorbij de obstakels en excuses.’

Hoort de diversiteit van jullie publiek daarbij? Het Kaaitheater speelt zijn maatschappelijke rol vooral voor hoogopgeleiden.

‘In het Engels bestaat daar een mooie uitdrukking voor: “preaching to the choir”, in een lege kerk alleen prediken voor het koor. Dat klinkt negatief, maar als je zo bevlogen kan prediken dat het koor mooier gaat zingen, dan komen de mensen misschien vanzelf terug naar de kerk? Dat is wat kunst doet. Het blijft zin hebben om mensen te voeden met betere argumenten of extra vaardigheden, zelfs al zijn zij al de bevoorrechten. Dat wil niet zeggen dat ik die samenstelling van ons publiek als instelling niet wil veranderen. Zeker als het gaat om interculturaliteit zijn er kunstenhuizen die het beter doen dan wij. Zo denken we erover om Burning Ice te combineren met Festival Kanal, het brede buurtfestival waarmee we ons elk jaar engageren. Zo trek je het ecologische voorbij de usual suspects.’

Het Kaaitheater heeft dus nog veel werk op de plank de komende jaren?

‘Ja, en daar moeten we ons voor een deel ook tegen beschermen. We willen altijd alles tegelijk, maar om echt tot iets te komen, moet je de dingen afbakenen. Want de kans dat je stilvalt, is reëel. Dat voel ik niet alleen bij mezelf, maar ook bij ons personeel: we creëeren steeds meer druk, we mogen het niet opblazen. Er is nu eenmaal een grens aan de complexiteit die je aankan. Juist handelen is ook keuzes maken en compromissen sluiten tussen bepaalde idealen. Bovenal moet je helder aflijnen wat aan deze of gene kwestie “onze bijdrage” kan zijn, in plaats van het hele probleem te willen oplossen. Die bijdrage definiëren is al moeilijk genoeg. Maar tegelijk moet je wel ruimte houden voor spontane ideeën. Als iemand plots met het juiste voorstel komt om morgen iets rond de vluchtelingen te doen, moet je niet de berekenende manager gaan uithangen. Dan moet je springen. Als dat niet meer kan, ben je te ver gegaan in het vastleggen van de dingen.’