Aantekeningen over mijn onderworpen lichaam

Dramaturg Marianne Van Kerkhoven schreef dat de wanden van het theater van huid zijn. Ze wilde daarmee aangeven dat de wereld en het theater in directe verbinding staan met elkaar. De muur van een theater is als huid: een semipermeabel bekleedsel, dat dus sommige dingen doorlaat en sommige dingen afstoot. Het lichaam van de dramaturg is als zo’n wand van het theater, maar dan één die kan denken en terug kan praten.

In de theaterpraktijk wordt de dramaturg omschreven als het geweten, de verbindingsofficier, omgevallen boekenkast, inhoudelijk adviseur, spindoctor. Dramaturgen zijn als het ware ‘buitenboordmotors’ van het kennisbrein van de theatermakers. Een externe harde schijf die mee-, tegen-denkt en reflecteert. Maar dat zou betekenen dat de nadruk ligt op de rationele capaciteiten van de dramaturg. Terwijl ik mijn werk ook als uiterst intuïtief, zintuigelijk en fysiek ervaar.

Net zoals acteurs hun lichaam beschikbaar stellen aan de kunst, doe ik dat als dramaturg. Niet als handelende, ‘acterende’ entiteit, maar als reagerende entiteit. De functie van de dramaturg is in mijn ervaring zeer fysiek. Ik draag boeken tot mijn rug protesteert, en eigenlijk ook daarna nog. Ik krom mij in de laatste trein over m’n laptop om in razende vaart met drie vingers notes uit te tikken.

Maar het gaat verder dan dat. Ik stel mijn lichaam bloot aan artistieke experimenten. Theatermakers mogen hun kunst uitproberen op mij. Traagheid, emotionaliteit, agressiviteit. Kom maar door, kiep die emmer maar over me heen. Een voorstelling ráákt mij. De voorstelling refereert aan fijne of juist helemaal niet fijne herinneringen. Ze breekt m’n hart of doet me geweld aan. Of ze stelt me voor een totaal onbevattelijk labyrint. Doorloop na doorloop stel ik me kwetsbaar op, om als crash-test-dummy aan de regisseur terug te kunnen geven wat het met me deed. Het lijkt alsof ik daar veilig zit, langs de kant, met een opschrijfboek, verstopt achter mijn bril. Maar die heb ik niet voor niets, die bril. Laboranten hebben ze ook: veiligheidsbrillen. Het is mijn enige harnas. Mijn ziel ligt open. Mijn hart klopt. Ik ben een mens en ik kijk.

De wanden van het theater zijn van huid, net als ik. Een dramaturg moet tastzin hebben, zin om te tasten. In het schemerdonker ben ik negen weken op de tast op zoek naar een voorstelling die er nog niet is. Ik probeer waar te nemen wat er in de toekomende tijd zou kunnen gaan zijn, en dat vooral ook onder woorden te brengen. En het liefst niet een week later, maar slechts enkele minuten of uren na afloop van de doorloop.

‘Wordt het goed?’ Hoe vaak ik die vraag niet hoor. Dat is tijdens het maakproces niet waar ik mee bezig ben. Mijn werk is dan het langzaamaan te zien verschijnen wat het is dat we maken. Waardeoordelen worden pas mogelijk nadat ‘het’ is ontstaan. In een voltooide tijd. Dan is het voor alle toeschouwers mogelijk geworden om hun eigen woorden te geven aan dat wat ze hebben meegemaakt, en te besluiten of dat synoniem is voor ‘goed’. (En of hun ervaring zich eventueel laat reduceren tot een aantal sterretjes.)

In zekere zin zoek ik steeds een specifieke vorm van catharsis. Theater als inenting, echter niet tegen maar vóór ‘het echte leven’. Geen antistoffen maar pro-stoffen. Ik laat mijn lichaam besmetten, om te ondervinden hoe theater toeschouwers vatbaarder kan maken. Ik geloof toch dat dat is waar ik mij met huid en haar voor beschikbaar stel. De queeste naar hoe theater een veerkrachtige levenslust kan genereren.