In de jaren negentig bouwde beeldend kunstenaar Herman Helle maquettes voor architecten als Rem Koolhaas: steden van luciferdoosjes en bezems, met snelwegen van touw of binnenband. Theatermakers Pauline Kalker en Arlène Hoornweg ontdekten zijn ‘spel met rommel, spullen en illusie’ en vroegen hem voor hun theatergroep Hotel Modern. Inmiddels vormen Helles maquettes al bijna drie decennia het DNA van hun beeldtaal.

Door Anne Karin ten Bosch en Elisabeth Oosterling, foto Leo van Velzen

Na het bekroonde De Grote Oorlog (2001, over de Eerste Wereldoorlog, in samenwerking met Arthur Sauer) en Kamp (2005, over Auschwitz) schetste Hotel Modern in het luchtige Garnalen Verhalen (2009) een portret van de mensheid met gedroogde garnaaltjes. Weer een andere afslag nam de theatergroep met het hypergestyleerde De Ring in 2013, in samenwerking met het Nederlands Blazers Ensemble, waarbij een insectenwereld werd vormgegeven op Wagners Der Ring des Nibelungen. Uiteenlopende producties zijn het, maar altijd raspt fictie tegen werkelijkheid, is alles net niet wat het lijkt.

De voorstellingen delen een unieke vertelvorm, waarbij de spelers live animatiefilms maken op het toneel. Het publiek ziet de filmbeelden op een scherm, maar het ziet ook makers Herman Helle, Pauline Kalker en Arlène Hoornweg terwijl zij de scènes zorgvuldig opbouwen en camera’s door de decortjes bewegen. ‘Landschapskunst op de vierkante millimeter’, noemde de Theaterfestivaljury hun werkwijze in 2001, waarbij je voortdurend op verschillende niveaus kijkt. Veertien jaar later is het werk van Hotel Modern nog altijd herkenbaar in stijl, maar nog steeds volop in beweging. Helle: ‘We zoeken steeds naar iets wat het publiek én onszelf verrast.’

Peterselie

Kalker: ‘Als schrijver componeer je zinnen, wij componeren beelden, schrijven beeldverhalen. In Heden Stad vonden we onze beeldtaal uit. Nu leren we het publiek steeds bepaalde codes. Eerst laten we bijvoorbeeld kadetjes in de vorm van auto’s zien, terwijl we de geluiden van auto’s laten horen. Daarna kan een groot brood een bus zijn, en een stokbrood een vliegtuig.’

Helle: ‘Als je toeschouwers een clou geeft, kunnen ze beelden vervolgens zelf afmaken in hun hoofd. Stel: je plant een takje peterselie in de aarde en kijkt door je oogleden, dan denk je: daar staat een boom in een landschap. Peterselie is natuurlijk geen boompje, maar als je het in een bepaalde context zet, is dat het opeens wel. Het publiek ziet de peterselie, vormt het in gedachten om tot een boom, maar ziet ook hoe deze illusie op het toneel tot stand wordt gebracht. Al die elementen versterken elkaar.’

Kalker: ‘Hersenen reageren heftig op suggestie. Juist doordat je beelden moet afmaken, is het kijken een intense ervaring. Het publiek raakt erg geïnvolveerd. We gebruiken dus bewust geen realistische modeltreinboompjes.’

Hoornweg: ‘Toeschouwers wekken zelf poppetjes tot leven in hun hoofd en zijn dan echt geraakt als een van die poppetjes doodgaat. In Kamp zat een massagraf met lijkjes van klei. Dat is confronterend, maar niet onverdraaglijk. Onze beeldtaal maakt het een beetje mogelijk om de dood in de ogen te zien.’

Geen trukendoos

Kalker: ‘Iedere voorstelling heeft een eigen beeldtaal met ongeschreven regels die we gaandeweg ontdekken. De garnalen uit Garnalen Verhalen werkten goed als ze praatten, terwijl de poppetjes daar bij Kamp juist minder krachtig door werden. Daarom gebruiken we in die voorstelling geen tekst.

We moeten onszelf bij iedere voorstelling opnieuw uitvinden. Dat wordt in de loop der tijd niet makkelijker, misschien zelfs moeilijker, omdat je steeds vaker beseft dat je iets al eerder hebt gedaan. Zomaar de trukendoos opentrekken, werkt niet.’

Hoornweg: ‘Voor De Ring heeft Herman een hele insectenwereld gebouwd. Op het scherm werd dit een waanzinnige natuurfilm, met planten en bloemen. We zijn lang bezig geweest om het megalomane en romantische van de muziek te vertalen in beelden. Om een prachtige zonsverduistering te maken of een wolk heel mooi voorbij te laten drijven. Het was bijna een bewegend schilderij. Waanzinnig mooi maar ook heel wreed, met wespen die rupsen uit elkaar trokken en vlinders die stierven in een bosbrand.’

Helle: ‘Die insecten bewogen bewust heel onhandig. We hadden dat veel realistischer kunnen maken, maar dan gaat het over iets anders, denk ik. Poppenspel kan mooi zijn, heel suggestief, maar als je het te realistisch maakt, zie je alleen nog maar hoe mooi het gemaakt is, hoe prachtig de poppen bewegen. Dan haak ik af, omdat ik niet word ingeschakeld als kijker. Tegelijk mochten onze insecten ook niet té lullig zijn – dat werkte niet met die muziek. Als de muziek overdondert, dachten we, moeten wij ook overdonderen met onze beelden. Met waanzinnige kleuren, glimmende insecten, met gouden ringen. Dan moeten we ook helemaal voor die natuurfilm gaan, het zo mooi mogelijk maken, kitsch bijna.’

Kalker: ‘In één scène legt een insect eitjes. Heel realistisch, terwijl je ondertussen die spannende, ingehouden muziek hoort. Als kijker voel je bijna de pijn van een bevalling – het is een heel kwetsbaar en magisch beeld.’

Schaalverkleining

Helle: ‘In De Grote Oorlog staan we met de rug naar het publiek met horizondoeken achter onze decortjes. Met Garnalen Verhalen wilden we juist frontaal spelen, ons gezicht naar het publiek.’

Hoornweg: ‘Garnalen krijgen namelijk snel iets robotachtigs, heel gesloten, omdat hun gezichten niet bewegen. Om hen toch emotie te geven, moesten wij onze gezichten laten zien, ze een stem geven. Het publiek plakte de emoties van onze gezichten vervolgens op de garnalen. Ze waren verwonderd dat garnalen hen zo konden ontroeren.’

Helle: ‘Opdat het publiek ons bij Garnalen Verhalen goed kon zien, moesten de horizondoeken achter de maquettes weg. Daardoor ontdekten we dat we het met heel weinig decor redden. Zo is er een scène waarin twee garnalen schaken. Ze zitten bij een schaakbord waar niet eens stukken op staan, maar je hoort een schaakklok en gelooft het meteen. Andere scènes zijn uitgebreider, zoals een scène in een crematorium. We schakelen graag tussen scènes die summier zijn vormgegeven of juist heel overdadig. Of tussen intieme en extatische scènes.’

Kalker: ‘Door onze maquettes kunnen we op het toneel verhalen vertellen over complete steden, over hele landschappen. Als je acteurs tien centimeter groot zijn, kun je er duizenden kwijt in één voorstelling. Door die schaalverkleining kunnen we grote verhalen vertellen, letterlijk en figuurlijk. Over oorlog, over genocide of het leven in een miljoenenstad.’