Hassan Mahamdallie zette bij de Britse Arts Council de ‘Creative Case for Diversity’ op, een doorlopend creatief debat om diversiteit en gelijkheid in de kunsten te bevorderen. ‘Diversiteit is niet “een probleem”. Diversiteit ís. Het is de natuurlijke staat der dingen.’

Door Hassan Mahamdallie, foto Jean van Lingen

Vier jaar geleden lanceerde de Britse Arts Council, het publieke subsidieorgaan voor kunst en erfgoed in Groot-Brittannië, de ‘Creative Case for Diversity’ met de grootste publieke beleidsconferentie die de Arts Council ooit organiseerde. Ik opende de dag met een gedicht van Langston Hughes:

‘What happens to a dream deferred?

Does it dry up
Like a raisin in the sun?
Or fester like a sore?
And then run?

Does it stink like rotten meat?
Or crust and sugar over –
Like a syrupy sweet?

Maybe it just sags
Like a heavy load.

Or does it explode?’

Hughes was een centrale figuur in de Harlem Renaissance en het gedicht uit 1951 spreekt van de groeiende frustratie in de gemarginaliseerde gemeenschappen in Amerika – oorspronkelijk zwarten, maar al snel ook homo’s, vrouwen, Native Americans en anderen. Hughes benoemde de spanning tussen de schijn van gelijkheid in de Amerikaanse samenleving (‘iedereen is gelijk geschapen’) en de harde realiteit van ongelijkheid, in essentie een manifestatie van de ongelijke verdeling van macht.

Ik vertelde dat ik mijn onderzoek voor de Creative Case for Diversity was begonnen door naar de Harlem Renaissance te kijken, om te proberen te begrijpen hoe een onderdrukte en genegeerde gemeenschap kon doordringen tot de voorhoede van de kunst. Na het bloedbad van de Eerste Wereldoorlog en tijdens de crisisjaren rond 1930 werd de stem van de zwarte Amerikanen en hun bijzondere inbreng, de jazz, de authentieke uitdrukking van een maatschappij die worstelde om het mens-zijn in de moderne tijd te begrijpen. Jazz belichaamde wat het betekende om Amerikaan te zijn aan het begin van de twintigste eeuw – niet een zwarte of een witte Amerikaan, maar een Amerikaan. De Harlem-beweging dwong af dat zwarten eindelijk werden gezien als mensen in plaats van als een probleem.

Ik vertrok hiermee vanuit een diversiteitsvoorbeeld rond ras en klasse, maar er waren duidelijk parallellen met de terreinen van handicap en kunst, vrouwen en kunst, seksuele oriëntatie en kunst, en ga zo maar door.

Er zijn andere benaderingen om diversiteit in de kunsten te bevorderen, zoals een zakelijke, een wettelijke en een morele benadering. Allemaal hebben ze hun waarde. Toch lijkt de morele benadering (‘het is het juiste voor ons om te doen’) steeds meer bankroet. Ze berust op het prikkelen van het liberale geweten van de sterksten om aardiger te zijn voor minderheden. Maar wat gebeurt er wanneer de sterksten, zij die de macht hebben, het zat zijn om ‘aardig te zijn’ of denken dat ze genoeg hebben gedaan en de kraan van verandering dichtdraaien? Bovendien, het Europese liberalisme vertoont op het moment barsten en lijkt eerder om te slaan in een bestraffend a-liberalisme, in het bijzonder in relatie tot moslims.

De creatieve benadering, zoals uitgewerkt in de Creative Case for Diversity, geeft de mogelijkheid om een ruimte te creëren waar we allemaal kunnen debatteren over interessante en uitdagende vragen, zoals: wat is de creatieve daad, wat zijn de beste werkmodellen, hoe kan kunst zich vernieuwen en kunnen nieuwe vormen en genres opkomen, hoe staan kunst en maatschappij in relatie tot elkaar? Het is een discours dat is gebouwd op wat voor mij als een paal boven water staat: dat diversiteit en de daarmee verbonden gelijkheid essentiële elementen zijn in de artistieke creatie.

Ik ontwikkelde de Creative Case omdat ik, in Engeland en daarbuiten, zag dat we vast zijn komen te zitten in een steriel, gepolariseerd debat tussen ‘ons’ (het kunst-establishment) en ‘hen’ (praktisch alle anderen), een debat dat wordt gedomineerd door van hun context beroofde en steeds betekenislozer woorden en frasen als ‘politiek correct’, ‘kwaliteit’, ‘excellentie’, ‘kunst om de kunst’ (als er al ooit zoiets zou bestaan), ‘community’, ‘de ander’, ‘schuld’ en ‘verwijt’.

Toch denk ik dat de veelgemaakte observatie dat het establishment een versterkende en beschermende macht bezit hout snijdt. Ik herinner me hoe een prominent lid van de Britse kunsten in een vlaag van eerlijkheid constateerde dat haar carrière had bestaan uit verticale progressie op de ladder, waarbij ze onderweg steeds meer macht had gekregen. Ze begreep eenvoudigweg niet hoe ze daar afstand van had kunnen doen of hoe ze het onder anderen had kunnen verdelen. Waar ‘diversiteit’ (in horizontale zin) ter sprake wordt gebracht, wrijven degenen met macht te vaak in hun handen of beloven cosmetische veranderingen en ‘a dream deferred’. Ze lijken het dictum te volgen van de aristocraat in de Italiaanse roman Il Gattopardo (De Tijgerkat) van Giuseppe Tomasi di Lampedusa die, oog in oog met de revolutie, adviseert: ‘Als we willen dat alles gelijk blijft, moet alles veranderen.’

Als het op kwaliteit aankomt, moeten we het idee verdedigen (en uitdiepen) dat kwaliteit bijna altijd functioneert als een subjectief smaakoordeel. En zoals socioloog Pierre Bourdieu stelde: ‘Smaak classificeert en het classificeert de classificeerder.’ Elk werk moet binnen deze context worden gezien en niet alleen op basis van een enkel, exclusief criterium worden beoordeeld, maar worden gewogen tegen wat de kunstenaar probeert te bereiken bij het publiek dat hij voor ogen heeft.

Als het aankomt op excellentie had Brian McMaster, lange tijd leider van het Edinburgh Festival, gelijk toen hij schreef: ‘De diverse aard van het eenentwintigste-eeuwse Groot-Brittannië is de perfecte katalysator voor alsmaar meer culturele innovatie en ik zou graag zien dat diversiteit in het hart van al het culturele werd geplaatst. We leven in een van de meest gediversifieerde maatschappijen die de wereld ooit heeft gekend, maar dit zie je niet gereflecteerd in de cultuur die we produceren, of in de makers daarvan. Uit deze samenleving zou de geweldigste cultuur kunnen groeien (…) Het is mijn opvatting dat cultuur alleen kan excelleren wanneer ze relevant is, en dus kan niets excelleren zonder te reflecteren op de maatschappij die haar produceert en ervaart.’

In andere woorden: kwaliteit en diversiteit gaan hand in hand, net als excellentie en diversiteit. Ze zijn geen tegenpolen. Soms is het in het leven de moeite waard de telescoop de andere kant op te draaien, zodat we eens zien wat er voor ons ligt.

De Creative Case for Diversity heeft in elk geval als waarde dat het geen klacht is, geen pleidooi, zelfs geen manifest; het initiatief is gebaseerd op de simpele observatie dat diversiteit, in de breedste zin van het woord, een integraal en centraal onderdeel uitmaakt van het artistieke proces. Diversiteit is niet ‘een probleem’. Diversiteit ís. Het is de natuurlijke staat der dingen. Het hoeft niet te worden gecreëerd of zelfs te worden afgedwongen – het is overal om ons heen. Maar in de kunsten heeft het alleen betekenis en waarde, wordt het alleen een actieve kracht, als het wordt verbonden aan het streven naar een grotere gelijkheid.

We moeten erkennen dat kunstenaars wier werk door ongelijkheid en discriminatie naar de marge is geduwd toch een significante en soms doorslaggevende invloed hebben op artistieke genres, vormen en stijlen. Er moeten voorbeelden worden gevonden, opgeschreven en onderwezen aan academies en in de kritiek.

De mal van het establishment kan niet blijven bestaan. Ze kleedt onze kunst uit. Goede kunstenaars weten dit instinctief. In de eigentijdse dans bijvoorbeeld prijzen we het werk van Pina Bausch. Wat geweldig dat zij het verouderende lichaam op het toneel in beweging zette in Kontakthof, met vrouwen en mannen vanaf vijfenzestig jaar! Daarmee bevrijdde ze de dans van de zelfopgelegde dwangbuis die dicteerde dat dansers onder de dertig moesten zijn en van een bepaalde vorm, gewicht, snelheid en flexibiliteit (én etniciteit).

Conversaties rond de Creative Case overtuigen me ervan dat we de argumenten aan onze kant hebben, maar de noodzakelijke verandering van de institutionele macht heeft nog niet plaatsgevonden. Vooruitgang vraagt dat we verbeeldingsrijke manieren vinden om het debat over de relatie tussen de kunsten en diversiteit en gelijkheid een andere, positievere draai te geven.

Laten we voorgoed de foutieve opvatting uitbannen dat diversiteit in de kunsten een probleem is. Ik heb geleerd dat je geduldig en ongeduldig tegelijk moet zijn: leg dingen geduldig uit maar handel met ongeduld. Niemand moet zichzelf voor de gek houden door te doen alsof dit onderwerp nog langer kan worden uitgesteld.