In de nacht van 26 op 27 juni 2011 liepen ongeveer vijfduizend kunstwerkers van Rotterdam naar Den Haag in de Mars der Beschaving. Vijf jaar later gaan Marjolijn van Heemstra, Melle Kromhout en Simon van den Berg, destijds alle drie betrokken bij de organisatie, in gesprek over het ongemak van de mars.

Melle Kromhout: Waarom lijkt het soms dat de kunstsector liever niet meer aan de Mars der Beschaving herinnerd wil worden? Zaten we fout? Was het een overtrokken reactie? Heeft het geen zin gehad? We realiseerden ons destijds al dat de naam misschien een beetje hautain was en bovendien bleek de initiële ambitie om een veel breder sectoroverschrijdend protest te organiseren naïef en onhaalbaar, waardoor we toch weer voor eigen parochie stonden te preken. Echter, juist vanwege die negatieve backlash vind ik het interessant om te bekijken in hoeverre de Mars wel geslaagd en relevant was.

De schadelijke effecten van de bezuinigingen waren de afgelopen vijf jaar eerder sluipmoordenaar dan hakbijl, maar ik denk dat je nu wel kunt stellen dat de reden tot protest meer dan legitiem is gebleken. Vooral de afbraak van kansen voor jonge makers is schadelijk en verkeerd geweest. De schamele inkomens en zeer onzekere arbeidspositie van veel kunstenaars spreken bovendien boekdelen.’

Simon van den Berg: ‘Het heeft me altijd verbaasd dat die naam voor de mars zo hard werd en wordt veroordeeld. Ik geloof nog steeds dat het protest legitiem was en het beschavingsframe ook. Er zat aan de eisen van de PVV wel degelijk een anti-civiliserend vertoog. Zoals Raymond van den Boogaard het op de dag van de demonstratie in NRC tot mijn grote vreugde formuleerde: “Niet de kunstwereld, maar het kabinet is deze Kulturkampf begonnen. […] Het is niet de laatste taak van de kunst om verborgen betekenissen en onrustbarende contradicties bloot te leggen, en daarmee de strijd aan te gaan. Dat is de kunstdemonstranten met de introductie van de term Beschaving goed gelukt.”

Een ander belangrijk en wat onderbelicht aspect van de Mars was dat het een generatiewisseling in de kunsten zichtbaar maakte. De Mars was een ad-hocproject van jongeren die elkaar in korte tijd vonden en voor mijn gevoel een band smeedden die nog steeds ongebroken is. Niettemin had veel van wat erna gebeurde uiteindelijk maar weinig resultaat. De Agenda heeft denk ik rechtstreekse roots in de Mars, maar ik ben vooral jaloers op de beeldende kunst. Uit bewondering voor het organisatievermogen van het theatervolk is daar het Platform BK opgericht. Dat loopt nu in organisatiegraad ver voor op de ongebonden makers in het theater. Daar ligt een kans.’

Marjolijn van Heemstra: ‘Dat stukje van Van den Boogaard had ik niet gelezen, mooi is dat. Volgens mij heeft mijn schroom ten opzichte van de Mars te maken met die mislukte poging andere sectoren erbij te betrekken. Ik vond de term beschaving legitiem als het ging over alle domeinen die verdedigd moesten (en moeten) worden. We zetten heel duidelijk in op de breedte, maar dat was een totale overschatting van onszelf. Waren we niet diezelfde avond al teleurgesteld door de manier waarop we geframed werden in het nieuws en de kranten?

Maar misschien was deze overhaaste manier van reageren wel de enige manier, want anders was er niets gebeurd en niets in gang gezet. De kern van het probleem is dat we dingen moesten verantwoorden die ook echt moeilijk te verantwoorden zijn. Waarom moeten er duizenden euro’s naar een obscuur uitprobeersels waar niemand naar komt kijken? Dat kun je alleen maar verantwoorden als je een geloofwaardig verhaal hebt over het belang van die theatrale ruimte. En dat verhaal is denk ik geen vaststaand verhaal. Wij probeerden dat in een week of twee te formuleren terwijl we intussen een gigantische demonstratie op touw zetten. De oudere generatie vond gewoon dat kunst geld moest krijgen, maar gaf ons niet de juiste munitie om de (verbale) strijd te leveren die wij in deze tijd moeten leveren. We hadden en hebben een nieuw verhaal nodig. Niet de gerecyclede verontwaardiging van een generatie die leefde en werkte toen het allemaal niet op kon.

Dat nieuwe verhaal is ook echt in ontwikkeling. Dat is het goede nieuws, en daar was de Mars denk ik een startpunt voor. Er kwam een bijzonder soort energie vrij onder nieuwe makers die zich wilden engageren en zich niet wilden laten wegzetten.’

Kromhout: ‘Ik denk ook dat veel van ons door de druk van grote verschuivingen in de politieke actualiteit in een discussie werden geworpen waarvoor we niet altijd de argumenten klaar hadden. Daar komt nog bij dat ik ook regelmatig mensen gesproken heb die van mening waren dat die bezuinigingen best een frisse wind hebben doen waaien. Niettemin denk ik dat die houding prematuur is, juist omdat de gevolgen nu pas in volle omvang aan het licht komen en wel degelijk heel kwalijk zijn. Mijn persoonlijke woede kwam destijds vooral voort uit het wegzetten van mensen die ik ken als keiharde werkers als luie, handophoudende profiteurs. Over de zin, onzin, noodzaak of overbodigheid van kunstsubsidies kun je legitieme politieke discussies voeren, maar de denigrerende, respectloze toon waren en zijn vals en schadelijk. Dat staat voor mij nog steeds vast en daarom kan ik de wat pompeuze retoriek van de Mars nog steeds waarderen. Ik denk dat we ons niet hoeven te schamen voor wat we daar hebben neergezet. Wanneer gaan we weer?’

Van Heemstra: ‘Haha, nou, misschien een jubileumtocht, sadder and wiser naar het Malieveld. Wat volgens mij zo ingewikkeld was en is, is dat je steeds moet kiezen vanuit welk wereld- en mensbeeld je de kunst verdedigt. Wij werden aangevallen met hele platte economische argumenten, waarin de burger voornamelijk als consument werd gedefinieerd, die te weinig waar kreeg voor zijn of haar geld, omdat de kunst ontoegankelijk zou zijn en te weinig mensen zou bereiken. Een deel van de sector is in reactie daarop vanuit hetzelfde wereldbeeld gaan reageren: met cijfers en tabellen die aantonen dat de kunst wel degelijk geld oplevert. Zo kwamen we in een discussie terecht die ons wegvoerde van het echte gesprek, dat moet gaan over wat een mens eigenlijk is in een samenleving en wat die samenleving haar burgers moet bieden. Het lang gekoesterde uitgangspunt dat kunst onderdeel is van een gezonde samenleving – of ze nu wel of geen geld oplevert – staat op de tocht. Het blijft moeilijk om de kunst te verdedigen als mensen haar vanuit een economisch perspectief aanvallen. Het ergste vind ik dat we daarin meegingen en gaan en dat ik zelf ook door dat denken geïnfecteerd ben.’

Van den Berg: ‘In een seizoensoverzicht in Theatermaker schreef ik een paar weken na de Mars: “Een nieuwe taak voor de kunst zal dus onlosmakelijk verbonden zijn met nieuwe ideeën voor progressieve politiek.” In dezelfde tijd was ik bijna wekelijks in de Tolhuistuin, op het “Plein der Beschaving”, waar de Marcheerders die dóór wilden bij elkaar kwamen om nieuwe acties te bedenken en vooral om die verbindingen met andere domeinen tot stand te brengen. Week na week voelde je de energie daar weglekken. Ergens is het thema “beschaving” dus nog een uitstaande schuld van de kunsten aan de rest van de publieke sector. En eigenlijk is er geen beter moment om dat weer op te pakken dan nu. De uitholling van de kunsten is de uitholling van de hele publieke sector. Dus ja, misschien wéér gaan, maar dan echt met z’n allen.’