Theatermaker-redacteur Marcelle Schots werkt aan een boek over choreograaf Ann Van den Broek. In november bestaat haar groep WArd/waRD vijftien jaar. In Theatermaker een voorpublicatie in twee fragmenten over hoe scenografisch denken in haar werk verankerd is.

Al in voorstellingen als Quartet with One (2002), Rest Room (2003) en E19 (richting San Jose) (2006) werkte Ann Van den Broek met concepten als ‘afstand’ en ‘rust’ om ruimtelijke dimensies te verbinden met persoonlijke behoeften en drijfveren. Vertrekkend vanuit dagelijkse bewegingen onderzocht ze aanvankelijk hoe in een beweging een bepaalde emotionele toestand besloten kan liggen. In de choreografie Co(te)lette (2007) zette ze een volgende stap. Hoe verhouden verschillende uitingsvormen zich tot elkaar? Hoe schets je een ontwikkeling?

Mentale en fysieke ruimten

Alle acties die voortkomen uit de behoeften van de vrouw, fysiek en aards, werden in de voorstelling Co(te)lette belichaamd. Een onstilbare honger of onbedwingbare lust naar voldoening refereerden aan de behoefte aan verrijking, de behoefte om te creëren, de roep om aandacht en het verlangen naar roem.

De Franse schrijfster Colette in de titel staat symbool voor alle sterke vrouwen die bewust hun vrouwelijkheid in hun creatieve uitingen verweven om tegenstellingen, spanningsvelden en clichés van het vrouw-zijn te ontrafelen en te herdefiniëren. Ook Ann speelt met ambiguïteiten in haar voorstellingen. Een in schaarse lingerie geklede vrouw kan verschillende reacties oproepen, afhankelijk van de situatie waarin zij verkeert.

De subjectieve beleving van de vleselijke lusten door te genieten of te verleiden heeft ook een keerzijde. De fonetisch uitgesproken titel ‘kotelet’ roept de negatieve connotatie van het geobjectiveerde lijf op, een lichaam dat als handelswaar uitgevent of overheerst wordt. Co(te)lette kreeg nog een invalshoek die de vergankelijkheid van de vrouw op vrij brute wijze thematiseerde: een stuk vlees is aan bederf onderhevig, ondergaat een rottingsproces dat tot verval leidt en uiteindelijk tot de dood.

Tijdens de voorstelling Co(te)lette bevonden de drie danseressen zich telkens op voor de toeschouwer onzichtbare, begrensde en tegelijkertijd flexibele plaatsen op het toneel. Met de circulaire vorm van vijf eilanden werd verwezen naar het oneindige karakter van onstilbare honger. Alle gevoelens en daaruit volgende acties die aan het ‘vlees’ gerelateerd werden, zoals verleiden of een obsessieve omgang met het uiterlijk, werden verenigd en kregen een plek op een eigen eiland. Binnen zo’n denkbeeldige ruimte werd op elk van de vijf eilanden een bepaalde staat en sfeer opgeroepen die de bewegingen van de danseres beïnvloedden. Mentale en fysieke ‘lust’ werden samengebracht vanuit de gedachte dat zij sterker zijn dan de wil. Dan was er ‘euforie’, een roes die kan ontstaan op het moment waarop je tijdelijk bevrediging voelt. ‘Controle’ was een andere factor van belang, noodzakelijk om te organiseren waar een vrouw met haar carrière wil komen of om zich te kunnen beheersen. Als antithese van het gedrag dat in deze mentale en fysieke ruimte werd opgeroepen, plaatste Ann daar een ’zeropoint’ bij, een staat waarin er geen gevoel meer is, het moment na de roes of na een extreme emotie. Tussen de eilanden was een neutrale zone om te kunnen loslaten en afstand te kunnen nemen. Zo maakten de danseressen in Co(te)lette ieder een individuele reis, gevoed door innerlijke drijfveren of externe oorzaken.

Leeg

In de vroege voorstellingen van Ann Van den Broek was de vloer aanvankelijk leeg en ongedefinieerd, zodat de toeschouwer zijn verbeelding de vrije loop kon laten gaan. Het toneel echter was verre van leeg. Onzichtbare zones waren de katalysatoren voor emotioneel geladen reactiepatronen van de dansers. Zij doorliepen een door Ann vooraf geschetste, maar flexibele structuur. Aan deze persoonlijke omgeving was vooraf betekenis toegekend, waardoor de mentale en fysieke universa waarin de dansers verkeerden de suggestie van een concrete omgeving opriepen, een situatie die hun een emotionele reactie ontlokte.

Voor elke nieuwe voorstelling van Ann Van den Broek worden eerdere bevindingen tegen het licht gehouden en wordt een ander aspect toegevoegd dat aan een grondige analyse wordt onderworpen. Na de steeds verder uitdijende synthese van de neerslag van gevoelstoestanden en gedrag in beweging en het doorleven daarvan door de dansers in een denkbeeldige ruimte kreeg de loop van haar artistieke parcours een nieuwe dimensie met de voorstelling I SOLO MENT (2008).

Hoe ziet de wereld eruit van iemand die zich aan de samenleving onttrekt? Ann Van den Broek richtte zich voor de voorstelling op het gekozen isolement van een temperamentvol en gedreven individu. De innerlijke beleving en datgene wat verborgen blijft voor de omgeving werd in I SOLO MENT juist gethematiseerd en moest daarom zichtbaar worden gemaakt.

Hoe kan de creatie van een eigen veilige wereld, waarin iemand zich kan uiten en waaruit kracht en energie geput wordt, op het toneel gebracht worden? Wat heeft het voor invloed op iemands gedrag en zijn invulling van tijd om niet mee te doen aan het sociale en maatschappelijke leven? Door eigenzinnige keuzes en een gebrek aan relativering dat uit een zelfgezocht isolement kan volgen, ontstaat soms een situatie waaruit geen uitweg meer mogelijk is. Het inmiddels onvrijwillige isolement vergrendelt en immobiliseert het individu.

Reeks rituelen

Als gedachten, ideeën en ervaringen niet meer worden gedeeld als consequentie van een gekozen isolement stapelen zij zich op. Een aspect dat Ann met name boeide was de vraag welke invloed dat heeft op de manier van communiceren. Aan een persoon met een actieve, creatieve geest koppelde zij een onweerstaanbare drang tot analyse, ontleden en onderzoeken. Het denken overschaduwt daardoor het sociale aspect van het leven. Ann plaatste de danser in een eigen leefwereld met een reeks rituelen en een eigen taal. Ze bekeek hoe ingebeelde communicatie door te praten of gesticuleren met zichzelf of een ander eruitziet. En naar wat de innerlijke spanningen door de zwaarte van het denkwerk teweegbrengen.

De leegte van het toneel werd voor I SOLO MENT heroverwogen nadat Ann zich de vraag had gesteld hoe zij haar bewegingsvocabulaire en de mentale en fysieke ruimtes die zij creëert zich kon laten verhouden tot andere scenografische elementen, zoals de projectie van beelden, schrift en decorstukken. Welke invloed zou het werken met een meer complete scenografie op haar gebruikelijke ruimtelijke en choreografische manier van werken hebben? Welke invloed zou dit hebben op de inhoud en structuur van de voorstelling?

In de scenografie voor I SOLO MENT van Niek Kortekaas werd de zwarte toneelvloer door witte lijnen opgedeeld in kleine vierkanten. Studiolampen van een fotograaf werden tijdens de voorstelling telkens verplaatst om de ruimte te veranderen. Stapeltjes kleding en schoenen en een paar props lagen er. Het zijn terugkerende elementen in de voorstellingen van Ann Van den Broek. De hele ruimte is continue te overzien.

Voor het bewegingsonderzoek werd de ruimte vormgegeven als een situatie waarin de persoon vaak in dezelfde ruimte verblijft en deze uit zijn hoofd kent. Het toneel zelf werd daardoor object van studie. De danser verkende de ruimte, observeerde en bestudeerde alle details, van de met tape afgebakende vloer tot de trekken en de lampen, om zich vertrouwd te maken en zich veilig te voelen.

Ontsnappen aan een gedeelde realiteit

I SOLO MENT was de eerste voorstelling van Ann Van den Broek waarin video werd ingezet. Video is van meet af aan een belangrijk medium in haar maakproces en was van essentiële betekenis bij het creëren van een eigen bewegingsvocabulaire. Voor het video-ontwerp van I SOLO MENT werkt zij samen met Bernie van Velzen om een situatie te creëren die het spanningsveld liet zien tussen op de huid zitten en afstand scheppen.

In de voorstelling hing de videocamera recht boven het toneel, waardoor de projecties op een scherm linksboven slechts een van boven gefilmde selectie van de ruimte zichtbaar maakte en de illusie van beslotenheid suggereerde. De projecties kadreerden het enige witte vierkant op de vloer en toonden verschillende ter plaatse gefilmde en vertoonde scènes van het individu in isolement. Niet alleen de toeschouwer werd in I SOLO MENT in de rol als buitenstaander gedrukt; naast de danser was er nog een danseres op het toneel. Zij kon verschillende rollen in zijn leven vervullen en uit haar acties bleek dat ze zich in een andere tijdszone bevond, waardoor in I SOLO MENT als het ware twee solo’s werden verweven tot een voorstelling.

De video geleidde de blik van de toeschouwer en bood een perspectief op de innerlijke wereld van de danser. De driftige uitingen van het individu in zijn tekeningen, de wanhopige blik naar boven, de aanwezigheid in de kleine ruimte met een naakte vrouw zonder zich daar maar een moment van bewust te zijn; door het gebruik van video werden de implicaties van de geschetste situatie versterkt.

Terwijl de toeschouwer naar de live uitvoering op de vloer kon kijken, kreeg hij tegelijkertijd – als een extra filter – gefilmde beelden te zien. De verdubbeling van de beelden – wat de toeschouwer ter plaatse zag en wat zich op het scherm afspeelde – bracht hem nog dieper in de innerlijke belevingswereld. Tegelijkertijd werd de afstand tussen toeschouwer en het individu vergroot; de door technologie aan de werkelijkheid onttrokken beelden zorgden ervoor dat het thema nog indringender werd. Zo ontsnapte de danser als het ware echt aan de gedeelde werkelijkheid. Naast de danser en de danseres had de video in I SOLO MENT met het oog op inhoud en vorm een dragende rol, een rol die in de voorstelling The Black Piece (2014) verder verdiept werd.

foto: Maarten Vanden Abeele