Als zoon van een Roemeense moeder en een Israëlische vader ging ik in het jaar 2000 studeren aan de Toneelschool in Amsterdam. We zaten met onze nieuwe klas op de achtste verdieping in het kantoortje van André Veltkamp, de toenmalige directeur. Bij het voorstelrondje schijn ik gezegd te hebben: ‘Ik ben Eran Ben-Michaël. 100 procent Nederlander, 100 procent Israëliër.’ Gezien het feit ik nooit enige worsteling heb ervaren met mijn gemixte achtergrond is dit een uit mijn mond nogal merkwaardige uitspraak.

In de klas zaten verder nog een halve Indo, een Koerd en een Surinaamse. Vier op elf, een redelijke score voor de Toneelschool, al waren we allemaal eigenlijk nep-allochtonen. Allen geboren in Nederland, perfecte dictie en niemand kwam van de straat. Er sluimerde wel eens wat jullie-Nederlanders-begrijpen-mij-niet-verongelijktheid door onze klas. Wat boosheid over anders zijn en irritatie over ongelijke kansen en typecasting.

Dat begreep ik nooit. Als je slim bent, dacht ik, doe je er je voordeel mee. Er zijn zo veel mensen hetzelfde in de theaterwereld, een beetje anders zijn kan geen kwaad. Ik vond eerder dat ik te weinig werd getypecast. Ik ben zelfs eens afgewezen voor een film over joden omdat ik te joods was. Door mij viel het namelijk ineens op dat de andere acteurs, die ook joden moesten spelen, niet joods genoeg waren.

Nu, twaalf jaar later, kijk ik wat minder lichtzinnig tegen de culturele staat van het theater op dit moment aan. Er is op verschillende niveaus een aantal dingen goed mis. In 2050 zal 30 procent van de Nederlanders kind zijn van gemigreerde ouders, in Amsterdam zelfs de helft. Nederland is al lang geen monocultureel land meer. Deze culturele verhouding wordt totaal niet weerspiegeld in de theatersector. Op geen enkele laag. Toneelgroep Amsterdam – hoge bomen vangen nou eenmaal veel wind – begrijpt er al jaren niks van. Ik ben benieuwd hoeveel Indo’s uit De Stille Kracht ik straks nog terugzie in haar overige stukken.

Het Filmfonds wil meer diversiteit in Nederlandse films. Dat is hartstikke mooi, maar hoe divers is de organisatie van het Filmfonds zelf eigenlijk? Hoeveel recensenten zijn Hollanders? Hoeveel castingmensen zijn niet hier geboren? Welke verhalen vertellen de grote, structureel georganiseerde gezelschappen daadwerkelijk over een veranderend Nederland? En hoeveel kleuren zitten er in hun ensembles?

En begrijp me niet verkeerd, hiermee wil ik totaal niet zeggen dat het de schuld is van al deze organisaties en instellingen. Die 30 procent moet zich ook laten horen, gelden en scholen. Als je niet goed genoeg bent, is er voor jou geen plek. Het is een keiharde wereld waarin het aanbod nou eenmaal vele malen groter is dan de vraag. Het opleggen van een quotum heeft geen enkele zin. Maar het is wel tijd voor verandering. De mensen aan de knoppen moeten zich bewuster worden van deze situatie en daarnaar beginnen te handelen.

Wij maken theater voor ons publiek. En als 30 procent van ons publiek zich niet vertegenwoordigd ziet in wat je maakt, doe je het niet goed. Tofik Dibi zei laatst in een interview in De Wereld Draait Door over de vraag waarom hij zijn homoseksualiteit in de Marokkaanse (moslim)wereld zolang verborgen had gehouden het volgende: ‘Als je je niet herkent in de ander, ga je twijfelen aan je eigen bestaan.’

Dat is de kern van het probleem, wat mij betreft. Als die 30 procent van de nieuwe Nederlanders zich blijvend niet herkent in wat de culturele sector hun biedt, dan bestaan ze voor hun gevoel niet.

Je moet je vertegenwoordigd zien, een rolmodel hebben om te voelen dat er voor jou ook kansen zijn. Het is aan die 30 procent om te zorgen dat ze goed genoeg zijn en aan die 70 procent om ze de kansen te geven het waar te maken. Langzaam maar zeker begint het te veranderen. Mooie tijden liggen voor ons. Ik ben Eran Ben-Michaël. Ik ben 100 procent Nederlands en 100 procent Israëliër!