Door Caspar Nieuwenhuis

  1. Maak van het Thorbecke-principe een grondwetartikel. Overheden en fondsen moeten zich niet bezighouden met de functieprofilering of maatschappelijke invulling van het bestel. Ze moeten opereren als een bank: faciliterend, monitorend en kredietverlenend. Laat de profilering en invulling aan de kunstinstellingen. Weg met kunst als politiek nutsmiddel.
  2. Subsidiepark ontwerpen als een legophone, met een modulaire dynamiek: op maat budgetten aanbieden over alle lagen of dimensies van de sector. Budgetmodules kunnen makkelijk worden aangekoppeld en afgekoppeld, zonder de meerjarige bedrijfsvoering te beïnvloeden. Uitgangspunt: het ontwerp ligt bij de kunstenaar. Centrale vraag: wat heb je nodig? In plaats van: wat is er (te weinig)? De kunstenaar bepaalt wat hij nodig heeft, hoeveel overheidsfinanciering dat vraagt en vanuit welke geldstroom. Kortom: dynamisch en flexibel financieren. Gevolg: het subsidieplafond wordt bepaald door de sector zelf. De sector krijgt zelfbeschikking over haar eigen economische dynamiek.
  3. Creëer twee geldstromen: één voor cultureel erfgoed/beheer, de andere voor innovatie/experiment. Maak het voor kunstenaars mogelijk zelf te bepalen vanuit welke geldstroom zij subsidie aanvragen. Maak dit model zo dynamisch mogelijk. Instellingen kunnen verschillende projecten verschillend financieren, met verschillende beoordelingscriteria.
  4. Reserveer en hanteer een neutrale valuta voor de kunsteconomie: bijvoorbeeld de bitcoin. Laat subsidie niet meer gekleurd worden door cultuurpolitieke trends. Keer subsidies uit in de vorm van bitcoins, produceer door middel van bitcoins en laat publiek betalen in bitcoins. Evalueer het project in euro’s. Dat geeft de overheden een controle-instrument en de kunstensector een instrument om haar eigen economische dynamiek te onderhouden.
  5. Bouw een beoordelingssysteem op relevantie, kunstervaring en zelfbeschikking. Laat de kunstenaar/instelling zelf vanuit dynamische relaties haar werk beoordelen (vooraf én achteraf). Voorbeeld: relevantie voor publiek, relevantie voor de (ontwikkeling van de) kunstenaar, relevantie voor de (ontwikkeling van de) kunst(stroming, -discipline, -traditie, -genre). Laat de kunstenaar op voorhand aangeven welke relevantie het kunstwerk heeft. Pas daarop de beoordeling toe. Vergeet niet de kunstervaring en kunstmaakervaring mee te nemen als beoordelingscriteria. Laat kunstenaars uitleggen wat hun maakervaring is en welke ervaringen bij toeschouwers gewenst zijn. Baseer daar de evaluatie op.
  6. Organiseer de aanvraagdynamiek als volgt: de kunstenaar vraagt subsidie aan voor de productiebudgetten, de kunstenaar bepaalt met welke organisatie de productie tot stand moet komen; deze organisatie vraagt subsidie aan om het organisatiekader te financieren. Maak onderscheid tussen financiering van kunst en financiering van backoffice (onderdeel van de legophone-structuur). Sloop onnodige technocratische/bureaucratische managementlagen uit de kunstsector. Geen overtollige directeuren, programmeurs, publiciteitsmedewerkers, educatieafdelingen meer, maar de kunstensector als efficiënt draaiende economie. Extra effect: de relatie tussen kunstenaar en publiek is zo direct mogelijk.
  7. Pas de kunsteducatie en het kunstvakonderwijs aan op het verwachte economische volume. Bouw een modulair systeem waarin budgetten, opleidingen en curricula gemakkelijk aan- en afgekoppeld kunnen worden (vergelijk punt 2. legophone). Bouw een mechanisme van diversiteit en dynamiek. Uit de economische dynamiek van de sector komt voort hoeveel kunstvakstudenten jaarlijks moeten afstuderen.
  8. Bouw een educatief curriculum voor het basis- en voortgezet onderwijs dat de kunsten in de gehele breedte vertegenwoordigt, ruimte biedt voor makenderwijs leren, innovatieve trends exploreert én mogelijkheden biedt om per discipline/genre de verdieping te zoeken. Laat het kunstvakonderwijs ruimte bieden aan studenten om basiskennis te combineren met een extra blokkensysteem-curriculum (vergelijk punt 2. legophone).
  9. Geef kunststudenten de mogelijkheid om eerst vier jaar instrumenteel en extra-curriculair onderwijs te volgen, om daarna twee jaar praktijkervaring op te doen in verschillende circuits, bij verschillende instellingen. Zoals medicijnenstudies: studenten zijn verplicht coschappen te lopen, instellingen zijn verplicht coassistenten op te nemen. Ontwerp een coöperatie tussen het professionele veld en het kunstvakonderwijs. De bres tussen de praktijk en het onderwijs wordt daarmee gedicht.
  10. Laat superintelligente computers bestuursfuncties bekleden. Hun efficiëntie en vermogen tot inclusief besturen maakt de AI-bestuurders perfect inzetbaar. Artificial Intelligence biedt een kans om op basis van algoritmiek publiek draagvlak en artistieke diversiteit te analyseren. Neem ICT-professionals op in de organisatie. Maak ICT-programma’s een substantieel onderdeel van de bedrijfsvoering. Superintelligente computers kunnen berekenen welke budgetten, ruimten en faciliteiten noodzakelijk zijn om basis en top in evenwicht te brengen. Uit zo’n berekening kan voortkomen dat er meer geïnvesteerd moet worden in amateurkunst. Of dat een brede basis een brede output oplevert, verticaal (brede top) en horizontaal (divers netwerk). Pas het beleid aan op die uitkomsten.